Categorie archief: 19e eeuw

Boek & film [ 2 ]

gezien: The Age of Innocence (1993) van Martin Scorsese
aan het lezen in: De jaren van onschuld (1920) van Edith Wharton

The Age of InnocenceNadat ik The Age of Innocence drie of vier keer gezien heb, is het eerste dat mij opvalt tijdens het lezen van de roman, dat het filmscript vaak letterlijk de woorden van Edith Wharton heeft overgenomen. Martin Scorsese en Jay Cocks die samen het scenario schreven, hebben de sublieme stijl van Wharton in de film zoveel mogelijk overeind proberen te houden. Niet alleen in dialogen maar ook in de fraaie beschrijvingen van interieurs, rijke families en etiquette. De voice over laat de roman hier en daar letterlijk door de film heen schemeren.

Ook visueel wordt het boek nauwgezet gevolgd. Het verhaal speelt zich voornamelijk af in de Victoriaanse interieurs van de beau monde in New York, maar we zien een enkele keer ook straatbeelden. In historische films, waarin het verleden tot leven geroepen moet worden, stelt het straatbeeld de production designer meestal voor technische problemen. Tot het einde van de vorige eeuw werden historische stadsbeelden vaak met matte painting afgedekt en ingevuld. Sinds 25 jaar wordt bijna alles opgelost met digitale animatie. Voor The Age of Innocence maakte art director Dante Ferretti vooral gebruik van matte painting. Persoonlijk zie ik dat liever als Computer Generated Imagery, die het over het totaal een zweem van onechtheid achterlaat.

Op movie-locations.com zien we een overzicht van locaties uit The Age of Innocence. De film begint in de opera, de natuurlijke biotoop waar de upperclass zichzelf met toneelkijkers in de gaten hield. Scorsese en zijn art director Ferretti weken uit naar Philadelphia om te filmen in de Academy of Music die gebouwd werd tussen 1855-1857 en dus uitstekend de Academy of Music in New York die in 1926 werd afgebroken, kan vervangen.

The Age of Innocence begint in de opera waar de wereldberoemde Zweedse sopraan Christine Nilsson (1843-1924) een aria in Faust zingt.

Een andere locatie in New York die niet meer bestaat, is het mansion van Mrs. Mingott op de hoek van Fifth Avenue en de 57th street. In werkelijkheid stond hier vroeger een rij huizen van Mrs. Jones, een tante van Edith Wharton. Ook deze werden in de jaren twintig afgebroken voor hoogbouw. Voor deze locatie liet Ferretti door een production designer een matte painting schilderen, waarbij hij de beschrijving uit het boek volgde. In 1869 toen Wharton’s tante hier haar mansion liet bouwen, was Fifth Avenue boven de 40th street nog een modderige weg die over een braakliggend deel van Manhattan liep.

Een derde locatie is het historische Van Alen House uit 1731 die in de film moet staan voor Skuytercliff, een buitenhuis aan de Hudson van de Van Luydens. Niet alleen de familie Van Luyden maar ook het Van Alen House benadrukken de Nederlandse wortels van de happy few in New York in de 1870′s. Wharton schrijft dat de Van Luydens directe afstammelingen waren van de eerste gouverneur van Manhattan (Nieuw-Amsterdam) en dat was Cornelius Jacobsz May.

Martin Scorsese werkte veel samen met art director Dante Ferretti. Tweemaal werd deze genomineerd voor een oscar voor de art direction voor een Scorsese film (The Age of Innocence, 1994 en The Gangs of New York, 2003) en tweemaal wist hij zijn nominatie ook te verzilveren (The Aviator, 2005 en Hugo, 2012). Ferretti is niet half zo bekend als Scorsese terwijl deze laatste zeker half zoveel te danken heeft aan zijn vaste art director.

