Categorie archief: geschiedenis

Urban gothic [ 3 ]

verfilmingen van Les mystères de Paris

les mysteres de Paris 1962De beroemde roman-feuilleton Les mystères de Paris van Eugene Sue werd in de pionierstijd van de film in Frankrijk maar liefst driemaal verfilmd. Een korte verfilming in 1909, een langere in 1912 en in 1922 volgde een derde verfilming in 12 episoden. De roman paste goed in het melodrama dat in die jaren zo populair was. In 1935 verscheen de eerste verfilming met geluid en in 1957 een Italiaanse verfilming. Daarna volgden nog twee bewerkingen: een Franse film in 1962 en tenslotte in 1980 nog een miniserie op de Franse televisie.

Les mystères de Paris verscheen oorspronkelijk als een vervolgverhaal in le journal des débats. Tussen 19 juni 1842 en 15 oktober 1843 hield het de lezers van deze krant zestien maanden lang bezig. Het was de voorloper van de televisieserie waar “iedereen” naar kijkt, een verschijnsel dat inmiddels tot het verleden behoort. Het publiek in de jaren veertig van de negentiende eeuw was gek op misdaadverhalen en het genre van de urban gothic was daardoor erg populair.

les mysteres de Paris 1922
Les mystères de Paris 1922

Ik lees Les mystères de Paris als een Krimi uit de negentiende eeuw. De Parijse onderwereld en de wereld van de aristocratie worden door Eugene Sue spannend met elkaar vermengd. De geheimen van de aristocratie blijken verstrengeld met die van criminelen. De hoofdpersoon (Rodolphe) is een aristocraat die incognito durft af te dalen in de onderwereld van Parijs. Daarbij vertrouwt hij op zijn fysieke kracht. De Nederlandse titel van de verfilming uit 1962 heette dan ook De markies met de ijzeren vuist.

Urban gothic [ 2 ]

aan het lezen in: Les Mystères de Paris (1842) van Eugene Sue

Les Mystères de ParisTelevisieseries uit de vorige eeuw zoals Peyton Place (1964-1969), Dallas (1978-1991) en Dynasty (1981-1989) hadden hun voorloper in het vervolgverhaal van de 19e eeuw. In het Frans wordt dat een feuilleton genoemd omdat het vervolgverhaal oorspronkelijk verscheen in dag- en weekbladen (feuilles).

Doordat een vervolgverhaal periodiek verschijnt in massamedia kan de massa van dag tot dag of van week tot week de belevenissen van de fictieve personages volgen. De bekendste Nederlandse feuilleton uit de 19e eeuw is Eline Vere van Louis Couperus die in 1888 in het dagblad Het Vaderland verscheen. Op straat of in de tram spraken mensen met elkaar over Eline Vere alsof het een werkelijke bekende van hen was. Dit bijzondere verschijnsel, het volk dat wekelijks meeleeft met de belevenissen van fictieve personages, begon in Frankrijk met de feuilletons vanaf 1836. Een van de meest succesvolle was Les Mystères de Paris van Eugene Sue dat tussen 19 juni 1842 en 15 oktober 1843 verscheen in le journal des débats. Het was zo’n groot publiekssucces, dat de oplage van deze krant omhoog schoot. Daarna volgden vrijwel alle kranten deze succesformule en kwamen ze met hun eigen feuilleton.

journal des débats 1842
de banner van le journal des débats (1842)

Les Mystères de Paris initieerde een nieuw (sub)genre, de zogenaamde stadsmysteries, een subgenre van de urban gothic. Er volgden na Les Mystères de Paris nu feuilletons die de geheimen van een grote stad onthulden zoals The Mysteries of London (1844) van George WM Reynolds. En het genre stak zelfs de oceaan over want in 1849 verscheen City Crimes or Life in New York & Boston van George Thompson. Een jaar geleden schreef ik iets over Os Misterios de Lisboa (1854) van Camilo Castilo Branco, een roman-feuilleton die in 2010 meesterlijk verfilmd werd door Raul Ruiz.

