Categorie archief: taal en poëzie

De poëzie van Groningen

gisteren een stadswandeling door Groningen gemaakt

stadswandelingDe historische binnenstad van Groningen is bekend om haar hofjes. Het zijn de spreekwoordelijke oases van groen in de jungle van blik en asfalt. Het meest opvallend troffen we dat aan in het St.Geertruids- of Pepergasthuis. Het werkt als een soort tijdmachine: ben je eenmaal onder het poortje door dan beland je in het verleden. Kleine huisjes rond een plantsoen met Buxushagen. Alles is van steen en hout. Blik en plastic tref je hier niet aan. Schreeuwerige kleuren ook niet. De beslotenheid geeft aangename bescherming. Even weg uit het jachtige stadsleven. “Je verlaat het hofje aan de achterzijde via het trapje naar beneden.” We doen braaf wat de gids schrijft en worden als we de deur onderaan de trap opendoen weer uitgespuwd op straat in de 21e eeuw terwijl de auto’s in twee richtingen voorbijvliegen. Zou het contrast vroeger ook zo groot geweest zijn?

in het hofje van het St.Geertruids- of Pepergasthuis

Groningen kent behalve de hofjes meer plekken waar het lijkt alsof de tijd hier stil heeft gestaan: aan de Noord-Oostzijde van de Martinikerk en aan de Westzijde van de Der Aa-kerk sta je plotseling in een dorpse omgeving. Stad en dorp komen er even bij elkaar.

stadswandeling Groningen
de stadswandeling door de compacte binnenstad van Groningen die wij zondag maakten.

Modernisme en postmodernisme is er in de Groningse binnenstad ook te vinden. Het beroemdste postmoderne gebouw is natuurlijk het Groninger Museum in het verbindingskanaal tegenover het station. In 1994 zette dit opvallende gebouw Groningen internationaal op de kaart. Het Groninger Museum is een postmodern statement, een opzettelijke schreeuw. Er zijn ook postmoderne gebouwen in Groningen te vinden die zich hebben aangepast aan de historische omgeving, zoals het Waagstraatcomplex rondom de Waag. Ik vind dit zeer geslaagde postmoderne architectuur omdat deze vloeiend overgaat in de historische omgeving zonder zelf historiserend te worden.

Waagstraat Groningen
Het Waagstraatcomplex is een goed voorbeeld van postmoderne architectuur die vloeiend overgaat in de historische omgeving zonder zelf historiserend te worden.

De Groningse dichter Jean Pierre Rawie schreef in 1994 ter gelegenheid van de nieuwbouw in de Waagstraat een mooi gedicht dat nu op een gevelsteen voor het winkelende publiek te lezen is.

De eeuwig wisselende hemel welfde
zich eeuwenlang boven dezelfde grond
waar altijd anders en altijd hetzelfde
de stad zichzelf herkende en hervond;
 
van wat hier door de jaren is verrezen
is veel weer door de jaren neergehaald,
maar altijd werd door deze plek het wezen
van Gronings stad en ommeland bepaald,
 
dat, steeds als men het nieuwe met het oude
opnieuw behoedzaam in de waagschaal legt,
voor volgende geslachten blijft behouden,
wanneer ook deze muren zijn geslecht.
Rawie Waagstraat
gedicht van Jean Pierre Rawie op de gevel

waar is Weyerman gebleven?

De leeslijst 222 werken uit de Nederlandse literatuur
onder redactie van Nina Geerdink, Jos Joosten, Johan Oosterman

leeslijstEen week geleden schreef ik over het Boegenweekgeschenk Gute Nacht Freunde – Duitsland in 25 boeken. Het boekwerkje presenteert de persoonlijke keuze van Christoph Buchwald van Uitgeverij Cossee. Het belangrijkste criterium van Buchwald is het leesplezier. Zo heeft ook de redactie van De Leeslijst – 222 werken uit de Nederlandse literatuur gedacht bij het samenstellen van hun selectie. Geen canon, maar een wegwijzer door de Nederlandse en Vlaamse letterkunde van alle eeuwen waarbij het leesplezier voorop staat.

Net als bij Gute Nacht Freunde kwam bij mij de boekenlijst van de middelbare school weer in de herinnering, van Carel ende Elegast tot Jan Wolkers. Je wilde eigenlijk alleen boeken van na 1960 lezen, maar was verplicht ook boeken uit het verleden te lezen, bijvoorbeeld de achttiende eeuw. Een goede docent Nederlands kan het sentimentalisme van Rhijnvis Feith of de brievenromans van de dames Wolff en Deken sexy maken. Maar er zullen weinig docenten Nederlands zijn, zeker onder de huidige generatie, die affiniteit hebben met de literatuur van de achttiende eeuw en in staat zijn het stof af te blazen van “oude” literatuur. De redactie van De leeslijst heeft gelukkig nog altijd 23 titels geselecteerd uit de “vergeten” achttiende eeuw.

