Categorie archief: geschiedenis

de salon van 1880 [ 1 ]

gelezen in Écrits sur l’art van Joris-Karl Huysmans
L’Art moderne (1883), Certains (1889) en Trois Primitifs (1905)

HuysmansOok in 1880 deed Joris-Karl Huysmans verslag van de Salon de Paris. Er waren dat jaar 7.289 inzendingen, meer dan ooit tevoren. In 1883 werden zijn kritieken gebundeld in l’Art Moderne. Tegenwoordig is deze bundel weer opgenomen in Écrits sur l’art, naast zijn andere teksten over schilderkunst: Certains (1889) en Trois Primitifs (1905).

In 1879 had Huysmans al partij gekozen voor de nieuwe generatie (Huysmans was zelf van 1848) en was tekeer gegaan op de salonschilders. Zijn commentaar op de Salon van 1880 begint met een tirade op de salonschilders en hun navolgers: “Partout ce sont les élèves de Cabanel et de Bouguereau, qui égalent, s’ils ne dépassent, en nullité, leurs déplorables maîtres.”

Jules Aviat
Jules Aviat 1880
Charlotte Corday

Jules Charles Aviat (1844-1931) was een leerling van Carolus Duran et Léon Bonnat. Zijn inzending voor de salon van 1880 was een portret van Charlotte Corday, de moordenares van Marat. Als we tegenwoordig aan Marat denken, dan zien we daarbij vanzelf het kale schilderij van David met de man in bad, bekend van ontelbare boekomslagen. Dat Marat levenloos in zijn bad hing, was te danken aan een 24-jarige vrouw uit de Gironde die Marat hartgrondig haatte. Aviat schildert haar kort na de moord, waarbij ze zich achter een gordijn verstopt. Baudry schilderde dit moment al eens in 1860 en Aviat moet hier zeker naar gekeken hebben.

Jules Bastien-Lepage
Jules Bastien-Lepage 1879
Jeanne d’Arc

De Jeanne d’Arc van Jules Bastien-Lepage hangt tegenwoordig in het Metropolitan Museum of Art in New York. We zien het moment dat de jonge vrouw haar heilige missie ontvangt. Het katholieke Frankrijk heeft wat met jonge strijdbare vrouwen; ook Charlotte Corday zou met haar verzetsdaad een martelares worden van het katholieke en royalistische Frankrijk. Huysmans, die zich in 1880 nog niet tot het katholicisme bekeerd had, vindt de maagdenverering eerder lachwekkend: “Ajoutons-y encore les vierges et les nudités des peintres d’histoire, les Charlotte Corday et les Marat qui abondent, plus comiques les uns que les autres.” In zijn ogen heeft de gerenommeerde Salon de Paris zich gedegradeerd tot een ordinaire “verkoopbazar”.

William Adolphe Bouguereau
William Adolphe Bouguereau 1880
La flagellation du Christ

Huysmans loopt met een wijde boog om La flagellation du N.S. Jésus-Christ heen.

Alexandre Cabanel
Alexandre Cabanel
Phèdre

Ook Phèdre van de salonschilder Alexandre Cabanel (1823-1889) laat hij links liggen.

Pierre Cot
Pierre Cot 1880
l’Orage

Het honingzoete neo-rococoplaatje van Pierre Cot zal Huysmans zeker niet behaagd hebben! Geen woord dus daarover in zijn verslag.

Pascal Dagnan-Bouveret
Pascal Dagnan-Bouveret 1880
Un accident
Un enfant s’est coupé la main. Que de sang! Il y en a plein une cuvette! Quelle pâleur de visage, quel mélo, quelle scène dramatiquement composée!

Over het naturalistische en melodramatische schilderij Un accident van Pascal Dagnan-Bouveret (1852-1929) maakt Huysmans zich vrolijk: “Un enfant s’est coupé la main. Que de sang ! Il y en a plein une cuvette ! Quelle pâleur de visage, quel mélo, quelle scène dramatiquement composée ! Après la boutique du photographe, le doigt coupé; après le rire les larmes ! Succès sur toute la ligne. Des dames étouffent devant cette cuvette rouge, devant ces bandelettes de linge taché. Eh ! Ce n’est pas du sang qui devrait sortir de cette poupée blême, c’est du son, du joli son jaune ! La vérité exigeait impérieusement ce sacrifice ; mais comme d’habitude, M. Dagnan s’y est refusé”.

de Salon van 1879 | Huysmans [ nl.wikipedia.org ]

De salon van 1879 [ 3 ]

gelezen in Écrits sur l’art van Joris-Karl Huysmans
L’Art moderne (1883), Certains (1889) en Trois Primitifs (1905)