Hoofdpersoon Newland Archer is een jonge advocaat met een passie voor schilderkunst. Dit laatste gegeven weten Scorsese en Ferretti uit te buiten, door Newland Archer met de blik van een connaisseur over de schilderijen te laten gaan. De camera neemt het daarna van hem over en voor het oog van de camera passeren schilderijen van William-Adolphe Bouguereau, Alexandre Cabanel en Jean Baptiste Isabey die in de roman genoemd worden.

the age of innocence
Newland Archer interesseert zich voor schilderkunst. De New Yorkse elite heeft een voorkeur voor Franse salonschilders met een fabelachtige techniek, zoals William Bouguereau. Maar in het huis van gravin Olenska wordt hij geconfronteerd met de allernieuwste, rauwe schilderkunst uit Europa, die het verlangen naar vrijheid benadrukt.

Ook laat ze ons weten dat haar hoofdpersoon helemaal op de hoogte is van de kunsthistorische literatuur van zijn tijd. Zo heeft hij The Renaissance van Walter Pater uit 1873 en Renaissance in Italy uit 1875 van John Addington Symonds gelezen en is hij thuis in de esthetische geschriften van John Ruskin, Vernon Lee en Philip Gilbert Hamerton.

Boek & film [1] : Schaduw over Berlijn van Volker Kutscher

beau monde

gezien op DVD: The Age of Innocence (1993)

The Age of InnocenceDertien jaar geleden zag ik voor het eerst het meesterlijke kostuumdrama The Age of Innocence van Martin Scorcese. De film was toen dertien jaar oud. Weer dertien jaar later kijk ik de film voor een derde of vierde keer en bezwijk opnieuw voor Edith Wharton‘s beroemde zedenschets uit 1920 van de New Yorkse elite in de Gilded Age. Ik kijk overigens al een paar jaar uit naar de tv-serie The Gilded Age die waarschijnlijk dit najaar door HBO uitgezonden gaat worden. Dit langverwachte period piece is geschreven door Julian Fellowes, de bedenker en scenarist van Downtown Abbey.

De zogenaamde Gilded Age (1870′s tot 1893) was de periode na de Amerikaanse Burgeroorlog waarin de Verenigde Staten zich onder leiding van de Noordelijke Staten opwerkten tot supermacht. De Verenigde Staten werden door hun uitgestrektheid het land van de onbegrensde mogelijkheden. Het Noord-Oosten industrialiseerde razendsnel in een periode die we de Tweede Industriële Revolutie (1870-1910) zijn gaan noemen. Door de ontwikkeling van het spoorwegennet, scheepsbouw en nieuwe bouwtechnieken kwam er een enorme vraag naar ijzer en staal. De zware industrie werd de motor van de Amerikaanse economie en op Wallstreet ontwikkelde zich het nieuwe financiële hart van de wereld.

Het was de periode van de beroemde Amerikaanse tycoons zoals William Kissam Vanderbilt (1849-1920), Andrew Carnegie (1835-1919), J.P. Morgan (1837-1913), William Rockefeller (1841-1920) en Henry Clay Frick (1849-1919). De Amerikaanse miljardairs van de Gilded Age deden hetzelfde als de aristocraten van het oude Europa: ze lieten hun rijkdom zien en bouwden paleizen die ze volpropten met kunst.

De Amerikaanse miljardairs van de Gilded Age deden hetzelfde als de aristocraten van het oude Europa: ze lieten hun rijkdom zien en bouwden paleizen die ze volpropten met kunst.

