Categorie archief: 17e eeuw

the Leiden collection

vandaag gaat The Leiden Collection online
175 werken uit de verzameling van Thomas en Daphne Kaplan
Leyden Collection
theleidencollection.com
This online catalogue of The Leiden Collection provides the first scholarly overview of the remarkable collection of Dutch paintings and drawings assembled by Thomas Kaplan and his wife, Daphne Recanati Kaplan. Named after Rembrandt’s native city, The Leiden Collection currently numbers more than 250 paintings and drawings, 175 of which are included in the present catalogue.
 
Bron: theleidencollection.com

rehabilitatie

zaterdag gezien in Rijksmuseum Twenthe in Enschedé:
Eindelijk! De Lairesse nog tot januari 2017

Eindelijk! De Lairesse is waarschijnlijk de eerste overzichtstentoonstelling van deze schilder uit het laatste kwart van de zeventiende eeuw. De Lairesse is al zeker tweehonderd jaar door de kunstkritiek in de hoek gedrukt. De Romantiek koos definitief voor het rauwe realisme van Rembrandt en wees de gladde en geïdealiseerde stijl van De Lairesse af. Bovendien omarmde het nationalisme in de negentiende eeuw Rembrandt als de schilder die de vaderlandse identiteit vertegenwoordigt. De Lairesse vond men veel te on-Hollands.

De classicistische perfectie staat bij nogal wat mensen in een kwade reuk, wellicht omdat zij zich daarbij door anderen de maat genomen voelen.

uit de tentoonstellingscatalogus

Aan het einde van Rembrandt‘s leven was dat wel anders. De Lairesse was in 1665 vanuit Luik gevlucht vanwege een verbroken trouwbelofte. Eerst was hij naar Utrecht gegaan, maar al snel vertrok hij definitief naar Amsterdam. In die dagen was dat het centrum van de wereld en werkte als een magneet op schilders. Het talent van de jonge Waal werd al snel onderkend en in 1667 brak hij door met een allegorie op de Vrede van Breda. Vanaf dat moment was hij de meest gevraagde schilder van de stad. Hij vervaardigde vooral historieschilderijen en decoratiestukken. De oude meester aan de Rozengracht was al lang niet meer zo beroemd als in de jaren dertig. De tijd had hem ingehaald en de gelikte Franse stijl was nu in de mode. De ooit zo sober protestantse Amsterdamse burgerij wilde nu haar rijkdommen aan de wereld laten zien en De Lairesse was daar de juiste man voor. Hij was een meester in kleurrijke en weelderige schilderijen.

Gerard de Lairesse
Gaius Cilnius Maecenas komt de kunsten te hulp (1688)

Een schilderij op de tentoonstelling, “Gaius Cilnius Maecenas ondersteunt de kunsten”, is qua thematiek nog altijd actueel. Het is een allegorie waarbij de kunsten wordt voorgesteld als een vrouw die onfortuinlijk op straat terecht gekomen is. In het laatste kwart van de zeventiende eeuw was de handel in de Republiek sterk achteruit gegaan. Daardoor kwamen er voor kunstenaars ook minder opdrachten en kunstenaars verarmden. Mecenaten konden de kunst weer oprichten. De legendarische figuur uit de Oudheid, Gaius Cilnius Maecenas, verzinnebeeldt hier de mecenaten.

(…) perfectie staat bij nogal wat mensen in een kwade reuk, wellicht omdat zij zich daarbij door anderen de maat genomen voelen. Geacheveerdheid in de kunst, zoals we dat zien bij pakweg Andrea del Sarto, Gerard de Lairesse of Canova, pleegt in onze tijd altijd weer hetzelfde verwijt te krijgen: te glad, te academisch, zielloos of zelfs fascistisch. Bob hield vol overtuiging van die perfecte kunst en vond het onbegrijpelijk dat in de gecanoniseerde waardering van de Nederlandse kunst zowel het maniëristisch als het classicistisch idioom met hun fabuleuze techniek en kleurrijk palet, er zo bekaaid vanaf kwam. Hij beschouwde het modieuze gedweep met het naïeve, het spontane, het exotische en het onbegrijpelijke in de kunst als een verwerping van juist die vaardigheid, kennis en ervaring die voor hem het wezen van de humanistische traditie van het Westen uitmaakten.
 
uit een nagedachtenis aan Bob van den Boogert, de initiatiefnemer van deze tentoonstelling, die in 2015 overleden is.

