Categorie archief: schilderkunst

Lichtheid

Gekregen van René: Barocke Welt – Barockkunst in Schwaben und Altbayern
Van Peter Sustermeier 1966

Barocke WeltNa de vernietigende Dertigjarige Oorlog (1618-1648) kwam er in het Duitse cultuurgebied (Duitsland werd pas 150 jaar geleden een eenheidsstaat) een periode van rust waarin het land weer helemaal moest worden opgebouwd. Dit duurde 40 jaar tot de Negenjarige Oorlog (1688-1697). Vier jaar later brak alweer een volgende oorlog met Frankrijk uit, de Spaanse Successieoorlog (1701-1713). Deze werd beëindigd met de Vrede van Utrecht (1713) en voor het Duitse cultuurgebied met de Vrede van Rastatt.

Het jaar 1713 markeert een nieuw begin voor Europa en in de Duitstalige landen breekt er een ware bouwwoede los. Bekende barokke bouwwerken in Duitsland uit deze periode zijn het Zwinger in Dresden (1710-1728), Schloss Bruchsal (1720-1736) en de residentie van Würzburg (1720-1744)

De barok gaat in deze periode een transformatie door en wordt in twee opzichten lichter: lichter van kleur en lichter van gewicht. We zijn deze vernieuwde barok later rococo gaan noemen, afgeleid van het woord “rocaille” waarmee de schelpachtige motieven die deze stijl ontwikkeld heeft, worden aangeduid. Barok en rococo lopen rond 1720 in elkaar over. Dit heeft mogelijk te maken met het optimisme na de Vrede van Utrecht en Rastatt. De godsdienstoorlogen zijn voorbij en er breekt eindelijk een periode van stabiliteit aan.

Wieskirche 2016
Wieskirche detail interieur
[foto genomen in juli 2016]

De barok is de visuele uitdrukking van de Contrareformatie. De Rooms-Katholieke Kerk had tijdens het Concilie van Trente (1545-1563) gezocht naar een antwoord op de Reformatie. Met een Contrarefomatie moesten de verloren schapen voor het katholicisme worden teruggewonnen. Men besloot de Rooms-Katholieke Kerk visueel aantrekkelijker te maken.

De kunstenaars werden in feite ingezet als de creatives van de reclamejongens van de Contrareformatie. Zo vonden de kunstenaars de barok uit: Caravaggio (1571-1610) in de schilderkunst, Bernini (1598-1680) in de beeldhouwkunst en Borromini (1599-1667) in de bouwkunst. Het is geen verrassing dat Rome, het centrum van de Rooms-Katholieke Kerk, de wieg van de barok werd.

De kunstenaars werden in feite ingezet als de creatives van de reclamejongens van de Contrareformatie. Zo vonden de kunstenaars de barok uit: Caravaggio in de schilderkunst, Bernini in de beeldhouwkunst en Borromini in de bouwkunst.

Barok wil de gelovigen direct raken. Niet via leerstellingen maar rechtstreeks via de zintuigen. Alle registers worden daarbij opengetrokken om de gelovigen “kippenvel” te bezorgen. Caravaggio schilderde 3D-schilderijen, een soort kijkkasten eigenlijk met daarin heiligen van vlees en bloed. Bernini liet het marmer ademen en soms kreunen. Borromini brak de ruimte open en maakte de antieke Renaissancevormen “vloeibaar”. En dat allemaal met het doel om de beschouwer in het hart te treffen en in extase te brengen, zoals Bernini’s engel de heilige Theresia met een pijl in het hart raakt. De gewijde ruimte van het kerkinterieur wordt nu een “belevingsgebied” gericht op de persoonlijke religieuze ervaring van de beschouwer.

De barok werd dé artistieke uitdrukkingsvorm van de zeventiende eeuw. Zelfs in protestantse gebieden, zoals de Republiek, streek de barok neer. Calvinisten hielden zich met hun afkeer van het uiterlijke, uiteraard verre van de Contrareformatie. Dat de invloed van Caravaggio doordrong tot in het katholieke Utrecht was natuurlijk geen wonder. Maar ook Rembrandt in Amsterdam stond sterk onder zijn invloed en wordt gerekend tot de barok.