HuysmansDeze reeks over de salon van 1879 wordt afgesloten met zes schilders: Edouard Manet, Pierre Auguste Renoir, Pascal Dagnan-Bouveret, Jules Bastien-Lepage, Jean-François Raffaëlli en Pierre Puvis de Chavannes. In zijn verslag maakt Joris-Karl Huysmans er geen geheim van dat hij een hekel heeft aan het werk van de salonschilders. Net als Diderot ruim honderd jaar vóór hem Boucher zag als dé vertegenwoordiger van de slechte smaak (Cet homme a tout, excepté la vérité), zo was Bouguereau voor Huysmans het levende bewijs van zielloze schilderkunst. “Ni muscles, ni nerfs, ni sang.”, oordeelt hij over zijn Venus, een van de pronkstukken van de salon van 1879.

Huysmans voelt zich wel thuis bij schilders als Degas, Manet en Renoir, die tijdens de officiële salon van 1879 vertegenwoordigd zijn. Hij deelt dus de moderne smaak die de onze is geworden. Nog steeds wordt onze visie bepaald door de tegenstelling salonschilders vs. impressionisten. De salonschilders zijn dan door kunstcritici zoals Huysmans al voorzien van labels van afkeuring: gekunsteld, kitsch, fake, glossy, enz… terwijl de impressionisten hun stempel van goedkeuring hebben.

Ooit was dat precies omgekeerd en viel de impressionisten een vette R (van refusées) ten deel. De revolutie die de impressionisten ontketenden had grote gevolgen voor de schilderkunst. In de loop van de twintigste eeuw zou de academische schilderkunst neerbuigend worden behandeld. Over de weergaloze techniek van Cabanel, Gérôme of Bouguereau werd helemaal niet meer gesproken, over het schandaal des te meer. De media gingen een allesoverheersende rol spelen in ons oordeel over kunst.

Manet
Edouard Manet 1879
Dans la serre (Nationalgalerie Berlin)

Op de salon van 1879 hing een schilderij van Edouard Manet dat een van zijn bekendste werken zou worden. Ik zag het voor het eerst in 1985 in de Nationalgalerie in Berlijn, waar het een van de highlights is. Manet was in 1879 al een beroemdheid. Op de salon van 1863 had hij op de Salon des Refusées een schandaal veroorzaakt met zijn Déjeuner sur l’herbe. Hij werd de hoop van een groep jonge schilders die later de impressionisten zouden gaan heten en die zich enorm aangesproken voelden door de directheid en frisheid van zijn werk. Ook Huysmans is geraakt door de frisheid van Manet: “C’est là une oeuvre moderne très attirante, une lutte entreprise et gagnée contre le poncif appris de la lumière solaire, jamais observée sur la nature.”

Renoir
Pierre Auguste Renoir 1879
Madame Georges Charpentier en haar dochtertjes
(Metropolitan Museum New York)

Ook Pierre Auguste Renoir was in 1879 met een schilderij vertegenwoordigd in de Salon. Zijn grote portret van Mme Georges Charpentier en haar dochtertjes hangt nu in het Metropolitan Museum in New York. “En somme, c’est l’oeuvre d’un artiste qui a du talent et qui, bien que figurant au salon officiel, est un indépendant”, besluit Huysmans. Renoir was als impressionist een onafhankelijke, maar voor verkoop deed hij gewoon mee met de officiële Salon (voor veel van zijn vrienden de vijand!) In 1881 zou hij tegenover de kunsthandelaar Paul Durand-Ruel bekennen: “In heel Parijs zijn er misschien vijftien kunstliefhebbers in staat een schilder te waarderen zonder de Salon. Maar er zijn er 80.000 die niets willen kopen van een schilder die niet op de Salon tentoongesteld heeft. Dat is waarom ik mijn portretten elk jaar stuur. Mijn bijdrage aan de Salon is volledig vanuit commercieel oogpunt. Het is net als met sommige medicijnen: baat het niet, dan schaadt het niet.”

Dagnan-Bouveret
Pascal Dagnan-Bouveret 1879
Une noce chez un photographe

Het schilderij van Pascal Dagnan-Bouveret is een eigentijds tafereel: een bruidegom en zijn bruid laten zich fotograferen bij de plaatselijke fotograaf. De familie is meegekomen, want in 1879 was een fotografie nog iets bijzonders en de fotograaf nog een soort tovenaar. Het schilderij lijkt in zijn alledaagsheid zelf wel een kiekje, maar Huysmans merkt terecht op dat het slecht geschilderd is: “J’avoue tout d’abord que c’est médiocrement peint.”