De Amerikaanse magnaat werd exemplarisch voor de nieuwe rijke: hij imiteerde het oude Europa en het eigene dat hij eraan toevoegde, was het principe big is beautiful. Dit wordt bijvoorbeeld prachtig op de hak genomen in Citizen Kane met Kane’s landgoed Xanadu. Alles eraan is groot: in de enorme haard met indrukwekkende schouw kan een kleine vrachtauto parkeren. De kamers zijn er zo groot, dat je je er verloren in voelt.

the age of innocence
diner in the Age of Innocence (1993)

Het is deze haast lachwekkende exorbitante rijkdom die Scorcese in zijn verfilming van The Age of Innocence uit 1993 ons tot in de kleinste details laat zien. Dat doet hij op een effectieve manier: de vrouwelijke voice over leest beschrijvingen van Edith Wharton voor als de camera de weelderige interieurs aftast. De muren van de salons zijn van onder tot boven zijn volgehangen met schilderijen. Bij voice over die een zin uit de roman uitspreekt “Dining with the van der Luydens was at best no light matter, and dining there with a Duke who was their cousin was almost a religious solemnity.” zien we hoe de hand van een bediende met een witte handschoen een moot zalm opdient alsof het een kerkelijk ritueel betreft.

diner in the Age of Innocence (1993)

Wharton‘s roman is het tragische verhaal van Newland Archer, een jonge advocaat uit een rijke familie in New York. Hij hoort bij de happy few, maar dat betekent dat hij ook gevangen zit in hun systeem. De Amerikaanse upper class is een kopie van de upper class uit Europa maar in New York knelt het korset waarschijnlijk nog meer dan in Londen. Dat heeft onder anderen te maken met een puriteinse moraal die vaak Hollands aandoet. Dit calvinistische karakter van de upper class in New York wordt gerepresenteerd door de schatrijke New Yorkse familie Van der Luyden, waarmee Wharton verwijst naar de Vanderbilts.

The van der Luydens had done their best to emphasise the importance of the occasion. The du Lac Sevres and the Trevenna George II plate were out; so was the van der Luyden “Lowestoft” (East India Company) and the Dagonet Crown Derby. Mrs. van der Luyden looked more than ever like a Cabanel, and Mrs. Archer, in her grandmother’s seed-pearls and emeralds, reminded her son of an Isabey miniature.
 
Bron: literaturepage.com
the age of innocence
diner in the Age of Innocence (1993)

De superrijken in Amerika mochten zwelgen in hun rijkdom maar moesten zich wel houden aan strenge regels die de moraal van de upper class voorschreef. De vrijgevochten gravin Olenska gaat hier haaks op in. Ze beweegt zich vrij door het bekrompen milieu van de New Yorkse elite. Als geboren Amerikaanse gelooft ze in de vrijheid en aanvankelijk meent ze dit te kunnen delen met haar landgenoten. Ze gaat ervan uit dat men in New York moderner denkt dan in Londen en verwacht steun in haar beslissing om te scheiden van haar man, graaf Olenska, die ergens in Europa een liederlijk leven leidt. Maar voor de upper class in New York in de 1870′s is het een absolute no go wanneer een vrouw uit eigen beweging wil scheiden. Haar eigen familie is weliswaar liberaal, maar blijkt toch gevangen in het web van rijke Amerikaanse families die haar gedrag absoluut afkeuren.

Haar nichtje May Welland is verloofd met Newland Archer. Ze is een van de weinigen die nog niet ziet hoe verdorven de wereld is waarin zij leeft en niet merkt dat ze in een gouden kooi leeft. Newland zou het liefst willen ontsnappen, maar zit te veel verkleefd in het sociale netwerk. De tegenwerkende krachten zijn te sterk.

Bernardo Bertolucci baseerde de hoofdfiguren uit Prima della rivoluzzione (1964) op de romanpersonages Fabrizio en Gina uit De kartuize van Parma van Stendhal. Maar qua thematiek lijkt zijn film sterk op The Age of Innocence: Jongeman probeert tevergeefs te ontsnappen uit zijn ouderlijke milieu.

waar staat Ivan Toergenjev?