Wieskirche 2016
Wieskirche detail interieur
[foto genomen in juli 2016]

In de eerste helft van de achttiende eeuw transformeert de barok dus naar het rococo. Deze uiterlijke verandering komt echter nog steeds voort uit de oorsprong van de barok: de gelovige rechtstreeks raken via de zintuigen en daarbij alle registers open zetten. Vanaf 1720 wordt alles lichter en beweeglijker. Die beweeglijkheid wordt veroorzaakt doordat de symmetrie van barok 1.0 wordt losgelaten. Daardoor gaan ornamenten zich vrijer bewegen.

Uit de cartouches en bladmotieven ontwikkelt zich het rocaille. Een nieuwe ornamentele vormentaal ontstaat, die enigszins doet denken aan een onderwaterwereld. Het rocaille lijkt te leven en zich als anemonen aan pilaren en lijstwerk gehecht te hebben. Door de lichtheid en beweeglijkheid neemt de ervaring van vrijheid toe. Dat moet ook wel, want in de achttiende eeuw krijgt de Rooms-Katholieke Kerk na de Reformatie opnieuw tegenstand te verwerken: de Verlichting.

Wieskirche 2016
Wieskirche detail interieur
[foto genomen in juli 2016]

Hoe geef je de gelovige een gevoel van vrijheid binnen de kerk? Door hem het gevoel te geven dat hij zweeft! Meer nog dan de barok probeert het rococo de beschouwer op te tillen. De pilaren worden ranker en witter en stuwen de blik omhoog. Het plafond wordt opengebroken door een vergezicht op de Hemel, zodat de gelovige letterlijk “uit zijn dak” kan gaan. De Olympus wordt het christendom binnengehaald, maar de Griekse goden op hun berg worden nu vervangen door christelijke heiligen op de wolken.

Volgens G.K. Chesterton (1874-1936) hebben heiligen niet alleen het vermogen tot lijfelijke opheffing (levitation) maar ook het vermogen tot lichtheid (levity). De Kerk weet in haar kunstuitingen volgens hem instinctief dat engelen kunnen vliegen omdat ze niet zwaar aan zichzelf tillen.
“Angels can fly because they can take themselves lightly” – Orthodoxy, 1908)

Ze kijken daarbij niet neer op de stervelingen, maar richten hun blik naar boven. In het midden troont Christus, nu niet als een strenge Byzantijnse Pantokrator met Zijn Wetboek, maar als Triomfator in Zijn opstandingsgewaad. In veel rococo koepelfresco’s houdt Christus met één arm het Kruis vast. Dit om te benadrukken dat er geen Opstanding zonder Kruis is, geen verhoging zonder vernedering.

Met deze eenvoudige boodschap “Neem je Kruis op en volg Mij” (Matteus 6:24, Marcus 8:34, Lukas 9:23), wordt alle dogmatiek “overschreven”. De zwaarte van het eigen zondebesef lijkt als sneeuw voor de zon verdwenen. De gelovige hoeft niet meer in zijn eigen onderwereld te kijken, maar mag zich omhoog richten naar de “Zon der Gerechtigheid” die hem tot Zich roept.

Wieskirche 2016
Wieskirche detail interieur
[foto genomen in juli 2016]

Het is gemakkelijk om te schamperen over dit feel good christendom. Is dit niet gewoon een goedkope kermisattractie in plaats van een kerk? De ervaring die het interieur van een donker romaanse kerk geeft, is toch vele malen dieper en authentieker dan de ervaring van deze rococo kitsch?

Of is het allemaal toch weer een kwestie van smaak?

Als je je onbevangen aan de overdaad van het rococo kunt overgeven, geloof ik dat zelfs de grootste less-is-more-freak verrukt kan zijn over een rococojuweel als (het interieur van) de Wieskirche in Beieren. Hier is de smaak van het oneindige en de authentieke ervaring van lichtheid en speelsheid voor iedereen te vinden.