mysteriesofparis
Engelse uitgave van les Mystères de Paris

Maar nu naar de moeder van alle stadsmysteries, les Mystères de Paris van Eugène Sue. Ik lees het in de Nederlandse vertaling van Richard ten Berge die sterk ingekort is en 53 episodes telt. Zoals in elk feuilleton (of soapserie) is de lijst met personages lang en wordt er steeds geschakeld tussen de verschillende personages. In de eerste episodes wordt er daarom een groot beroep op het geheugen van de lezer gedaan die al deze personages uit elkaar moet houden. Dat zijn er in de eerste vijftig bladzijden al minstens twintig. Ook wordt, zoals in de roman van de negentiende eeuw gebruikelijk is, vaak een en ander verteld over het verleden van de personages, soms in een flashback van de verteller, soms in de vorm van een bekentenis, en soms aan de hand van een verslag of een brief van een ander personage.

les mysteres 1842De geheimen in Les Mystères de Paris worden beetje bij beetje onthuld. De hoofdpersoon heet Rodolphe. In werkelijkheid is hij de groothertog van Gerolstein (een fictief groothertogdom) die incognito in Parijs is neergestreken en op zoek is naar de werkelijke ouders van het meisje Fleur-de-Marie bijgenaamd la Goualeuse. Rodolphe doet zich voor als als handarbeider. Hij is fysiek ontzettend sterk en komt op voor de zwakkeren in de samenleving. Zijn secretaris ontvangt in de elfde episode een zekere Baron Von Graun, die van zijn informant Monsieur Badinot veel over de geschiedenis van verschillende personages te weten is gekomen. Zo wordt de lezer steeds meer onthuld.

Les Mystères de Paris daalt onmiddellijk aan het begin van de eerste episode al af in de krochten van de Parijse onderwereld anno 1842 waar figuren als de Schoolmeester, het Skelet en Bras-Rouge de dienst uitmaken. Bij Eugène Sue liggen de karakters vaak vast. Rodolphe en la Goualeuse vertegenwoordigen het goede terwijl De Schoolmeester, La Chouette, Polidori en gravin Sarah MacGregor het kwade vertegenwoordigen. Maar iemand als Le Chourineur valt er tussenin en doet veel denken aan Jean Valjean uit Les Misérables. Hij is een ontslagen galeiboef uit de bagno van Rochefort die door de onschuld van la Goualeuse tot inkeer komt. Victor Hugo heeft er dan ook nooit een geheim van gemaakt dat hij zich voor Les Misérables (1862) heeft laten inspireren door Les Mystères de Paris (1842) van Eugène Sue. Maar ook le Comte de Monte Cristo (1844) lijkt geïnspireerd door Les Mystères de Paris. Een graaf die incognito in Parijs verblijft, doet mij toch wel denken aan de groothertog van Gerolstein (Rodolphe) uit Les Mystères de Paris.

Urban gothic [ 1 ]

Denk aan mij… in 2020

herdenkingen van geboorte- en sterfdagen in het nieuwe jaar

Beethoven postzegel 2020250e geboortedag
14 januari Adam Jerzy Czartoryski (1770-1861)
11 maart William Huskisson (1770-1830)
20 maart Friedrich Hölderlin (1770-1843)
7 april William Wordsworth (1770-1850)
11 april George Canning (1770-1827)
27 augustus Georg W. Friedrich Hegel (1770-1831)
17 december Ludwig van Beethoven (1770-1827)

200e sterfdag
29 januari George III van Engeland (1738-1820)
27 maart Gerhard von Kügelgen, deutscher Maler (1772-1820)
9 juni Wilhelmina van Pruisen (1751-1820)

Engels postzegel 2020200e geboortedag
2 maart Eduard Douwes Dekker ‘Multatuli’(1820-1887)
28 november Friedrich Engels (1820-1895)

150e sterfdag
9 juni Charles Dickens (1812-1870)
5 december Alexandre Dumas (1802-1870)

150e geboortedag
22 april Vladimir Iljitsj Oeljanov ‘Lenin’ (1870-1924)
15 december Josef Hoffmann (1870-1956)

100e sterfdag
14 juni Max Weber (1864-1920)
31 augustus Wilhelm Wundt (1832-1920)
8 november Abraham Kuyper (1837-1920)