Bastien-Lepage
Jules Bastien-Lepage 1879
Portret van Sarah Bernhardt

Het portret van de actrice Sarah Bernardt door Jules Bastien-Lepage kan Huysmans niet echt bekoren: “M. Bastien-Lepage, dont le portrait de Mlle Bernhardt semble peint à la loupe et exécuté à petites lèches sur une plaque d’ivoire, ne ferait pas mal de regarder l’oeuvre de M. Fantin-Latour.”

Raffaëlli
Jean-François Raffaëlli 1879
Voddenman

Bovenstaande aquarelle-gouache van Jean-François Raffaëlli spreekt Huysmans erg aan. “Voilà donc enfin une oeuvre qui est vraiment belle et vraiment grande!” We weten uit een interview dat Jules Huret in 1890 met J-K.Huysmans had, dat hij in zijn werkkamer een aquarel van Raffaëlli aan de muur had hangen. Na zijn kennismaking tijdens salon van 1879 met bovenstaande Chiffonnier van Raffaëlli is hij mogelijk zijn werk gaan verzamelen of is hij met deze kunstenaar bevriend geraakt.

Puvis de Chavannes
Pierre Puvis de Chavannes 1879
Drie meisjes aan het strand

Tenslotte een werk van Pierre Puvis de Chavannes. Huysmans zou in de jaren tachtig veelal geassocieerd worden met het symbolisme waarvan Puvis de Chavannes een vertegenwoordiger was. Voor Gustave Moreau en Odillon Redon zou Huysmans meer waardering hebben, maar hij geeft toe dat Puvis de Chavannes talent heeft:“ça agace, comme d’habitude, avec ses prétentions à la naïveté et son affectation du simple; et cependant, si incomplet qu’il puisse être, ce peintre-là a du talent.”

Tot zover dit drieluik over de Salon van 1879. Een volgende keer de Salon van 1880, waar Huysmans ook verslag van deed. Deze verslagen werden in 1883 gebundeld in l’Art Moderne.

de Salon van 1879 | Huysmans [ nl.wikipedia.org ]

De Salon van 1879 [ 2 ]

gelezen in Écrits sur l’art van Joris-Karl Huysmans
L’Art moderne (1883), Certains (1889) en Trois Primitifs (1905)

HuysmansJoris-Karl Huysmans had nog maar twee romans (Le Drageoir aux épices, Marthe) geschreven toen hij in 1879 verslag deed van de Salon de Paris. In zijn kunstkritieken, die in 1883 gebundeld werden in l’Art Moderne, kiest hij hartstochtelijk voor de modernen (de impressionisten en symbolisten) en keert hij zich af van de zogenaamde ‘salonschilders’, schilders die zich conformeerden aan de officiële smaak waarvan de Salon de Paris de uitdrukking was. De bijtende toon waarmee hij zijn afkeur uitspreekt, doet mij denken aan die van zijn latere alter ego Des Esseintes in zijn roman A Rebours (1884). Huysmans kon zijn walging met passie en vuur uitbraken.

In deze eerste rondgang door de Salon van 1789 zes schilders. Ze komen geen van allen in de canon van Janson voor: Ernest Duez, Léon Bonnat, Jean Béraud, Eva Gonzalez en Jules Lefebvre. William Adolphe Bouguereau is de enige schilder in het rijtje die bij breder publiek bekend is, maar voor Huysmans staat hij juist voor alles wat hij afwijst. De kunstcriticus was goed geïnformeerd. Hij kende meestal wel de beknopte bio van de betreffende schilder en wist in ieder geval door wie deze was opgeleid. Meestal brachten salonschilders weer nieuwe salonschilders voort. Bij Huysmans bemerk je een groot verlangen om uit dat salonsysteem te ontsnappen. Niet voor niets waren de impressionisten en de symbolisten zijn helden.

Duez
Ernest Duez 1879
De heilige Cuthbert (middenpaneel van een drieluik)

Het bovenstaande schilderij van Ernest Duez laat op het middenpaneel een episode uit het leven van de heilige Cuthbert zien. Huysmans merkt op dat deze schilder altijd hedendaagse voorstellingen had geschilderd, maar dat hij nu eens het religieuze genre heeft uitgeprobeerd. Hij zou daarvoor naar Gent en Brugge zijn gereisd om Van Eyck en Memling te bestuderen. Huysmans betreurt dat en besluit met: “Passons donc sur cet anachronisme sans doute motivé par un désir de médaille ou de commande; mais, de grâce ! que M. Duez revienne bien vite aux jolies parisiennes dont il a parfois rendu les élégances!”