Wieskirche 2016
Wieskirche detail interieur
[foto genomen in juli 2016]

onthaasten met Sir Walter Scott

aan het lezen in The Bride of Lammermoor (1819) van Walter Scott

bride of Lammermoor 1964The Bride of Lammermoor werd voor het eerst gepubliceerd in 1819. Walter Scott (1771-1832) was toen al een beroemdheid. In de negentiende eeuw werden zijn historische romans overal ter wereld gelezen. Toen ik aan de inleiding van The Bride of Lammermoor begon, werd mij op de eerste bladzijde onmiddellijk duidelijk waarom de schrijver van Ivanhoe tegenwoordig nauwelijks nog gelezen wordt. Scott is namelijk nogal lang van draad. In de negentiende eeuw zat men daar niet mee. Er was geen televisie, laat staan een snelle internetverbinding en er waren, vooral in de winter, eindeloos lange avonden. Overigens wordt alles dat niet in het haastige tempo van de ongeduldige mens gaat vanzelf wel “lang van draad”.

Ik besloot, ook bij wijze van een oefening onthaasting, mij door The Bride of Lammermoor heen te gaan worstelen. Inmiddels ben ik op tweederde. Eenmaal door de eerste veertig bladzijden heen, verging het me zoals met een heel taaie lap vlees. Na kauwen en nog eens kauwen, blijkt het taaiste vlees “vanzelf” doorgeslikt te kunnen worden. Tijdens dat langdurige kauwen komt nog steeds smaak vrij. Het is een hoogdrempelige smaakervaring.

Sir Eddy Landseer landseer
Een van de “huisschilders” van Victoria, Sir Edwin Landseer schilderde een scene uit The Bride of Lammermoor. Een dolle stier valt de Lord Keeper en zijn dochter Lucia aan. Maar vanuit het gebladerte richt een schutter een dodelijk schot en redt daarmee het leven van vader en dochter. De schutter maakt zich bekend als Lord of Ravenswood, de vijand van de Lord Keeper. Door deze gebeurtenis komt het tot een verzoening, maar tegelijkertijd versnelt dit het tragische lot van Lord Ravenswood en zijn bruid Lucia.
Millais
Ook John Everett Millais maakte een schilderij van de Bride of Lammermoor. In 1878 schilderde hij dit portret van Edgar en Lucia, the Lord of Ravenswood en de Bride of Lammermoor.

Koningin Victoria las deze historische roman in 1836, in het jaar voordat ze koningin van Engeland en Schotland werd. Het boek maakte grote indruk op haar als 16-jarige en haar hele leven zou het een van haar favoriete boeken blijven. Mede door The Bride of Lammermoor, kreeg ze een bijzondere band met Schotland. Sir Walter Scott was in 1832 al overleden, toen Victoria 13 was. Als hij langer geleefd zou hebben, dan had Victoria de grootste Schotse schrijver aller tijden vast eens een keer ontmoet.

The Bride of Lammermoor [ en.wikipedia.org ]

6 juni 1931

Bij het 40-jarige huwelijksfeest van mijn overgrootouders

Op zaterdag 6 juni 1931 vierden mijn overgrootouders hun 40-jarige huwelijksfeest in het bijzijn van kinderen en kleinkinderen. Het jongste kleinkind was mijn vader, toen nog een baby van 8 maanden. Over vier weken hoopt hij 90 te worden.

familiefoto
De familie van den Heuvel op 6 juni 1931 met in het midden Hendrik “de Levi” van den Heuvel

Fotografie is magie. Een momentopname van 89 jaar geleden is in feite licht van 89 jaar geleden. Je zou ook kunnen zeggen dat deze foto op 89 lichtjaar afstand van mij staat. Ik zie mijn vader zoals ik hem nog nooit gezien heb. In zijn nest. Met mensen die ik niet of nauwelijks gekend heb. Mijn overgrootvader overleed zeven jaar voordat ik zelf ter wereld kwam. Toen mijn grootvader stierf was ik twaalf.

vader 1931Deze mensen die op een afstand van 89 lichtjaar van mij zitten en staan te kijken, zijn een deel van mijn familie. Ze leefden in een heel andere tijd. Dat is duidelijk te zien aan de patriarch (en mijn naamgenoot) van de familie Van den Heuvel, precies in het midden van het gezelschap. Een statige man die met ten minste één been in de negentiende eeuw was blijven staan. Daar hoorde hij eigenlijk meer thuis dan in de twintigste eeuw.