100e geboortedag
20 januari Federico Fellini (1920-1993)
15 april Richard von Weizsäcker (1920-2015)
29 augustus Charlie Parker (1920-1955)
6 december Dave Brubeck (1920-2012)

It was a very good year

Je kunt terugkijken op 2019, maar ook op 1979

Wanneer je bewust wilt leven hoort daar aan het einde van het jaar een terugblik bij. En als de klok op oudejaarsavond twaalf uur heeft geslagen, is het vervolgens tijd voor een vooruitblik. Tijdens Oud en Nieuw staan we even bewust stil op de drempel van verleden naar toekomst. Een tijd voor bezinning en een tijd voor goede voornemens. Meestal doen we dat op verschillende niveaus: persoonlijk, met onze dierbaren en op collectief niveau in de media. Ik deed het de afgelopen weken op een heel persoonlijk niveau: ik keek niet terug op het afgelopen jaar, maar op veertig jaar geleden, het jaar 1979.

Daar kan ik allerlei redenen voor bedenken. Het afgelopen jaar ligt nog te dichtbij om goed te kunnen overzien. Maar tussen nu en 1979 is er al zoveel afstand gekomen, dat we van “een andere tijd” kunnen spreken. Beelden uit 1979 doen gedateerd aan. Je ziet “het beeld van de (late) jaren zeventig” maar je ziet ook al iets van “het beeld van de (vroege)jaren tachtig”. Wat is dat precies voor een beeld? Eigenlijk is het een verzameling van beelden die je “typisch 1979″ kunt noemen. Iconische beelden. En je hoort er vaak ook geluiden bij “geluiden van de (late) jaren zeventig”.

BASF cassette 1979
Ook in 1979 keek ik al terug. Van 18 t/m 29 december 1979 werd het radioprogramma Poplijnen door de jaren zeventig uitgezonden. Op verschillende audiocassettes nam ik een paar afleveringen integraal op.

In 1979 werd ik zestien. Een belangrijke leeftijd. Sweet sixteen betekent voor mij dat je geen kind meer bent en al mag gaan deelnemen aan het volwassen leven. Terugkijken op 1979 betekent voor mij vooral ook: contact maken met de 16-jarige in mijzelf. Zou ik weer zestien willen zijn? Alsjeblieft niet! Maar het terugkijken stemt mij weemoedig en weemoed is een vorm van geluk die je na je veertigste komt opzoeken. Bovenop de onwetendheid en eigenwijsheid van de 16-jarige is veertig jaar levenservaring gekomen. Toen Frank Sinatra in 1965 tegen de vijftig liep, zong hij Seventeen, een van zijn meest persoonlijke liedjes. Het eindigt met: “But now the days are short, I’m in the autumn of my years, And I think of my life as vintage wine, From fine old kegs, From the brim to the dregs, It poured sweet and clear, It was a very good year.”

But now the days are short,
I’m in the autumn of my years,
And I think of my life as vintage wine

Tischbein

gezien op 17 december: Tischbein en de ontdekking van het gevoel
in het Rijksmuseum Twenthe – nog tot 19 januari 2020

catalogusHet Rijksmuseum Twenthe is in enkele jaren een van mijn favoriete musea voor schilderkunst geworden. Het museum verdient lof vanwege uitstekend verzorgde tentoonstellingen van schilders voor 1800. Precies drie jaar geleden zag ik Eindelijk, Lairesse! met een groots overzicht van deze schilder uit de late zeventiende eeuw. Door zijn classicistische glamour wordt er soms een beetje op hem neergekeken. Rembrandt ervaren we, als erfgenamen van Rousseau, als authentiek, maar de gepolijste schilderkunst in het laatste kwart van de zeventiende eeuw zijn we toch geneigd te beschouwen als kunstmatig en dus niet authentiek.

In het voorjaar van 2015 zag ik in het Rijksmuseum Twenthe Alexander Roslin. Portrettist van de aristocratie. Ook hier werd een schilder gepresenteerd die zich helemaal de gladde, Franse manier van schilderen had aangemeten. Alweer een schilder dus uit een periode in de schilderkunst die we vaak ten onrechte overslaan. Als een museum een tentoonstelling maakt over een schilder uit de achttiende eeuw, weet het al bij voorbaat dat het voor een select publiek is. Het is moedig dat het Rijksmuseum Twenthe telkens zijn neus durft uit te steken voor schilders uit de achttiende eeuw en vanwege mijn voorliefde voor de periode 1750-1850 heb ik veel waardering voor dit museum gekregen.