Leon Bonnat
Léon Bonnat 1879
portret van Victor Hugo

Toen Léon Bonnat in 1879 dit portret schilderde, was Victor Hugo 77 jaar oud. Het is duidelijk bedoeld als een officieel portret van een gigant (Hugo zou in 1885 onder groot eerbetoon bijgezet worden in het Panthéon). We zien hem hier drie jaar nadat Ettiene Carjat de bekende foto van hem maakte met zijn handen op de knieën. De pose waarin Bonnat zijn model heeft geplaatst, is allesbehalve zo informeel als de foto uit 1876. Huysmans schrijft: “La pose elle-même est banale ; le coude appuyé sur un volume d’Homère donne une idée de l’esprit du peintre.”

Béraud
Jean Béraud 1879
De Hallen in Parijs

Met zijn impressie van De Hallen laat Jean Béraud een eigentijds straatgezicht zien. Het is geen impressionistisch schilderij dat plein air geschilderd is maar een atelierstuk. Huysmans lijkt dat te betreuren en is geen liefhebber van dit schilderij: “j’apprécie peu, oh ! très peu, sa Vue des Halles”.

Gonzalez
Eva Gonzalez 1879
Une logo aux Italiens

Dan komen we bij een schilderij van Eva Gonzalez en we denken onmiddellijk: Manet! Dat is natuurlijk ook niet vreemd want Gonzalez was een leerling van Manet en is dicht bij de stijl van haar leermeester gebleven. Het boeket links lijkt gejat uit de handen van de zwarte bediende van Olympia. Huysmans is opgetogen over het schilderij, al staat de donkere tint van de achtergrond hem tegen: “Cette toile, dérivé des Manet, a une certaine saveur amère et rêche qui nous console des écoeurantes sucreries auxquelles nous venons de goûter. C’est, en somme, une oeuvre qui, malgré sa teinte déplaisante, possède une belle tournure.”

Lefebvre
Jules Lefebvre 1879
Diana en nimfen

Het is niet verrassend dat Huysmans het schilderij van Jules Lefebvre afkeurt. Zijn voorstelling van Diane is representatief voor de smaak van de Salon. Al was het Tweede Keizerrijk in 1879 alweer 9 jaar ter ziele, de smaak van Napoleon III was niet van de ene op de andere dag verdwenen. “Comme peinture creuse et vide, ce n’est pas inférieur à du Bouguereau.” oordeelt de criticus.

Bouguereau
William Adolphe Bouguereau 1879
De geboorte van Venus

Bij la Naissance de Venus van William Adolphe Bouguereau kan Huysmans losbarsten: “De concert avec M. Cabanel, il a inventé la peinture gazeuse, la pièce soufflée. Ce n’est même plus de la porcelaine, c’est du léché flasque.” Dit is het toppunt van salonschilderkunst en dus valse schijn. Huysmans heeft totaal geen oog meer voor de fabelachtige techniek van Bouguereau. het enige wat hij ziet is nep, nep en nog eens nep. Het lichaam van Venus doet hem denken aan een opgeblazen ballon. “Ni muscles, ni nerfs, ni sang.” Huysmans lijkt zijn afkeer te overdrijven en beweegt met zijn kritiek zelfs in de richting van razernij wanneer hij schrijft: “C’est à hurler de rage quand on songe que ce peintre qui, dans la hiérarchie du médiocre, est maître, est chef d’école, et que cette école, si l’on n’y prend garde, deviendra tout simplement la négation la plus absolue de l’art!”

In het derde en laatste deel tenslotte nog zes schilders: Edouard Manet, Pierre Auguste Renoir, Pascal Dagnan-Bouveret, Jules Bastien-Lepage, Jean-François Raffaëlli en Pierre Puvis de Chavannes.

de Salon van 1879 | Huysmans [ nl.wikipedia.org ]

De Salon van 1879 [ 1 ]

gelezen in Écrits sur l’art van Joris-Karl Huysmans
L’Art moderne (1883), Certains (1889) en Trois Primitifs (1905)

Een van de aangename aspecten van de verleden tijd is voor mij de overzichtelijkheid. Het verleden lijkt tot stilstand gekomen en blijft onbeweeglijk voor mij liggen zodat ik het kan onderzoeken. Het ordenen en archiveren hebben anderen al voor mij gedaan. Daarbij is bijna alles onder de oppervlakte verdwenen en “vergeten”. Slechts een deel van de ontelbare namen uit het verleden is boven komen drijven, de rest is weggezakt in vergetelheid. De tijd heeft de bekende namen van de naamlozen geschift.

Toen ik in de jaren tachtig op de kunstacademie zat, gebruikten we bij kunstgeschiedenis A History of Art uit 1962 van H.W.Janson als naslagwerk. Dit boek presenteert een canon, een selectie van kunst en kunstenaars uit het verleden die in 1962 relevant of representatief werden gevonden voor historische periodes. De reikwijdte van mijn historische kennis en mijn visie op schilderkunst zijn in die jaren sterk door de canon van Janson bepaald. Toen Janson in 1962 zijn overzicht publiceerde, heerste er nog een utopisch modernisme dat werd gezien als het eindpunt van een lineaire historische ontwikkeling. Een specifieke groep schilders uit de negentiende eeuw werd door Janson vooral gezien als wegbereider van de moderne kunst. Doordat hij door de bril van het modernisme naar het verleden keek, werden de kunstenaars uit de negentiende eeuw vooral beoordeeld op hun vernieuwende kwaliteiten.