gelezen: Vaders en zonen (1862) van Ivan Toergenjev

Ivan ToergenewHet heeft lang geduurd voordat ik voor het eerst een boek van Ivan Toergenjev heb gelezen. Vaak staat Ivan Toergenjev (1818-1883) in de schaduw van Tolstoi (1828-1909) en Dostojewski (1821-1881). Toch was Vaders en zonen (1862) de eerste Russische roman die buiten Rusland populair werd. Het wordt wel eens gezien als de eerste moderne roman. Het psychologische thema van de innerlijke tegenstrijdigheid, zo kenmerkend voor de moderne literatuur, zou in deze roman voor het eerst uitgewerkt worden. Dostojewski en Tolstoi hebben met personages vol tegenstrijdigheden als Pierre Bezoechov (Oorlog en vrede), Anna Karenina en Raskolnikov (Misdaad en straf) een lijn voortgezet die Toergenjev met Jevgeni Vasiljevitsj Bazarov in Vaders en Zonen begon.

Hoofdpersoon Jevgeni Vasiljevitsj Bazarov is een student wetenschap én nihilist. Hij erkent geen enkele autoriteit en verzet zich tegen alles dat romantisch is of naar gevoel zweemt. Zijn vriend Arkadi Nikolajevitsj Kirsanov bewondert hem om zijn zelfverzekerdheid en zijn ferme uitspraken. Het verhaal is duidelijk in de tijd geplaatst: het begint in mei 1859 en loopt tot ergens in de zomer en eindigt met een epiloog in januari 1860. In deze periode waren er in Rusland grote maatschappelijke veranderingen die zouden leiden tot de afschaffing van het lijfeigenschap in 1861 door tsaar Alexander II (1855-1881).

Toergenjev publiceerde Vaders en Zonen in 1862. Voor hem had het grote gevolgen, want hoewel hij politiek niet geëngageerd was, werd zijn roman wel opgevat als politiek pamflet en hij kreeg zowel uit conservatieve als linkse hoek allerlei verwijten over zich heen. Omdat hij bevriend was met de anarchist Bakoenin (1814-1876) was hij voor de conservatieven al bij voorbaat verdacht. Maar links nam het hem kwalijk dat hij van zijn hoofdpersoon Bazarov een karikatuur had gemaakt, een kille rationalist waarmee de links radicalen in een ongunstig licht werden geplaatst.

Vaders en ZonenHet was Toergenjev’s tragiek dat hij een buitengewoon scherp waarnemer was, maar door zijn weifelmoedigheid geen stelling koos. Voor de conservatieven werd in Vaders en Zonen de oudere generatie te kijk wordt gezet en voor links radicalen wordt de representant van de nieuwe generatie neergezet als een vulgaire materialist. Maar Toergenjev had het goed gezien. De polarisatie in de Russische maatschappij rond 1860 eiste van Toergenjev een duidelijk standpunt. Hij was in 1862 al een groot schrijver en zelfs tsaar Alexander II las hem. De vraag was direct na het verschijnen van Vaders en Zonen in 1862: Waar staat Ivan Toergenjev?

De vraag was direct na het verschijnen van Vaders en Zonen in 1862: Waar staat Ivan Toergenjev?

Voor hemzelf was dat waarschijnlijk glashelder: in afstandelijke betrokkenheid tot zijn personages. Toergenjev werd dus ook estheticisme verweten, het wegvluchten in de kunst. Ook dat liet de Russische samenleving op dat moment niet toe. De roman mocht dan wel een kunstvorm zijn, in het tsaristische Rusland van de negentiende eeuw was literatuur zo ongeveer nog het enige dat door de censuur kon glippen. En dus kon de roman stiekem als politiek pamflet gebruikt worden. Juist daarom was debat over Vaders en Zonen destijds zo heftig. Men moest weten waar de schrijver zélf stond. Toergenjev werd het allemaal teveel en hij vluchtte naar Parijs waar hij tenslotte in 1883 stierf.

De maaiers (detail) uit 1887 door Grigori Grigorjewitsch Mjassojedow (1834–1911)
In 1861 werd door tsaar Alexander II het lijfeigenschap afgeschaft. De bevrijding van de lijfeigenen die tot dan toe slaven waren geweest, zette de Russische maatschappij op z’n kop. Vaders en Zonen speelt zich af in de zomer van 1859.