Op 17 december zag ik Tischbein en de ontdekking van het gevoel over de Hessische portretschilder Johann Friedrich August Tischbein (1750-1812). Tischbein liep vooruit op de romantiek. Je zou ook kunnen zeggen dat hij een van de eerste portretschilders was die onder invloed kwam van Jean-Jacques Rousseau. Zijn portretten tonen een groot verschil met die van de eerder genoemde Alexander Roslin (1718-1793). Roslin was van de generatie voor Tischbein en hoewel deze een tijdgenoot van Rousseau (1712-1778) was, zijn de opvattingen van Rousseau nooit bij Roslin doorgedrongen. Hij heeft ze in ieder geval nooit in de praktijk gebracht. Roslin was een schilder van het ancien regime, een van de schilderende lakeien van Versailles.

Tischbein brak met het formele portret zoals dat in de periode van het rococo gebruikelijk was. Rond 1780 begon hij grote opdrachten aan te nemen. In de jaren zeventig had hij veel gereisd, o.a. naar Parijs en Rome. In Rome ontmoette hij bijvoorbeeld de virtuoze schilder en zijn landgenoot Anton Raphael Mengs (1728-1779). Maar ook kwam hij in aanraking met Engelse portretschilders die in Rome waren neergestreken om er rijke Engelsen te portretteren op hun grand tour. Deze schilders werkten met een veel vrijere en lossere penseelstreek dan hofschilders als Alexander Roslin. Tischbein zal tijdens zijn verblijf in Rome zeker onder invloed zijn gekomen van de manier van schilderen van de Engelse portretschilders.

Deze grotere vrijheid hing samen met de nieuwe wind die er vanaf 1770 was gaan waaien. Europa was namelijk in de ban gekomen van Jean-Jacques Rousseau, de meest invloedrijke schrijver van de achttiende eeuw. Aan het begin van de jaren zestig had hij drie boeken geschreven, die bovenin de top tien staan van meest gelezen boeken van de achttiende eeuw: Julie, ou la nouvelle Héloïse (1761), Émile, ou De l’éducation (1762) en Du contrat social (1762). Rousseau stelde dat de mens van nature goed was maar dat de cultuur hem verdorven had gemaakt. Daarom zou de mens weer terug moeten keren naar de natuur. Natuur was het sleutelbegrip van Rousseau en werd dat ook van de Sturm und Drang en de Romantiek die daaruit voortkwam. Deze bewegingen waren, net als het sentimentalisme in de literatuur, een reactie op het rationalisme van de Verlichting.

Tischbein plaatste de geportretteerde graag buiten in de natuur, in gemakkelijke kleding en een ongedwongen houding. Dit informele portret was iets nieuws. Opdrachtgevers waren meestal mensen van aanzien die graag ook zo gezien wilden worden. Hun portretten zagen er altijd formeel en nogal plechtig uit. Maar op de portretten van Tischbein vanaf 1780 zien we ontspannen en vooral natuurlijke mensen. Rousseau bekritiseerde de cultuur en idealiseerde de natuur en zijn boodschap was ook bij de rijke burgerij aangekomen. Deze moest weinig hebben van de stijve etiquette van het ancien regime en wilde juist graag gezien worden als gewone, natuurlijke mensen. De ongedwongen portretten van Tischbein waren een groot succes, vooral onder de rijke burgers van Amsterdam waar hij aan het einde van de jaren tachtig was neergestreken.

echtpaarBoode1791
Johann Friedrich August Tischbein (1750-1812)
Jacob Hendrik Boode en zijn vrouw Catharina Antoinette Martin, 1791

Een van de mooiste portretten op de tentoonstelling is het dubbelportret van Jacob Hendrik Boode (1763-1826) en Catharina Antoinette Martin (1767-1848) uit 1791. Tischbein laat het jonge echtpaar zien alsof je ze met elkaar betrapt. Ze poseren niet, maar beleven eerder een intiem moment met elkaar. Dit dubbelportret demonstreert ook een ideaal uit de Verlichting, namelijk de gelijkheid tussen man en vrouw. Het echtpaar Boode is een modern echtpaar, ook al beleeft de Republiek in 1791 zijn laatste jaren onder Stadhouder Willem V (1751-1795) en de daarmee verbonden ouderwetse standenmaatschappij van de achttiende eeuw.