Toch was in 1931 de moderne tijd al in volle gang. Een maand voor het 40-jarige huwelijksfeest van mijn overgrootouders, werd het hoogste gebouw ter wereld in gebruik genomen, het Empire State Building in New York. Veertig jaar lang zou de 389 meter hoge wolkenkrabber in hoogte onovertroffen blijven. Ook dat was dus 1931.

6 juni 1931 – een zwarte dag voor de romantische schilderkunst
Ik was benieuwd wat 6 juni 1931 voor een dag was. Wat was er in het wereldnieuws te melden? In ieder geval was 6 juni 1931 geen 6 juni 1944. Het leek een dag als alle andere. Toch was er nieuws te melden vanuit München dat mij nog altijd verdrietig stemt: een grote brand verwoestte het Glaspalast. Op dat moment liep daar de tentoonstelling Werke deutscher Romantiker von Caspar David Friedrich bis Moritz von Schwind. Alle 110 schilderijen uit de Romantiek gingen verloren, waaronder negen van Caspar David Friedrich.

„Entsetzlich ist der Verlust berühmter Kunstwerke, insbesondere der in drei Sälen ausgestellten deutschen Romantiker (Werke von Künstlern aus der Zeit von etwa 1820–1860), darunter Caspar David Friedrich, Rottmann, Schwind, Runge, (aus Frankfurt geliehen), Spitzweg usw. Von den etwa 120 Bildern der Romantiker konnte angeblich nichts gerettet werden – ein Verlust in der Höhe von vielen Millionen….“
 
Bron: Grafinger Zeitung, Nr. 125
Glaspalast
Het Glaspalast in München werd op 6 juni 1931 door brand verwoest.

Glazen paleizen eindigden vaak met een brand. De moeder van alle glazen paleizen, The Crystal Palace in Londen, werd in 1936 tenslotte door een brand verwoest. Het Paleis voor Volksvlijt in Amsterdam ging in 1929 al in vlammen op. En twee jaar later, op 6 juni 1931, werd dus ook het Glaspalast in München door een grote brand verwoest.

Friedrich
Negen schilderijen van Caspar David Friedrich gingen bij de brand op 6 juni 1931 verloren

Kunstausstellungen im Münchner Glaspalast (1869-1931)

pronkschilder [ 3 ]

De neo-rococo van Franz Xaver Winterhalter (1805-1873)

Na de Parijse salon van 1837 zou de ster van 32-jarige Franz Xaver Winterhalter snel gaan stijgen. Dat hij zo in de belangstelling van de Europese vorstenhuizen kwam, was te danken aan een aantal factoren. In de eerste plaats kon hij in de jaren veertig koningin Victoria van Engeland en in de jaren vijftig keizerin Eugènie van Frankrijk tot zijn vaste klanten rekenen. Betere referenties waren er voor een hofschilder niet.

Franz Xaver Winterhalter
Keizerin Eugènie en haar hofdames (1855) is een van de bekendste schilderijen van Winterhalter

In de tweede plaats leken zijn portretten altijd goed, geen onbelangrijke kwaliteit voor een portretschilder. In de derde plaats wist hij met name vrouwen, en dat waren toch zijn voornaamste klanten, het gevoel geven te behagen. Want in het midden van de negentiende eeuw was dit, na het zorgen voor een erfopvolger en nakomelingen, nog altijd het eerste wat er van een vrouw aan het hof verwacht werd.