Bart Voorsluis meent uit Vaders en Zonen af te kunnen leiden waar Toergenjev zelf stond. In zijn artikel engagement of distantie (verschenen in: In de marge, 2006) schrijft hij dat Toergenjev helemaal aan het einde van de roman een politiek statement van de eerste orde zou hebben verkondigd. Volgens Voorsluis geloofde Toergenjev niet in het nieuwe Rusland waarvan Bazarov de representant was. Als we Bazarov zien als de voorloper van de bolsjewieken, zouden we Toergenjev ongelijk moeten geven, want dat nieuwe Rusland kwam er in 1917 toch. Maar we kunnen Toergenjev, als Bart Voorsluis het bij het rechte eind heeft, ook gelijk geven: het radicale socialisme heeft geen stand gehouden en Rusland is in deze nieuwe eeuw onder een nieuwe “tsaar” herrezen. En de Russisch Orthodoxe Kerk lijkt helemaal terug van weggeweest. “In de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.” Of zoals Vaders en Zonen eindigt: “ze (de bloemen) spreken ook van de eeuwige verzoening en van het oneindige leven…”

Personages in Vaders en Zonen
Jevgeni Vasiljevitsj Bazarov – Arkadi Nikolajevitsj Kirsanov – Nikolaj Petrovitsj Kirsanov – Pavel Petrovitsj Kirsanov – Fenitsjka (Fedosja) – Anna Sergejevna Odintsova – Katja Sergejevna Lokteva – Jevdoksia Koeksjina – Vasili Ivanovitsj Bazarov – Arina Vlasjevna Bazarova – Pjotr – Sitnikov

Oriëntalisme

Vorige week las ik De Graaf van Monte Cristo (1846) uit

Graaf van Monte CristoIn april begon ik aan de klassieker van Alexandre Dumas. Deze succesvolle roman-feuilleton, voor het eerst gepubliceerd in het Journal des Débats in 18 delen tussen 28 augustus 1844 tot 15 januari 1846, bevat allerlei elementen die het Franse publiek tijdens de regering van Louis-Philippe bezig hielden. Bonapartisme, effectenhandel, de opkomst van de telegraaf en spoorwegen en oriëntalisme. Het oriëntalisme heeft veel meer met West-Europa (Frankrijk in het bijzonder) te maken dan met het Midden-Oosten. Je zou dit fenomeen kunnen zien als een mengsel van romantische idealisering, volkenkunde en toerisme.

Larnaca
De Graaf van Monte Cristo op Cyprus
De Venetianen heersten van 1489 tot 1573 over Cyprus. Op de Finikoudes Boulevard in Larnaca staat een (grijnzende!) kopie van de leeuw van San Marco. Het origineel werd tijdens de Vierde Kruistocht (1202-1204) gejat uit Constantinopel en is sindsdien het symbool van La Serenissima. Een geschenk van de stad Venetië aan de stad Larnaca die sinds 2010 met elkaar een stedenband onderhouden. Het Levantijnse bezit van de voormalige zeemacht wordt met dit vriendelijke plasje alsnog afgebakend.

Dumas weeft het oriëntalisme handig door zijn roman heen door te verwijzen naar het verblijf van zijn hoofdpersoon, Edmond Dantès, in de Oriënt. Nadat hij na veertien jaar gevangenschap in het Château d’If (vlak voor de kust bij Marseille) ontsnapt is, brengt hij ongeveer tien jaar door in het Midden-Oosten alvorens hij in 1838 terugkeert naar Parijs om wraak te nemen op degenen die hem ten onrechte veroordeeld hebben tot levenslang wegkwijnen in een kerker, een straf die hij als vele malen erger beschouwt dan de doodstraf. Over die jaren schrijft Dumas niets, want hij maakt op een gegeven moment en sprong van tien jaar.