Dit dubbelportret deed mij onmiddellijk denken aan het beroemde dubbelportret van Monsieur et Madame Lavoisier in 1788 geschilderd door Jacques Louis David. Ook hier de ongedwongen, natuurlijke houding en het ideaal van gelijkheid tussen man en vrouw.

Echtpaar Lavoisier 1788
Jacques Louis David (1748-1825)
Monsieur et Madame Lavoisier, 1788
Echtpaar Boode 1791
Boode en zijn vrouw (detail)
Echtpaar 
 Lavoisier 1788
Monsieur et Madame Lavoisier (detail)

rijksmuseumtwenthe.nl

Klare lijn event [ 2 ]

gelezen: Blake en Mortimer – De vallei der onsterfelijken
Dreiging op Hong Kong (2018) en De duizendste arm van de Mekong (2019)

De Vallei der OnsterfelijkenIn januari schreef ik over het eerste deel (dreiging op Hong Kong) van De vallei der onsterfelijken. Op 22 november verscheen het tweede deel (de duizendste arm van de Mekong) en ik las het hele verhaal (108 platen) nu achter elkaar op Eerste Kerstdag.

Sinds 1996 verschijnen er weer met enige regelmaat avonturen van Blake en Mortimer, geschreven en getekend in de geest van Edgar P.Jacobs en uitdrukkelijk met de vermelding “naar de personages van Edgar P.Jacobs” op de omslag, nadat de rechter zich ermee bemoeid had. Steeds als er een nieuw album verschijnt, wordt er in de stripwereld wekenlang over gesproken. Alsof er een nieuwe LP van de Beatles verschijnt “naar de geest van John, Paul, George en Ringo”.

Het dubbelalbum De Vallei der onsterfelijken is chronologisch het derde avontuur van Blake en Mortimer en speelt zich af direct na het einde van Het geheim van de Zwaardvis, het eerste verhaal dat Edgar P. Jacobs begin jaren vijftig voor het weekblad Kuifje tekende. In 2012 verscheen de prequel De staf van Plutarchus, naar een scenario van Yves Sente, die nu dus ook De Vallei der Onsterfelijken schreef.

Verhaalchronologie
1944: 23. De Staf van Plutarchus
1946: 01. Het Geheim van de Zwaardvis: 1 – De meedogenloze achtervolging
1946: 02. Het Geheim van de Zwaardvis: 2 – De ontsnapping van Mortimer
1946: 03. Het Geheim van de Zwaardvis: 3 – SX1 in de tegenaanval
1947: 25. De Vallei der Onsterfelijken: 1 – Dreiging op Hong Kong
1947: 26. De Vallei der Onsterfelijken: 2 – De duizendste arm van de Mekong

Sente heeft Het geheim van de Zwaardvis goed bestudeerd. De laatste twee pagina’s laat hij letterlijk terugkeren in De Vallei der Onsterfelijken en tekenaars Peter van Dongen En Teun Berserik hebben deze, voor de liefhebbers iconische, plaatjes in een ander perspectief “nagetekend”. De lezer die vertrouwd is met Het Geheim van de Zwaardvis (ik las het zelf in december 1977 voor het eerst) zal ze onmiddellijk herkennen. Dat maakt de 2.0 serie van Blake Mortimer, ofwel de “naar de personages van Edgar P. Jacobs” reeks ook zo aardig, de verwijzingen naar de klassiekers van Jakobs. Inmiddels zijn er meer albums in de 2.0 reeks verschenen (14) dan in de klassieke reeks (12) Bovendien verscheen dit jaar nog het zeer bijzondere album De laatste farao van François Schuiten.