En in de vierde en laatste plaats was Winterhalter erg goed in het schilderen van dure stoffen. Voor de glamourportretten waarin hij zich had gespecialiseerd, was de kleding het visitekaartje van de geportretteerde. Winterhalter had zich in zijn Italiaanse jaren (1833-34) een gedetailleerde stijl eigen gemaakt. Hij schilderde volgens de norm van het Biedermeier: nauwgezet en geïdealiseerd. Het realisme was in de jaren dertig nog niet doorgebroken en de portretschilderkunst was nog doortrokken van de geest van het classicisme.

Franz Xaver Winterhalter
Voor dit portret van Keizerin Eugènie van Frankrijk in een jurk uit de achttiende eeuw viel Winterhalter terug op Francois Boucher, die 100 jaar voor hem de voornaamste schilder aan het Franse hof was

Na 1850 zou Winterhalter zich aanpassen aan de Franse mode en ging hij ook losser schilderen. Omdat hij stoffen ook heel precies kon schilderen, kon hij ze ook overtuigend “samenvatten” in vrije penseelstreken die aan Velasquez herinneren. De suggestie van gedetailleerdheid is zo groot dat zijn losjes geschilderde portretten ook aan het hof gewaardeerd werden.

Franz Xaver Winterhalter
detail van de crinoline van keizerin Eugènie

Tijdens het Tweede Franse Keizerrijk kon Winterhalter teruggrijpen naar het rococo, omdat keizer Napoleon III en keizerin Eugènie een voorliefde hadden voor deze stijl. Deze was na 1789 niet alleen hopeloos ouderwets geworden; men vond het rococo ook verwerpelijk omdat het de stijl was geweest van het ancien régime.

Franz Xaver Winterhalter
Prinses Elizabeth Esperovna Troubetskoi 1859

Zowel tijdens het Eerste als in het Tweede Keizerrijk lieten de Bonapartes de achttiende eeuw aan hun hof herleven. Halverwege de negentiende eeuw was dat een anachronisme geworden. Want de industriële revolutie en spoorwegen hadden de wereld een ander, functioneel aanzien gegeven. Toch liepen de vrouwen in de hogere klasse in een pijnlijk korset en met een onhandige hoepelrok. De emancipatie van de vrouw liet nog decennia op zich wachten en de vrouw was nog altijd het attribuut van de man.

Franz Xaver Winterhalter
detail van de crinoline van Elizabeth Esperovna Troubetskoi (zie boven)
Franz Xaver Winterhalter
Een plooistudie

franzxaverwinterhalter.wordpress.com

pronkschilder [ 2 ]

Franz Xaver Winterhalter (1805-1873)

Franz Xaver Winterhalter, een boerenzoon uit het Zwarte Woud, werd in de jaren veertig van de negentiende eeuw een van de meeste gevraagde portretschilders van Europa en rekende naast koningin Victoria van Engeland en keizerin Eugènie van Frankrijk talrijke vorsten en adellijke personen onder zijn klanten. Als schilder die uitsluitend werkte in opdracht bereikte hij ongeveer het hoogst haalbare.

Zijn leven leest als een succesverhaal. Nadat zijn vader hem eerst naar Freiburg had gestuurd waar hij als lithograaf bij een uitgever werkte, mocht hij in München aan de kunstacademie studeren. Hij kreeg daar o.a. les van hofschilder Joseph Karl Stieler. Deze was op zijn beurt een leerling van Gérard. Deze laatste had hem in Parijs geschoold in de gepolijste stijl van het classicisme, de heersende stijl onder Napoleon. Zo leerde Winterhalter van Stieler zijn portretten uiterst nauwkeurig en glad uit te werken. Dit was de eerste stap naar de roem, want bij de vorstenhoven in Europa kwam je omstreeks 1830 alleen in beeld als je de fotografisch precieze benadering van je onderwerp beheerste.