Maar als Edmond Dantès als de Graaf van Monte Cristo terugkeert in zijn land, is hij naast zijn trouwe dienaar Bertuccio, omgeven door een kleine oosterse hofhouding. Prinses Haydée is in Dumas’ roman de verpersoonlijking van het oriëntalisme.

Haydée is de dochter van Ali Pasja van Ioannina en Vasiliki. Haydée wordt op driejarige leeftijd geconfronteerd met het verraad van Fernando Mondego. Haydée weet zich dit nog goed te herinneren doordat Fernando een litteken op zijn hand heeft. Tijdens de Turkse oorlog is haar vader verraden door Fernando Mondego en is zij samen met haar moeder verkocht als slavin. Op het moment dat haar moeder het hoofd van Ali op een spies ziet staan, sterft zij ter plekke en is Haydée wees. Monte Cristo heeft haar tijdens een van zijn reizen gekocht en voedt haar op alsof ze zijn eigen dochter is. Door de jaren heen is er een intieme band tussen de twee ontstaan. Bron: nl.wikipedia.org

Door de expeditie van Napoleon naar Egypte (1798-1799) waren de Fransen al sinds 1800 vertrouwd geraakt met het Midden-Oosten. Napoleon had uit Egypte zijn Mammelukse lijfwacht Roustam Raza naar Frankrijk meegenomen, en deze was tot april 1814 een van de trouwste dienaren van de Franse keizer. De Fransen raakten met zijn exotische verschijning naast Napoleon vertrouwd, doordat hij op vele schilderijen (en nog veel meer prenten) stond afgebeeld. Roustam werd in de jaren na 1815 opgevolgd door de ontelbare oosterse figuren op de schilderijen van Delacroix, Ingres, Gérôme en andere oriëntalisten.

Roustam Raza werd in Georgië geboren als zoon van een Armeense koopman en zijn Georgische echtgenote. In 1797 werd hij in Constantinopel als slaaf verkocht. Na het overlijden van zijn meester kwam hij in Caïro in het bezit van een met Napoleon bevriende sjeik. In augustus 1799, kort voor Napoleons terugkeer in Frankrijk, trad hij in zijn dienst. De volgende vijftien jaar vergezelde Roustam de consul en latere Franse keizer op al zijn krijgstochten, van Spanje tot Rusland aan toe. ‘s Nachts sliep hij direct naast Napoleons vertrek. Op 1 februari 1806 trouwde hij Alexandrine Douville, de dochter van de eerste kamerjonker, valet de chambre, van keizerin Joséphine de Beauharnais. Bron: nl.wikipedia.org

De graaf van Monte-Cristo

de eerste 40 hoofdstukken gelezen van De Graaf van Monte Cristo (1844)

De Graaf van Monte CristoDe Graaf van Monte Cristo behoort tot de beroemdste romanfiguren van de negentiende eeuw. Ik kende hem alleen nog van de film en zag dan Richard Chamberlain of Gerard Depardieu voor mij. Maar ik wilde Edmond Dantes zien zoals ik Julien Sorel, Fabrizio del Dongo, Jean Valjean of Raskolnikov kan zien: zoals Stendhal, Hugo en Dostojewsky hun personages oorspronkelijk gezien hebben. Dus besloot ik het boek toch maar eens te gaan lezen. Weliswaar veertig jaar te laat, want de roman van Alexandre Dumas is eigenlijk een jongensboek dat je op je vijftiende zou moeten lezen. Dumas schrijft met een sneltreinvaart en neemt geen tijd voor filosofische bespiegelingen zoals Hugo of voor fijne psychologische observaties zoals Stendhal en Dostojewsky. Het is geschreven met een behangerskwast.