Eindelijk! De Lairesse

Immensi Tremor Oceani

Tweede Kerstdag gezien: Michiel de Ruyter (2015)

Toen ik een jaar of acht was en net begonnen was met postzegels verzamelen, kreeg ik van mijn vader de zeeheldenserie uit 1943/44. Wat was ik trots op die tien postzegels uit de Tweede Wereldoorlog, allemaal ongestempeld met stoere kerels en wapperende manen. Het was mijn eerste kennismaking met Michiel Adriaenszoon de Ruyter en Maarten Harpertszoon Tromp. Later begreep ik dat dit foute postzegels waren. Ze waren uitgegeven tijdens de Duitse bezetting en speelden in op patriottische gevoelens. Nooit zou er na 1944 nog een serie met vaderlandse helden verschijnen.

De Ruyter
postzegel uit de zeeheldenserie (1943/44) en herdenkingspostzegel bij 350e geboortejaar in 1957

Na de oorlog werd het nationalisme in de ban gedaan en verschenen er geen postzegels meer met patriottische thema’s . Michiel Adriaanzoon de Ruyter zou daarna overigens nog tweemaal geëerd worden met een herdenkingspostzegel: in 1957 t.g.v. zijn 350e geboortedag en in 1976 t.g.v. zijn 300e sterfdag.

De Ruyter
herdenkingspostzegel bij 300e sterfdag in 1976

Toen ik twee jaar geleden hoorde over de verfilming van het leven van Michiel de Ruyter was mijn eerste gedachte “zou het een erg foute film zijn?” Ik verwachtte een herhaling van Nova Zembla (2011), een volgende oprisping van VOC-mentaliteit in de vaderlandse bioscopen. Toen ik gisterenavond de film voor het eerst zag, moest ik weer denken aan die postzegels met zeehelden uit 1943/44. En ook aan het gevoel dat ik als jongetje daarbij had. Een gevoel van trots.

Na 1960 hebben we geleerd nationale trots te neutraliseren met schaamte over ons koloniale verleden. Als we trots zijn op Hollands glorie moeten we deze temperen met onze kennis van de zwarte bladzijden uit ons nationale verleden. De koning zei het in zijn kersttoespraak zo: “Wie twijfelt over de toekomst, idealiseert vaak het verleden. We geven ons allemaal wel eens over aan heimwee naar vroeger. Ja, vroeger… We weten dat de werkelijkheid minder rooskleurig was.” Nationalisme idealiseert de Gouden Eeuw van een natie en projecteert deze op de toekomst: Nederland weer van ons. De minder fraaie kanten van het verleden zijn daarbij bewust weggeretoucheerd.

Admiraal de RuyterMichiel de Ruyter idealiseert het verleden niet. Daarvoor is de lynchpartij op de Gebroeders de Witt op 20 augustus 1672 te expliciet in beeld gebracht. De film laat wat dat betreft eerlijk zien dat de schaduwzijde van “ons” Gouden Tijdperk dezelfde barbaarsheid kent als de wreedheden in de Syrische woestijn nu.