Janson 1962
mijn Nederlandstalige uitgave van A History of Art van H.W. Janson kocht ik in 1986
Toen Janson in 1962 zijn overzicht publiceerde, heerste er nog een utopisch modernisme dat werd gezien als het eindpunt van een lineaire historische ontwikkeling.

Zo kwam er een scheiding tussen salonkunst en moderne kunst, waarbij de salonkunst gezien werd als de gevestigde orde die door een avant garde omvergeworpen moest worden. De impressionisten waren (en zijn nog altijd) helden vanuit de opvatting dat moderne schilderkunst nieuwe visies moet openbaren. Van het impressionisme werd het spoor tot in de eerste helft van de negentiende eeuw terug gevolgd. Turner, Corot en Jongkind zouden wegbereiders zijn geweest van een revolutie in de schilderkunst. En vanuit dat impressionisme werden lijnen doorgetrokken tot in de eerste decennia van de twintigste eeuw. Het expressionisme en tenslotte ook de abstracte schilderkunst zouden uit het impressionisme zijn voortgekomen.

Het internet heeft de laatste twintig jaar mijn uitzicht (en daarmee inzicht) op de historische schilderkunst enorm vergroot. Ik ontdekte tientallen schilders die in de canon van Janson ontbreken. En ik ontdekte hoe het werkt: laat een gezaghebbend instituut een selectie van namen maken, zodat dit merknamen worden en laat deze vervolgens door de industrie eindeloos rouleren: in kunstboeken, op reproducties, boekenleggers, placemats, kussenslopen, koffiemokken, enz… Het vermarkten van kunst is al zo oud als de kunst zelf, maar wat nieuw is in de moderne tijd, is de technische reproduceerbaarheid van het kunstwerk. In onze massacultuur is het kunstwerk een onderdeel van de massacultuur geworden.

Dan is het aardig om eens terug te gaan naar de jaren waarin het impressionisme, het zaadje van de moderne kunst, ontkiemde: de jaren zeventig van de negentiende eeuw. De gevestigde kunst hield vanaf 1834 (behalve 1858 en 1871) jaarlijks zijn feestje: de Salon de Paris. Wilde je als kunstenaar carrière maken, dan was de Salon de Paris dé plek waar je moest exposeren. Aanvankelijk was de selectie streng maar na de revolutie van 1848 was er een liberaler beleid en werden er minder kunstenaars geweigerd. Geweigerde kunstwerken werden gemerkt met een stempel met de letter R (van refusé). Wanneer een werk geweigerd was, was het voor een kunstenaar bijna onmogelijk om nog elders te exposeren. Om aan deze kunstenaars tegemoet te komen, werd in 1863 de Salon des Refusées in het leven geroepen. Daar vierden de impressionisten vanaf 1874 hun eigen feestje en werden ze wegbereiders van de moderne schilderkunst.

Huysmans - Écrits sur l'artDe Franse schrijver Joris-Karl Huysmans (1848-1907) was begin dertig toen hij zijn kritieken schreef over de Salons van 1879, 1880 en 1881. Deze werden in 1883 gebundeld onder de naam l’art moderne. Ook zijn verslaggeving van de Exposition des Indépendants van 1880 en 1881 (vanaf 1884 de Salon des Indépendants) is in Écrits sur l’art opgenomen. Zijn kritieken verschenen tussen 1879 en 1881 in le Voltaire, la Réforme en la Revue littéraire et artistique.

Voor de Salon van 1879 werden 5.895 kunstwerken ingezonden. De Salon was ook ‘s avonds geopend, dankzij de elektrische verlichting (voor de eerste maal). Huysmans doet in tien paragrafen verslag van deze tentoonstelling. Hij kwam zelf uit een familie van kunstschilders en was daardoor geïnteresseerd in schilderkunst. Als schrijver zou hij in 1884 doorbreken met zijn roman A Rebours dat een belangrijke betekenis zou krijgen voor de symbolisten en het l’art pour l’art aan het einde van de negentiende eeuw.