Sophie van BadenToen Winterhalter zijn studie in München had afgerond, vertrok hij eind jaren twintig naar Karlsruhe waar het hof van groothertog Leopold van Baden gevestigd was. Daar werd hij tekenleraar van groothertogin Sophie én hofschilder. In 1833 ontving hij van de groothertog een stipendium voor een studiereis naar Italië. Deze reis zou van groot belang zijn voor zijn verdere ontwikkeling. In de jaren dertig waren er zoveel schilders uit Noord-Europa in Italië dat zich in Rome hele gemeenschappen hadden gevormd. Winterhalter sloot zich aan bij een Duitse groep schilders. Net als zijn vakgenoten vond hij zijn modellen meestal op straat: vaak Italiaanse kinderen of mooie meisjes die voor bijna niets tot de beschikking van de kunstenaar stonden. Van Winterhalter zijn schetsboeken en olieverfstudies uit zijn tijd in Italië bewaard gebleven en een deel wordt geëxposeerd in Le Petit Salon, het Winterhalter Museum in Menzenschwand.

In Italië maakte Winterhalter genreschilderijen die een grote rol zouden spelen in zijn loopbaan als portretschilder. In december 1834 waagde hij de sprong naar Parijs, destijds het artistieke centrum van Europa. Om daar als schilder carrière te kunnen maken, was deelname aan de Parijse salon een verplicht nummer. Deze kunsttentoonstelling was het jaarlijkse hoogtepunt voor de schilderkunst waarbij de koning hoogstpersoonlijk de onderscheidingen kwam uitdelen. Wanneer je op de salon indruk wilde maken, moest je echt uitpakken. Het historiestuk was een vereiste geworden om mee te dingen daar de koninklijke medaille. dit type schilderij vertelde een verhaal en bundelde alle genres inéén: portret, naakt, stilleven en landschap. Met een historiestuk kon de schilder laten zien hoe goed hij alle genres beheerste en hoe overtuigend hij een verhaal kon vertellen.

Römische genrescene
Römische genrescene 1833
De Italiaanse periode (1833-34) bleek voor Winterhalter een belangrijke stap op weg naar zijn succes in Parijs

De genreschilderijen die Winterhalter tijdens zijn verblijf in Italië (1833-1834) had gemaakt, kwamen voor zijn inzendingen voor de Parijse salon goed van pas, want zo had hij geleerd om groepsportretten te componeren. Bovendien had de kleurigheid van de Italiaanse schilderkunst hem sterk beïnvloed. Voor de salon van 1836 schilderde Winterhalter een historiestuk dat helemaal met Italië verbonden is en wat ook een Italiaanse titel draagt Il dolce far niente. Het was een voor Biedermeierbegrippen groot schilderij met acht volwassen personen en drie kinderen, geplaatst in een zinderend Italiaans landschap.

Il dolce far niente
Il dolce far niente 1836

Winterhalter greep terug naar pastorale scenes van Titiaan. Drie eeuwen eerder schilderde deze Venetiaanse meester al kleurige bacchanalen. Het Italiaanse genrestuk was in de salons altijd het terrein geweest van Louis Léopold Robert. Maar door de zelfmoord van deze schilder in 1835 was deze plaats vacant gekomen. Met zijn dolce far niente solliciteerde Winterhalter als de opvolger van Robert. Hij plaatste zijn werk strategisch in de markt, een kwaliteit die onmisbaar is voor ambitieuze schilders die carrière wilde maken. Op de salon van 1836 maakte zijn schilderij furore maar de echte doorbraak kwam een jaar later.