De Vallei der onsterfelijken heeft alles wat een klassiek verhaal van Blake en Mortimer hoort te hebben: wetenschap, archeologie, techniek, misdaad en avontuur. Het is een beetje James Bond, vanwege de expliciete anglofilie van Jacobs, maar daar is een flinke scheut Indiana Jones aan toegevoegd, door de combinatie van archeologie en avontuur. En de 2.0 reeks heeft ook iets, dat de klassieke reeks niet had: vrouwelijke personages. De vrouwelijke stripheldin (bijvoorbeeld Franka en Yoko Tsuno) is iets van na 1970. En toen had Edgar P. Jacobs zijn oeuvre praktisch al voltooid. In de jaren dat hij zijn klassiekers maakte, speelde de vrouw nauwelijks of geen rol. Hooguit als hospita van professor Mortimer of als voorbijgangster. De scenaristen van de 2.0 hebben het vrouwelijke personage meer naar voren gehaald, maar nog steeds blijven de mannen de dienst uitmaken, want in De Vallei der Onsterfelijken gaan we terug naar de wereld en de maatschappij van 1947…

Yves Sente heeft enorm veel uit de kast getrokken. Net zoals in zijn scenario voor Het Testament van William S. duikt hij weer met veel historische details het verleden in en zet hij Blake en Mortimer op een spoor. Het is een beproefd concept: eeuwen geleden heeft iemand een geheim verborgen in meerdere voorwerpen en als deze weer samen gevoegd zijn, wordt dit geheim weer geopenbaard. Hergé paste dit concept bijvoorbeeld toe in Het geheim van de Eenhoorn. De hoofdpersonages zijn nooit de enigen die op jacht zijn naar het (andere) verdwenen object dat nodig is om het geheim te ontrafelen. Altijd zijn er ook boeven in het spel. Bij Blake en Mortimer is het overigens nooit een raadsel wie de boef is. Dat moet namelijk (bijna) altijd Olrik zijn. Zoals Mortimer een pijpje moet roken en Blake “old chap” moet zeggen. Dat is wat obligaat, maar je kunt je beter niet storen aan deze sjablonen.

De Vallei der Onsterfelijken is een heerlijk avontuur geworden. Toch heb ik één bezwaar. Het had allemaal iets minder gemogen. Het scenario van Yves Sente is topzwaar doordat hij er teveel in heeft willen stoppen. Dat Nasr een rol moet spelen, komt mij nogal geforceerd over. Ook van de tekeningen zou je kunnen zeggen dat ze te vol zijn, maar dat is gemakkelijk te vergeven! Ik had dezelfde ervaring als in november 1974 toen ik voor het eerst kennismaakte met Het Misdaadmuseum (de voorloper van Franka) van Henk Kuijpers in het legendarische stripblad PEP. Wat een details! Van Dongen en Berserik delen duidelijk Kuijpers liefde voor de klare lijn én het detail. Je leest een stripboek eigenlijk tweemaal, de tekst en de plaatjes vormen samen het verhaal. En de beelden voegen enorm veel verhalend element toe.

Peter van Dongen en Teun Berserik mogen worden toegevoegd bij Henk Kuijpers en Joost Swarte als Hollandse meesters van de klare lijn.

Er worden vaak filmische invalshoeken gekozen, iets waar Edgar P. Jacobs zelf nooit zo sterk in was. Het beeldverhaal is na 1970 sterk beïnvloed door cinematografie en de tweede en derde generatie striptekenaars passen veel meer filmtaal toe dan de Brusselse meesters van het beeldverhaal, waarvan Jacobs één van de grootsten was. De klare lijn is ten Noorden van Brussel in vruchtbare aarde gevallen. Van Dongen en Berserik mogen worden toegevoegd bij Henk Kuijpers en Joost Swarte als Hollandse meesters van de klare lijn.