Huysmans a publié trois ouvrages de critique d’art : L’Art moderne (1883), Certains (1889) et Trois Primitifs (1905), composés à partir d’articles parus dans la presse. Après s’être essayé, dans L’Art moderne, au compte rendu de la visite des salons officiels et des expositions impressionnistes, il propose, dans Certains, l’inventaire de ses goûts personnels, en s’attachant à l’étude de peintres – Pierre Puvis de Chavannes, Gustave Moreau, Odilon Redon, Félicien Rops… – et de thèmes particuliers : ‘ Le fer ‘, ‘ Le monstre ‘, etc. Dans Trois Primitifs, enfin, il s’attarde sur des artistes jusque-là négligés : constitué d’une monographie de Mathias Grünewald et du récit de la visite de l’Institut Staedel de Francfort, ce texte apparaît comme un retour sur l’origine même de son intérêt pour les arts plastiques. Souvent ironiques et pleins de verve – ‘ Il peint à la bile, comme d’autres à la gouache, à l’encaustique ou au pastel ‘, écrivait Charles Maurras -, ces écrits présentent un double intérêt : outre qu’on y découvre les peintres de prédilection de Huysmans, de Degas à Caillebotte, en passant par Renoir, Monet et Hokusai, ils éclairent aussi, par ricochet, les romans de l’auteur et la fonction singulière qu’y assument les œuvres d’art.

In de volgende afleveringen wil ik samen met Huysmans gaan kijken naar een aantal schilderijen die op de salon van 1879 te zien waren. Een paar namen (Manet, Renoir, Puvis de Chavannes) zijn gecanoniseerd, de anderen zijn (tamelijk) onbekend.

de Salon van 1879

vivre libre ou mourir

gelezen: Cette histoire qui a fait l’Alsace tome 9
Allons, enfants… (de 1792 à 1815)

histoire l'alsaceDe meeste boeken over de Franse Revolutie in het Nederlandse taalgebied concentreren zich op Parijs. De Zonnekoning had van Frankrijk de meest gecentraliseerde staat van Europa gemaakt waarbij hijzelf in het middelpunt stond. Het revolutionaire Frankrijk centraliseerde nog verder, de oude regio’s werden vervangen door departementen, er werd een agressieve taalpolitiek in de regio gevoerd en Parijs werd nog meer het administratieve centrum dan het al was. Toch is Frankrijk veel meer dan Parijs. Neem de Elzas, een gebied dat Lodewijk XIV in 1681 op het Duitse Rijk veroverde en wat cultuur betreft (nog altijd!) veel beter aansluit bij de Rijnlandse dan bij de Franse cultuur.

Toen de Franse Revolutie op 14 juli 1789 en definitief op 10 augustus 1792 doorbrak, hoorde de Elzas ruim honderd jaar bij Frankrijk. Maar de bevolking sprak hoofdzakelijk nog een Duits dialect en de gebruiken waren voornamelijk Duits. De Straatsburgse vrouwen droegen bijvoorbeeld een Schneppenhauben, een verzilverde of vergulde kam in het haar. In oktober 1793 toen de Jakobijnen in de Elzas een anti-Duitse koers gingen volgen, moesten alle vrouwen deze inleveren omdat het als nationalistisch symbool werd gezien. De onderstaande (anonieme) prent werd door tekenaar Francis Keller gebruikt voor de omslag van het educatieve stripboek.

Schneppenhauben
Les Strasbourgeoises déposent leurs bonnets d’or et d’argent, “les Schneppenhauben”, comme dons patriotiques.[credits: Musée Carnavalet, Histoire de Paris]

Het is interessant te lezen hoe de Revolutie in de Elzas verliep. De Elzas is altijd een grensgebied geweest met een uitwisseling tussen de Duitse en Franse cultuur. Het was overwegend katholiek maar na de Reformatie waren er ook protestante enclaves ontstaan, bijvoorbeeld binnen de zogenaamde Tienstedenbond (décapolis), tien vrije rijkssteden die van 1354 tot 1648 deel uitmaakten van het heilige Duitse Roomse Rijk. Kort na het uitbreken van de Revolutie vluchtten veel ci-devants (aristocraten) de Rijn over naar Duitsland waar ze zich voorlopig vestigden in de hoop dat de Franse Revolutie een mislukt project zou blijken. De Duitstalige bevolking van de Elzas werd vanaf de linker Rijnoever (Baaden) gevoed met politieke (royalistische!) geschriften om een contrarevolutie te ontketenen. vanuit Parijs werd dit keihard bestreden, want het vaderland heette nu eenmaal “één en ondeelbaar”.

Van de Franse Revolutie in de Elzas kunnen we leren wat de veerkracht van de regio en de traditie kan zijn.