De epische muziek hoort helemaal bij een historische film met de nodige dramatiek. Dat laatste wordt net als in een B-film uit Hollywood flink uitvergroot. We zien dappere Hollanders op zee tijdens de gevechten met de Engelsen. Maar ook het gepeupel op straat en zelfs populisten die in 1672 verrassend genoeg prinsgezinden blijken te zijn! Het verhaal van Michiel de Ruyter is voor meerdere partijen confronterend en veel meer dan een trots-op-Nederland-epos. Het wijst ook op het gevaar van populisme dat in het rampjaar 1672 van een heel andere kant bleek te komen dan tegenwoordig. Wat zal onze koning er eigenlijk van gevonden hebben?

zeehelden postzegels [ filavaria.nl ]

pelgrims van de Nieuwe Wereld

zondagavond gezien op BBC 2: The Pilgrims (2015) van Ric Burns

The PilgrimsGisterenavond zond de BBC de documentaire
The Pilgrims van Ric Burns uit. De Brits-Amerikaanse acteur Roger Rees speelt hierin William Bradford (1590-1657), zijn laatste rol vlak voor zijn overlijden in 2015. Voor The New World (2005) had hij zich ook al eens ingeleefd in een Engelse kolonist aan het begin van de zeventiende eeuw. Rees speelt zeer overtuigend de eerste gouverneur van de Plymouth Colony.

De eerste Engelse kolonisten in de Nieuwe Wereld waren geen gelukszoekers zoals de conquistadores in Zuid-Amerika. Zij kwamen niet voor het goud, maar waren Engeland ontvlucht vanwege hun geloof. De pelgrims van de Mayflower waren, zoals we nu zouden zeggen, een groep mensen die waren “weggezet” (vanwege hun geloof). Toen ze begin september 1620 uit de haven van Plymouth koers zetten naar de Nieuwe Wereld en daarmee een zeer onzekere toekomst tegemoet gingen, was dat uit een combinatie van wanhoop en hoop om aan de nog nauwelijks bekende overzijde van de oceaan een nieuw bestaan te kunnen opbouwen. In het doorleefde gelaat van William Bradford (Roger Rees) liggen de wanhoop en hoop door elkaar gevlochten. De Pilgrim Fathers zochten niet het El Dorado, het aardse paradijs, maar het hemelse Jeruzalem. Hun onwankelbare geloof is van mythische proporties. Door alle ontberingen, ziektes en ellende heen vestigden ze hun hoop op God. Dat maakt het verhaal van de Pilgrim Fathers in onze tijd van massamigratie zo indrukwekkend.

The Pilgrims story has come to define the founding moment of America and all it stands for.
The voyage of the Mayflower in 1620 has come to define the founding moment of America, celebrated each year at Thanksgiving. A lavish new drama documentary by Ric Burns, based on governor William Bradford’s extraordinary eye-witness account, the Mayflower Pilgrims reveals the grim truth behind their voyage across the Atlantic.
 
Bron: bbc.co.uk

In The Pilgrims, Ric Burns Looks at Mythmaking [ nytimes.com ]

Theodicee en digitaal leven

maandag was het de 300e sterfdag van Gottfried Wilhelm Leibniz (1646-1716)

In juni schreef ik al iets over het Leibnizjaar. Eergisteren was het precies 300 jaar geleden dat de Duitse filosoof en wiskundige Gottfried Wilhelm Leibniz stierf. In Duitsland verscheen geen postzegel, want Leibniz werd in het verleden al vaker met een postzegel geëerd, zowel in het Duitse Rijk, de Bondsrepubliek, de DDR als in het verenigde Duitsland. De laatste keer dat je Leibniz op een brief kon plakken was in 1996, zijn 350e geboortejaar.

Leibniz
Leibniz herdenkingspostzegel, 1996

Op school leerde ik ruim 35 jaar geleden dat Leibniz de vader was van de Theodicee, de idee dat God de beste van alle mogelijke werelden geschapen had. Maar in de eenentwintigste eeuw is Leibniz voor ons toch vooral de oudste vader van de digitale revolutie. Deze kwam pas 250 jaar na zijn dood op gang. Het binaire stelsel dat Leibniz ontwikkeld heeft, kon pas echt goed toegepast worden in 1946 met de ENIAC (Electronic Numerical Integrator and Computer). Sinds het einde van de jaren zestig kunnen we echt spreken van het informatietijdperk en een digitale revolutie. En zo lijkt voor velen Leibniz’ Theodicee te herleven: het digitale leven als het beste, snelste en comfortabele van alle mogelijke levens.