Joris JasperYves Sente heeft zich mogelijk laten inspireren door het dubbelverhaal L’Œil de Kali en La Déesse noire van Jacques Le Gall dat in 1962 en 1963 verscheen in het Franse stripblad Pilote. Ik las het veertig jaar geleden in het stripblad Robbedoes in een Nederlandse vertaling onder de titel Het oog van Kali en De zwarte godin. De stripheld Jacques Le Gall heet in het Nederlandse editie overigens Joris Jasper en is getekend door Michel Tacq. (1927-1994) Doordat ik dit dubbelverhaal in het afgelopen jaar herlas, vielen me een aantal opvallende overeenkomsten op met het scenario dat Yves Sente schreef voor De vallei der onsterfelijken. Yves Sente is een jaar jonger dan ik en het oorspronkelijke verhaal van Joris Jasper werd vlak voor onze geboorte gepubliceerd. Maar het is mogelijk dat hij Het oog van Kali/De zwarte godin, net als ik, in 1979/1980 in Robbedoes/Spirou gelezen heeft. In ieder geval lijkt het mij aannemelijk dat hij dit verhaal kent, want het werd geschreven door de grote Belgische scenarist Jean-Michel Charlier (1924-1989), ongetwijfeld een van de voorbeelden van Sente.

De vallei der onsterfelijken II [ detekentafel.com ]

Gemopper in de kantlijn

gisteren gekocht: Hooligans (1989) van Jan Hendrik van den Berg
metabletisch onderzoek naar de betekenis van Centre Pompidou en Crystal Palace

hooligansSoms koop je wel eens een boek waarin een vorige lezer aantekeningen heeft gemaakt. Meestal is dat hinderlijk, maar soms is het leerzaam en een enkele keer zelfs amusant. De boekverkoper van boekwinkeltjes.nl had mij netjes geattendeerd op “aantekeningen in potlood”. De volgende dag was het boek er al. Het bleek mee te vallen. De aantekeningen zijn in een klein en fijn handschrift (met een scherp geslepen H-potlood gemaakt) zodat ze tijdens het lezen nauwelijks storend zijn. Hoe ‘fluisterend’ het commentaar visueel ook is, inhoudelijk is het met een vette marker gemaakt. Schreeuwende kritiek genoteerd in een uiterst bescheiden handschrift heeft iets komisch.

De aantekeningen werden misschien wel dertig jaar geleden gemaakt, want Hooligans van Jan Hendrik van den Berg werd gepubliceerd in 1989 (uitgeverij G.F. Callenbach in Nijkerk.) Blijkbaar had deze lezer geen hoge dunk van de metableticus Van den Berg. Dit blijkt al op het titelblad, waar hij achter de naam dr. Jan Hendrik van den Berg geschreven heeft: ‘rechtse rakker, gevaarlijk eenzijdig, bijziend, oppervlakkig, onrechtvaardig, sociale racist – en nog zo wat.’

commentaar
de vorige eigenaar van het boek waarschuwt op het titelblad van Hooligans voor het “weerzinwekkend mens- en wereldbeeld” en de “verderfelijke theorieën” van dr. Jan Hendrik van den Berg.

Het bovenstaande is een voorproefje van wat mijn commentator in de marges van de volgende 230 bladzijden noteert. Zo ontlokt het conservatisme van Van den Berg hem meermalen een spottend ‘ochot!’ Wanneer hij Van den Berg ergens op meent te kunnen betrappen dan staat er: ‘alsjeblieft, de aap uit mouw’. Bij verontwaardiging: ‘Wel ja, toe maar’. En tenslotte laat hij zich kennen als een progressieve moralist: ‘Van den Berg heeft een weerzinwekkend mens- en wereldbeeld. Bovendien bedenkt hij verderfelijke theorieën.’, ‘Heeft Van den Berg sympathie voor bepaalde methoden van Hitler om de minderen en de minsten te laten verdwijnen?’, ‘Van den Berg: dirty mind’, ‘Wat een smeerlapperij’.

Ondanks al dit gemopper in de marge, blijkt het boek Hooligans een interessante cultuurkritische studie over de relatie tussen moderne architectuur en het wegvallen van gezagsverhoudingen in de samenleving. De Hooligans zijn voor Van den Berg voor de cultuur en menselijke waardigheid bedreigender dan de Barbaren dat zijn voor Alessandro Barricco. De laatste, onthoudt zich uit vrees voor cultuurpessimisme van een duidelijke stellingname. Van den Berg schrijft vanuit een dapper conservatisme, waarvoor hij door zijn commentator genadeloos afgerekend wordt.