In 1793 werd de guillotine ook in de Elzas geïntroduceerd. De Duitse Franciscaan en hoogleraar Euloge Schneider werd in Straatsburg openbaar aanklager en hij is een van de vele voorbeelden van de revolutionair die anderen naar het schavot verwees maar tenslotte ook zélf “gekopt” werd. Op 25 maart was er in Molsheim een royalistische opstand waarbij luidkeels “vive le roi” werd geroepen. De leiders van deze opstand werden terechtgesteld; het was de eerste keer dat in de Elzas de guillotine gebruikt werd. Het grootseminarie van Straatsburg werd in het voorjaar van 1793 tot gevangenis omgebouwd. Toen op 17 september 1793 in heel Frankrijk de Loi des Suspects werd doorgevoerd, konden gevangenen zonder proces tot de guillotine veroordeeld worden. De terreur, en dus de guillotine, zou daarna op volle toeren gaan draaien.

Op 12 september 1793 gaat het revolutionaire Frankrijk aan de Rijn in de aanval. Kehl (aan de overkant van Straatsburg) en Breisach worden allebei onder vuur genomen omdat daar Oostenrijkse troepen liggen. Ook al wordt Breisach in as gelegd, de Oostenrijkers worden niet verdreven. De Oostenrijkse veldmaarschalk Würmser valt via Wissembourg in het Noorden de Elzas binnen en rukt op naar de hoofdstad Straatsburg. De revolutionairen zijn zich bewust van de vijfde colonne die zich op dat moment nog binnen de stadsmuren bevinden en kondigen een ultimatum af op 15 november. Alle ci-devants (lees: royalisten) moeten onmiddellijk de stad verlaten.

De revolutionairen weten het tij te keren. Dan radicaliseert het. Net als de Notre Dame in Parijs wordt de kathedraal van Straatsburg omgedoopt tot de tempel van de Rede. Religieuze beelden en schilderijen worden vernietigd tijdens een jakobijnse beeldenstorm. Ook in Colmar wordt veel christelijk erfgoed kapotgemaakt. De Revolutie toont zijn meest intolerante gezicht: vivre libre ou mourir. In Hitzbach wordt een Mariabeeld rood-wit-blauw opgeschilderd en mag daarom blijven staan. In december 1793 worden straatnamen omgedoopt. De Rue Saint Louis heet voortaan Rue Guillotine en de Quai Saint Nicolas is nu de Quai de Bonnet Rouge .

Tempel van de Rede
Monument élevé à la Nature dans le Temple de la Raison à Strasbourg la 3.me décade de Brumaire l’an 2 de la République

De Franse Revolutie houdt de huidige tijd een spiegel voor. Ook nu zijn er weer krachten werkzaam die straatnamen willen veranderen en die tolerantie en diversiteit prediken, maar in werkelijkheid intolerant zijn en uniformiteit eisen. Van de Franse Revolutie in de Elzas kunnen we leren wat de veerkracht van de regio en de traditie kan zijn.

En 23 ans se succèdent la République révolutionnaire, le Directoire, le Consulat, le Premier Empire, la Première Restauration, les Cent-Jours et le début de la Seconde Restauration ! Chaque changement politique apporte son cortège de revirements, d’épurations et de remaniements. L’Alsace où, à l’époque, très peu de gens savent le français, est pour cette raison souvent suspecte aux autorités parisiennes, surtout après la Grande Fuite de 1793. Pourtant, les départements du Rhin ne sont pas en reste sur les autres pour ce qui est du civisme ! Beaucoup d’alsaciens figurent parmi les généraux de la République et de l’Empire. L’épopée napoléonienne marquera durablement les esprits.
Bron: babelio.com

allons, enfants

vandaag bezochten we het geboortehuis van Rouget de Lisle
de componist van het Franse volkslied

In de Jura merk je niet veel van Quatorze Juillet. De plaatselijke oorlogsmonumenten zijn weliswaar voorzien van tricoleres, maar een feestdag? Misschien sparen de Fransen hun energie voor morgenavond als ze in Moskou wereldkampioen voetbal worden? In ieder geval was de nationale Feestdag voor mij een aanleiding om in Lons-le-Saunier het geboortehuis van Claude Joseph Rouget de Lisle te bezoeken, nu een klein museum. De componist van het Franse volkslied was in de winter van 1791/1792 officier in een garnizoen dat in Straatsburg gelegerd was.

Rouget de Lisle
patriottisch standbeeld van Claude Joseph Rouget de Lisle in Lons-le-Saunier

Het is algemeen bekend dat dit revolutionaire strijdlied zijn naam kreeg doordat garnizoenen uit Marseille dit zongen terwijl ze naar Parijs marcheerden. Maar het werd geschreven in Straatsburg in april 1792. Rouget de Lisle was bevriend met Dietrich, de burgemeester van Straatsburg, die bekend was met het muzikale talent van zijn vriend. In zijn Portraits de Révolutionnaires schrijft Alphonse de Lamartine over de geboorte van de Marseillaise.