Leibniz
Leibniz postzegels uit 1966 en 1980

The Philosopher Who Helped Create the Information Age [ slate.com ]

de god van Spinoza

gelezen: Hoofdstuk III Het godsbewijs van de atheïst
in De Verlichting als kraamkamer (2013) door Jabik Veenbaas

De Verlichting als kraamkamerPrecies drie jaar geleden verscheen De Verlichting als kraamkamer van Jabik Veenbaas. Tegenover Wim Brands legde Veenbaas in VPRO Boeken uit welk misverstand er volgens hem over de Verlichting bestaat. Als het om de historische Verlichting gaat, een periode die Veenbaas in het laatste kwart van de zeventiende eeuw laat beginnen, werd de rede niet verheerlijkt maar juist ondergraven door het scepticisme. De grote Schotse filosoof David Hume was zeker niet de eerste die twijfelde aan de almacht van de rede. Had de rationalist Descartes het tijdperk van de moderne filosofie niet ingeleid, door de methodische twijfel als grondslag te kiezen? Maar Descartes vond uiteindelijk nog een veilige haven in het christelijke geloof. Honderd jaar later is er van die veilige haven weinig meer over. Traditioneel wordt de rationalist Spinoza aangewezen als de grote opruimer van het oude geloof. De joodse gemeenschap in Amsterdam had Spinoza in 1656 geëxcommuniceerd. Hij werd letterlijk vervloekt en vervolgens verbannen uit Amsterdam. Dit heeft Spinoza de status bezorgd van “martelaar van het vrije denken”.

Spinoza werd letterlijk vervloekt en vervolgens verbannen uit Amsterdam. Dit heeft hem de status bezorgd van “martelaar van het vrije denken”.

In hoofdstuk III Het godsbewijs van de atheïst van zijn boek, verwondert Veenbaas zich erover dat Spinoza nog altijd te boek staat als een atheïst. Je leest telkens weer een “hoe is het mogelijk?!” tussen de regels door. Spinoza‘s filosofische bouwwerk was namelijk gefundeerd in een godsbewijs! Hoe kan juist een denker die, net als de middeleeuwse filosofen, vertrekt bij een ontologisch godsbewijs, voor een godsloochenaar worden uitgemaakt?! Volgens Veenbaas was Spinoza alles behalve een atheïst, hij was zelfs een zuivere christen, al hield hij er onorthodoxe denkbeelden op na.

Natuurlijk staat of valt de juist beantwoording van de vraag “was Spinoza een atheïst?” met ons begrip of beter gezegd onze kennis van God. Spinoza sprak in zijn Tractatus theologico politicus (1670) en in zijn Ethica (1678) veel over god. Maar hij verstond onder god iets anders dan de orthodoxe joden en christenen van zijn tijd. Voor Spinoza viel god samen met de natuur. Hij was dus een pantheïst. In het pantheïsme is geen plaats voor een persoonlijke God die de wereld geschapen heeft. God valt samen met de wereld. Er is dus geen onderscheid tussen Schepper en Schepping.

Spinoza werd de hele achttiende eeuw als atheïst beschouwd en spinozisme was een synoniem van atheïsme en pantheïsme. In de eenentwintigste eeuw komt de religieuze beleving van de meeste mensen echter heel dicht bij die van Spinoza. Zeker in de populaire New Age, die de geïnstitutionaliseerde religies achter zich heeft gelaten, is god een energie geworden die in de materie werkzaam is. Het is dus niet verwonderlijk dat Spinoza nu zo actueel is. En het is ook niet vreemd waarom we moeilijk kunnen begrijpen waarom Spinoza als atheïst gezien werd/wordt.