Veel Franse romans uit de negentiende eeuw nemen hun aanvang bij Napoleon. De Kartuize van Parma (1839) begint met de intocht van Napoleon in Milaan op 15 mei 1796, Les Miserables (1862) begint in 1815. Ook De Graaf van Monte Cristo begint in 1815 en wel op 27 februari, vlak voor de landing van Napoleon in de Golfe-Juan op 1 maart 1815. Dumas gebruikt de geschiedenis als decor en lijkt daarin meer op Stendhal dan op Hugo. Hij probeert de geschiedenis niet te begrijpen en schetst in een paar streken de situatie. De graaf van Monte Cristo treedt pas veertien jaar na de aanvang van het verhaal naar buiten, waardoor het meeste zich eigenlijk pas na 1829 afspeelt. Maar je hoort Dumas niet over Louis-Philippe (1830-1848) of de politieke situatie in zijn land.

Alexandre Dumas (1802-1870) is niet geïnteresseerd in de sociale misstanden van zijn tijd zoals zijn leeftijdsgenoten Victor Hugo (1802-1885) en Eugène Sue (1803-1857). Hij houdt er meer van om de extravagante levensstijl van zijn hoofdpersonage, de graaf van Monte Cristo, te beschrijven. Ongetwijfeld een alter ego van zichzelf. De succesvolle Dumas liet voor zichzelf een kasteeltje bouwen, het Château de Monte-Cristo. Zijn fantasie was een beetje werkelijkheid geworden. Uiteindelijk zou hij door zijn roekeloosheid alles weer verliezen.

De graaf van Monte Cristo [ nl.wikipedia.org ]

Urban gothic

aan het lezen in Les Mystères de Paris (1842) van Eugène Sue

Os Misterios de Lisboa (1854) van de Portugese schrijver Camilo Branco (1825-1890) was een van de vele roman-feuilletons halverwege de negentiende eeuw die gebaseerd waren op Les Mystères de Paris van Eugène Sue (1804-1857). In 1842-43 was dit feuilleton een enorm succes. Beïnvloed door de socialistische ideeën van zijn tijd beschreef Sue de dagelijkse ellende van de onderste klasse in Parijs. Twintig jaar later zou Victor Hugo met Les Miserables het feuilleton van Sue in bekendheid nog eens overtreffen.

gravure uit 1851
illustratie Les Mystères de Paris 1851

Les Mystères de Paris vond ook navolging in Engeland. In 1844 schreef George W.M. Reynolds de Mysteries of London. In de jaren veertig van de negentiende eeuw waren London en Parijs de grootste steden ter wereld en boden dus enorm veel stof voor verhalen over de sociale ellende van die tijd. Ook Dostojevski en Multatuli lieten zich inspireren door het sociaal-realisme van Eugène Sue.

Urban Gothic romans uit het City Mysterie genre
 
Les Vrais Mysteres des Paris by Eugene Vidocq
The Mysteries of London by G. W. M. Reynolds
The Mysteries of Lisbon by Camilo Branco
The Slums of St. Petersburg by Vsevolod Krestovsky
The Mysteries of New York by Ned Buntline

Les Mystères de Paris [ gallica.bnf.fr ]

het genot een ‘ik’ te zijn

gelezen: hoofdstuk 8 (Berlijn 1811) uit Arthur Schopenhauer –
de woelige jaren van de filosofie
van Rüdiger Safranski (1988)

Arthur Schopenhauer - 
de woelige jaren van de filosofieIn de zomer van 1811 stapt Arthur Schopenhauer over van de Georg-August-Universität in Göttingen naar de Humboldt Universität in Berlijn. Zijn motivatie is simpel: aan deze in het jaar daarvoor gestichte universiteit doceert de beroemde filosoof Johann Gottlieb Fichte. Voor Safranski weer een goede reden om een ‘filosofisch toneel‘ in zijn biografie in te bouwen.