Decamerone
Decamerone 1837

Op de salon van 1837 maakte Winterhalter grote indruk met opnieuw een Italiaanse genrestuk. Het thema van Decamerone lijkt op dat van Il dolce far niente. Eigenlijk deed hij zijn kunstje nog eens over. Maar nu met een overtuigender compositie en met nog stralender kleuren. Een groep van drie mannen en zeven vrouwen hebben zich in de tuin van een Italiaanse villa neer gevleid en luisteren naar een verhaal dat Boccaccio in zijn Decamerone heeft opgetekend. De lof van de critici was vrijwel unaniem en koning Louis Philippe beloonde het werk met een gouden medaille. Daarmee had Winterhalter zijn naam in Frankrijk gevestigd. Decamerone was zijn eerste grote succes en vanaf dat moment begon zijn ster te stijgen.

franzxaverwinterhalter.wordpress.com

pronkschilder [ 1 ]

Franz Xaver Winterhalter (1805-1873)
op 1 juli bezochten we zijn geboorteplaats Menzenschwand

Weinigen zal de naam Franz Xaver Winterhalter tegenwoordig nog iets zeggen. Toch was hij in hogere kringen een van de meest gevierde schilders van de negentiende eeuw. Hij rekende onder zijn clientèle meer vorstenhoven dan Tizian en Rubens bij elkaar. Zijn goed gelijkende portretten, fabelachtige stofuitdrukking en nauwkeurige uitwerking werden aan het hof zeer hoog gewaardeerd. Toch liep men in de kunstwereld toen al in een wijde boog om Winterhalter heen. Men vond zijn schilderijen maar inhoudsloze plaatjes.

Winterhalter was een pronkschilder par excellence en zijn kunst had slechts één doel: het behagen van zijn opdrachtgever. Daarom deed hij het kunstje van het behaagzieke rococo rond 1850 nog eens over. Met zijn glamourportretten oefende hij ook invloed uit op de mode aan het Franse hof. Keizerin Eugénie van Frankrijk liep er weer bij als Marie-Antoinette en de hofdames moesten vanwege hun wijde hoepelrokken toen al (minstens) anderhalve meter afstand houden.

Voordat ik wat over de portretten van Winterhalter ga schrijven, laat ik eerst een paar foto’s zien van ons bezoek aan het Winterhalter Museum in Menzenschwand. In dit boerengat hoog in het Zwarte Woud voel je de magie van het sprookje van de boerenzoon die toegang kreeg tot vrijwel alle Europese vorstenhoven, misschien wel het sterkst.

Winterhalter in menzenschwand
Menzenschwand in het Zwarte Woud
Winterhalter in menzenschwand
Het geboortehuis van Franz Xaver (1805) en Hermann (1808) Winterhalter in Menzenschwand
Winterhalter in menzenschwand
De sfeer van de Biedermeier is in het Winterhalter Museum in Menzenschwand expliciet aanwezig. Ook de toilet is geheel in stijl en er hangt zelfs werk van Winterhalter. (schuin boven de pot)
Winterhalter in menzenschwand
Originele schilderijen van Franz Xaver Winterhalter bevinden zich voornamelijk in de koninklijke collecties in Europa. De meeste portretten zijn te bewonderen als lithografie want zijn werk werd halverwege de negentiende eeuw veel gereproduceerd.
Winterhalter in menzenschwand
Een van de weinige schilderijen in het Winterhalter Museum, een ingetogen meisjesportret uit de Biedermeierzeit dat het museum enkele jaren geleden op een veiling wist te bemachtigen
Winterhalter in menzenschwand
Michaela sloot haar bezoek af met een Winterhalter Torte, met een chocolade medaillon van de gebroeders en een passend Sisi-servet

Winterhalter Museum [ winterhalter-menzenschwand.de ]

mooie plaatjes voor aan de muur

Vijf arcadische landschappen (ca. 1780-1790) van Jurriaen Andriessen

In de de geschiedenis van de Nederlandse schilderkunst gaapte er in de twintigste eeuw een gat van bijna tweehonderd jaar. Tussen 1675 (het sterfjaar van Vermeer) en 1870 (het jaar dat de schilders van de Haagse School doorbraken) zijn er maar weinig Nederlandse schilders die in de belangstelling staan. In deze eeuw is dit gelukkig aan het veranderen.