Wanneer je in een persoonlijke God gelooft, dan is al datgene wat daartegenin gaat atheïsme. Niet alleen de substantie (=god) van Spinoza, maar ook de goddelijke energie (=god) uit de New Age en ook de abstracte god van het deïsme. Atheïsme hangt dus af van je eigen godsbegrip. Zo hoeft het meest vage ietsisme, waarin god niet meer is dan “een vermoeden”, zichzelf niet als atheïstisch te beschouwen. Een agnosticus zal tenslotte ook niet van zichzelf durven zeggen dat hij atheïst is.

geschiedenis als toneelstuk

Réception de Condé à Versailles (1878) van Jean-Léon Gérôme

De historische schilderkunst uit de tweede helft van de negentiende eeuw loopt vaak vooruit op de spektakelfilm van de twintigste eeuw. Twee jaar geleden liet ik zien hoe D.W. Griffith zich had laten inspireren door The Babylonian Marriage Market van Edwin Long uit 1875. Voor een van de scenes uit Intolerance (1916) nam hij dat letterlijk over. Hij was niet de eerste filmpionier die dit deed. Een paar jaar voor hem had de Italiaanse regisseur Giovanni Pastrone voor Cabiria (1914) al schilderijen als uitgangspunt genomen voor bepaalde scenes. Pastrone en Griffith maakten hun meesterwerken honderd jaar geleden toen de historieschilderkunst uit de negentiende eeuw nog vers in het geheugen lag.

Tegenwoordig hebben we een andere relatie gekregen met het verleden. De reconstructie van het verleden “wie es eigentlich gewesen ist” was in de negentiende eeuw gebruikelijk. Maar sinds Wahrheit und Methode. Grundzüge einer philosophischen Hermeneutik (1960) van Hans-Georg Gadamer weten we definitief dat een objectieve interpretatie van de geschiedenis een illusie is. Het gaat er niet om het verleden te reconstrueren maar om het te verstaan en in dienst te stellen van het heden. En zo zijn we vertrouwd geraakt met interpretaties van Shakespeare en Sophocles waarbij acteurs optreden in eigentijdse kleding.

Toch is negentiende-eeuwse objectiverende benadering van geschiedenis in de historische film nog springlevend. Art directors en set decorators van kostuumdrama kunnen nog altijd zwaar leunen op de schilderkunst, met name die van de negentiende eeuw. De televisieserie Versailles (2015) brengt het hof van zonnekoning Lodewijk XIV weer tot leven. Dat moet in werkelijkheid ook één groot toneelstuk geweest zijn. Versailles werd eerder bevolkt door acteurs dan door gewone mensen.

Jerome
Réception de Condé à Versailles (1878)

Een schilderij uit de historieschilderkunst dat dit fraai laat zien, is Réception de Condé à Versailles van Jean-Léon Gérôme uit 1878. We zien de entree van het paleis tijdens de ontvangst van de Lodewijk II van Bourbon-Condé door Lodewijk XIV. Het is een icoon van het absolutisme waarbij de zonnekoning de centrale plaats inneemt. De edelen zijn satellieten die om hem draaien en zelfs de machtige Grand Condé moet buigen.

Jerome
detail

Gérôme heeft deze historische gebeurtenis uitgebeeld zoals deze bedoeld was: de ontvangst is een vertoning, een toneelstuk, waarin de spelers rond de zonnekoning tegelijkertijd het publiek zijn. Ze staan als wassen beelden uitgestald op de trap om de Grand Condé te imponeren.

Jerome
detail
De ontvangst is een vertoning, een toneelstuk, waarin de spelers rond de zonnekoning tegelijkertijd het publiek zijn.
The year is 1674, and on the great Escalier des Ambassadeurs, in Versailles, Louis XIV is welcoming the Grand Condé, who has just defeated William of Orange in the battle of Seneffe. This event marked the end of almost fifteen years of exile for the Grand Condé, which had been designed by the king to punish “his cousin” for leading the Fronde against the monarchy. Gérôme concentrated all his passion for historical reconstruction into this modest-sized painting, making use of different iconographic sources to lend the scene more credibility such as engravings of the Château de Versailles and portraits of the various persons represented.The composition is made dynamic by the high-angle view and the off-centring of the large compositional X structure. Gérôme employed a delicate palette in which the overall sense of clarity and the cool tones of the marble are invigorated by the colours of the costumes and flags.
 
Bron: musee-orsay.fr