Marseillaise
Hoe le Chant de guerre de l’Armee du Rhin vanuit Straatsburg via Marseille naar Parijs kwam

Op de avond van 25 april 1792, terwijl er hongersnood heerste in Straatsburg , zei Dietrich tegen zijn vriend “L’abondance manque à nos festins: mais qu’importe, si l’enthpusiasme ne manque pas à nos fêtes civiques et le courage aux coeurs de nos soldats? J’ai encore une dernière bluteille de vin dans mon cellier.” tegen een van zijn dochters zei hij ” Qu’on l’apporte et buvons-la à la liberté et à la patrie! Strasbourg doit avoir bientôt une cérémonie patriotique: il faut que De Lisle puise dans ces dernières gouttes un de ces hymnes qui portent dans l’âme du peuple l’ivresse d’où il a jailli.”

Rouget de Lisle kreeg dus van de burgemeester van Straatsburg de opdracht een lied te componeren “dat de volksziel in de roes brengt waaruit dit lied is opgeborreld.” Patriottischer kun je het niet verwoorden. De vonk vloog over en in de nacht van 25 op 26 april 1792 componeerde Rouget de Lisle het Chant de guerre de l’Armee du Rhin dat in dde zomer van 1792 massaal bekend zou worden onder een andere naam: de Marseillaise.

Musée Rouget de Lisle [ juramuseers.fr ]

humanitair drama

opnieuw gezien: As linhas de Torres (2012)
The lines of Wellington van Valeria Sarmiento

Lines of WellingtonEen paar jaar geleden zag ik deze Frans-Portugese film voor het eerst en was erg onder de indruk. De grote Chileense cineast Raúl Ruiz (1941-2011) overleed helaas tijdens de productie en zijn weduwe, de Chileense regisseur Valeria Sarmiento regisseerde de film in de geest van haar overleden echtgenoot. De stijl van Ruiz is herkenbaar door telkens terugkerende trage takes met een poëtische lading. In dialogen worden afwisselende close ups meestal vermeden en blijft de camera op afstand registreren binnen het half totaal. Net als in films van Tarkovsky lopen de werkelijke en de filmische tijd vaak gelijk. Door traagheid als verhaalelement te gebruiken, zal As linhas de Wellington het grote publiek waarschijnlijk vervelen. Dat zit te wachten op een veldslag en niet op de kont van een paard die te lang in beeld is. Maar juist dat soort filmische keuzes maken The lines of Wellington voor mij de moeite waard.

official trailer

The lines of Wellington is een oorlogsfilm zonder veldslagen die vooral gaat over de ontreddering die oorlog met zich meebrengt. De wanhoop en de gelatenheid in de eindeloze vluchtelingenstroom die door het Portugese landschap trekt, komt sterk naar voren. Honderdduizenden Portugezen moeten hals over kop hun huis verlaten en zich samen met de Engelsen terugtrekken achter de Linies van Torres Vedras die Lissabon tegen de Franse invasie moet beschermen. Onder de vluchtelingen bevinden zich de meest uiteenlopende types. De meesten zijn boer, maar ook aristocraten zijn op de vlucht. Iedereen is van het een op het andere moment vluchteling geworden.

De Franse invasie van het Iberisch schiereiland was een catastrofe. Maar in plaats van veldslagen, zien we het humanitaire drama achter de gevechtslinies. Dat wordt griezelig concreet gemaakt: rondzwervende bendes deserteurs die alleen nog voor eigen lijfbehoud vechten en gewetenloze bandieten zijn geworden. Portugezen die ‘handballen’ met afgehakte hoofden van Franse soldaten. Lijkenrovers die de laarzen van gesneuvelde soldaten verkopen. Een aristocraat die op de vlucht is en die op een kar twee kasten vol boeken heeft meegenomen zodat hij kan wegvluchten in een boek. Een jongen met een verstandelijke handicap die niemand heeft maar meeloopt met de rest. Door in te zoomen op het individuele leed krijgt de vluchtelingenstroom verschillende gezichten, die diepe indruk maken. Veel meer dan de zoveelste sensationele veldslag in een oorlogsfilm.

By choosing an old-school directing style, Valeria Sarmiento reinforces the solemn dimension of a film that not only aims to be a homage to her late husband (with guest appearances by Catherine Deneuve, Isabelle Huppert, Mathieu Amalric, Michel Piccoli, and Chiara Mastroianni among others), but also a historical record from a grassroots perspective. Indeed, the film focuses very little on the battle’s great figures played by John Malkovich and Melvil Poupaud, and lingers no longer on great explosive battle scenes, even for the film’s ending.
 
Bron: cineuropa.org

linhas de Wellington [ imdb.com ]