Zo waren er in het afgelopen decennium tentoonstellingen te zien over de Nederlandse romantiek (Een romantische kijk – De collectie Jef Rademakers in het Gemeentemuseum Den Haag, 2011), de achttiende eeuw (Uit de plooi – de achttiende eeuw in beweging in het Valkhof Museum Nijmegen, 2013), de gebroeders Kruseman (Kruseman. Kunstbroeders uit de romantiek in Museum Jan Cunen in Oss, 2015), Godfried Schalken (Schalcken – Kunstenaar van het verleiden in het Dordrechts Museum, 2016) en Gerard de Lairesse (Eindelijk! De Lairrese in Rijksmuseum Twenthe, Enschede, 2016).

Een van de verklaringen voor dit hiaat in de Nederlandse schilderkunst tussen het einde van de zeventiende en het einde van de negentiende eeuw, ligt in de typische Nederlandse voorkeur voor het realisme. In de Hollandse schilderkunst van de zeventiende eeuw waarderen we vooral het realisme. En de schilders van de Haagse School waren de erfgenamen van dit realisme. Alles wat neigt naar idealisering en romantisering van de werkelijkheid, heeft in Nederland nooit zo goed gelegen. Het classicisme dat na 1675 in de mode kwam, was voor de Nederland te gepolijst en te Frans. Kortom on-Nederlands.

Toch is deze verklaring ook niet helemaal bevredigend. De geïdealiseerde wintertaferelen van Andreas Schelfhout met koek-en-zopie zijn door en door Hollands. En de landschappen van Albert Cuyp uit de Hollandse 17e eeuw zijn door en door Italiaans. En bovendien sterk geïdealiseerd.Het geïdealiseerde landschap staat haaks op het realistische Hollandse landschap, dat sinds het Ponteveer (1622) van Esaias van de Velde een uniek fenomeen is in de schilderkunst. En juist dat realisme heeft in Nederland altijd de voorkeur gehad. Daarom waren de plein air schilders van de School van Barbizon ook een voorbeeld voor Vincent van Gogh . Niet die van de romantische school, zoals Andreas Schelfhout. Die maakte mooie plaatjes en liet niet zien hoe de werkelijkheid er eigenlijk uitziet.

Mooie plaatjes maken kon men in de achttiende eeuw goed. Dat er zo veel vraag naar mooie plaatjes was, heeft alles te maken met de rijke opdrachtgevers die hun paleizen en fraaie woonhuizen decoreerden met arcadische landschappen. Landschapsschilderijen evolueerden in het galante tijdperk tot zogenaamde behangsels. Eigenlijk degradeerde de landschapsschilderkunst tot behang en de landschapsschilder werd decoratieschilder. Geen kunst met een grote K meer dus.

Andriessen behangsels
de opstelling in het Rijksmuseum Twenthe

In 2017 kocht de Vereniging Rembrandt vijf arcadische landschappen aan van Jurriaen Andriessen (1742-1819). Deze bevinden zich nu in het Rijksmuseum Twenthe waar ze zijn ondergebracht in een kabinet. Het is jammer dat de opstelling niet optimaal is. In de kleine ruimte staan een paar vitrines die het vrije zicht op de behangsels belemmeren.

Andriessen behangsels
Twee arcadische landschappen

Liever had ik gezien dat het museum de ruimte zo had ingericht, dat je je in een herenhuis uit de achttiende eeuw waant met vrij zicht op het werk van Andriessen. De beroemde cyclus The Progress of Love van Fragonard in The Fragonard Room in de Frick Collection in New York hebben wel de opstelling gekregen die ze verdienen. Waarom niet die van Jurriaen Andriessen, die wat mij betreft een hoogtepunt vormen van de behangsels in de Nederlandse schilderkunst van de achttiende eeuw.

Andriessen behangsels
Twee arcadische landschappen

Er zijn slechts enkele interieurs met ensembles van Jurriaen Andriessen overgebleven. In Museum Van Loon worden doeken tentoongesteld die oorspronkelijk uit Kasteel Drakensteyn komen. In de tuinkamer van Het Grachtenhuis is een ensemble te zien dat Andriessen in 1776 vervaardigde in opdracht van Gillis Alewijn.

Vijf arcadische landschappen [ verenigingrembrandt.nl ]