In een terugblik beschrijft Safranski wat er in de jaren negentig van de achttiende eeuw had plaatsgevonden. Fichte was zo onder indruk van de filosofie van Immanuel Kant gekomen dat hij besloot om de beroemde filosoof in 1791 in Königsberg op te zoeken. Kant heeft het echter zo druk met het ontvangen van bezoek van heinde en verre dat Fichte niet binnenkomt. Om toch de aandacht van Kant te krijgen, schrijft hij een essay om zichzelf bij de meester aan te bevelen: Versuch einer Kritik aller Offenbarung. Het werkt. Kant is zeer onder de indruk en laat het anoniem in Königsberg publiceren. Daarna wordt het in heel Duitsland besproken en als tenslotte uitkomt wie het geschreven heeft, is Johann Gottlieb Fichte de nieuwe rijzende ster aan het firmament van de Duitse filosofie.

Humboldtuniversiteit Berlin
De Humboldt Universität in Berlijn waar Schopenhauer van 1811 tot 1812 studeert.

Vanuit zijn bewondering en kritiek op Kant ontwikkelt Fichte zijn eigen filosofie van het Ich. Safranski vat dat prachtig samen. Zeker niet alles wat Safranski over Fichte schrijft, is makkelijk te begrijpen, maar als je het begrijpt, dan klopt het ook helemaal. Bijvoorbeeld: “Het ‘ik’ is iets dat wij pas in het denken voortbrengen en tegelijkertijd is die voortbrengende kracht de onvoorstelbare ik-heid in onszelf. Het denkende en het gedachte ‘ik’ zijn opgesloten in een vicieuze cirkel van activisme.”

Het ‘ik’ is iets dat wij pas in het denken voortbrengen en tegelijkertijd is die voortbrengende kracht de onvoorstelbare ik-heid in onszelf. Het denkende en het gedachte ‘ik’ zijn opgesloten in een vicieuze cirkel van activisme.

Twee bladzijden verder schrijft Safranski in zijn ‘filosofisch toneel’: “Ik ben het ‘Ding an Sich’ – het zichtbare geheim van de wereld. Dit inzicht was voor Fichte die verblindende ‘bliksem’ die zijn filosoferen bleef verhitten. Die ‘bliksem’ was afkomstig uit de geladen geestelijke sfeer van het verlangen naar emancipatie, een sfeer die tot hier was doorgedrongen vanuit de Franse Revolutie. En de invloed van Fichte vloeide niet voort uit moeilijke deducties die zeer weinig mensen begrepen, maar uit datgene waaruit meteen munt geslagen kon worden voor de wisselkoers van het tot dusver ongekende genot een ‘ik’ te zijn.”

FichteDe kern van de filosofie van Johann Gottlieb Fichte (1762-1814) wordt gevormd door zijn opvatting over de (menselijke) geest, het Ik. Volgens hem is de héle werkelijkheid hieruit te verklaren. Hiermee sluit hij niet aan bij Kant, die een dualisme aannam tussen de werkelijkheid zoals zij zich aan het “ik” voordoet en de onkenbare realiteit zoals zij werkelijk is. Fichte legt duidelijk de nadruk op de geest; zijn filosofie is een vorm van zuiver Idealisme en hijzelf daarmee een van de prominente vertegenwoordigers van het zogenaamde Duits Idealisme. Fichte ziet de individuele menselijke geest als een onderdeel van dat wat alles omvat, Het Absolute; hier in de vorm van het ‘absolute Ik’. Dit ‘absolute Ik’ is over alle bewustzijnen verdeeld. De diepste aard van alles wat bestaat is het goddelijke, absolute Ik. Daarachter kan men niet verder teruggaan, want het Ik “schept” of fundeert zichzelf. Het Ik schept niet alleen zichzelf, maar ook de natuur en de kosmos. Dit laatste noemt Fichte het ‘niet-Ik’, dat echter niet zelfstandig kan bestaan maar alleen in dialectische tegenstelling mét het Ik en in de ervaring als object dóór het Ik. Anders dan het Ik heeft het dus geen absolute maar slechts een relatieve werkelijkheid. Dit wordt door Fichte niet als een hypothese gezien maar als een noodzakelijke waarheid. (Bron: nl.wikipedia.org)