De leeslijst werd onlangs besproken op de website van De Stichting Jacob Campo Weyerman. Omdat de redactieleden Nina Geerdink, Jos Joosten en Johan Oosterman verbonden zijn aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, wordt het een boek “van Nijmeegse makelij” genoemd. De Nijmeegse universiteit was ooit één van de twee of drie universiteiten in de wereld waar je je kon specialiseren in de Nederlandse letterkunde van de achttiende eeuw. Dat was vooral te danken aan de Nijmeegse hoogleraar P.J. Buijnsters. Als hij in de redactie had gezeten, was de achttiende eeuw nog presenter geweest in De leeslijst. En waarschijnlijk had hij ook heel andere keuzes gemaakt. De redactie heeft deels de officiële canon van de achttiende eeuw gevolgd (Poot, Van Effen, Van Alphen, Wolff en Deken, Feith, Bellamy), maar heeft ook minder bekende schrijvers geselecteerd. (Arzases, Huydecoper, Rotgans, Schasz). Dat men Jacob Campo Weyerman heeft overgeslagen, zal niet alleen de Jacob Campo Weyerman Stichting een doorn in het oog zijn.

Weyerman
Jacob Campo Weyerman (1677-1747)
gravure van Jacob Houbraken
Volgens de Nijmeegse hoogleraar Jos Joosten, een van de samenstellers, is het kinderachtig om op het ontbreken van bepaalde auteurs en werken (of op de misplaatste aanwezigheid van anderen) te wijzen, maar dan miskent hij toch de pretenties die De Leeslijst ondanks alle kokette ontkenningen heeft. Dan miskent hij ook de rol van de kritische lezer die zich altijd een oordeel aanmatigt. Margareta van der Werken, Jan Pieter van Male, Jan de Marre, Elisabeth Hoofman wél opnemen en Henrik Smeeks, Jacob Campo Weyerman, Jacob Haafner, Pieter van Woensel niet, dat is het gevolg van wat een moderne voetbaltrainer ‘verkeerde keuzes’ zou noemen.
 
Bron: weyerman.nl

De Leeslijst – 222 werken uit de Nederlandse literatuur [ vantilt.nl ]

onder schrijvers & intellectuelen

zondagmorgen gezien: Boeken: Wim Brands in gesprek met Hans Maarten van den Brink

Wim Brands is een van de beste interviewers van Nederland. Uit de onderstaande transcriptie van zijn gesprek met Hans Maarten van den Brink over zijn nieuwste roman Dijk, blijkt zijn onmiddellijke betrokkenheid. Brands merkt op dat Van den Brink zich zo overtuigend in zijn personages heeft ingeleefd, twee ambtenaren van het Nederlandse ijkwezen en vraagt naar zijn geheim.

HMB: Het is misschien een zeker gebrek aan identiteit.
Maar ik vind identiteit niet zo belangrijk.
Ik vind het mooi om meer mensen te zijn.
WB: Een mooi slot gaat dit worden.
Een gebrek aan identiteit. Denk je dat je dat echt hebt?
HMB: Ja, wie je bent is een constructie, die ook steeds verandert.
En daar is geen absolute maat voor.
En ik ben daar ook wel steeds mee bezig.
En ook in het schrijven mee bezig.
Een vaststaande identiteit lijkt me echt iets verschrikkelijk.
WB: Maar ga je er ook wel eens onder gebukt?
HMB: Onder wat?
WB: Dat je denkt. Waar is mijn identiteit nu? Snap je wat ik bedoel?
HMB: Ja, ik snap wat je bedoelt, maar dat is een soort heimwee om ooit definitief thuis te komen, wat iedereen wel heeft.
Maar je moet beseffen dat het niet kan. Ja mag het wel koesteren.
WB: Daar heb je ook geen last van?
HMB: Van heimwee? Jawel.
WB: Nee, van het idee: Kwam ik nu maar eens thuis.
Net als die mannen. Acht uur ’s morgens ernaartoe, vijf uur weer …
HMB: O nee, zo letterlijk bedoel ik het niet.
Ook in de politiek wordt het nationale karakter, die identiteit, erg belangrijk.
Veel meer dan in het verleden, toen het om andere thema’s ging.
Dat vind ik eng. Je moet erkennen dat identiteit fictie is.
In die zin is er een overeenkomst tussen leven en de literatuur.
WB: Nu is de grappige paradox, misschien niet eens een paradox
Dat je intussen een paar mannen portretteert en schetst.
Die zouden hier zo binnen kunnen komen zonder hun ijkspullen.
Snap je wat ik bedoel?
HMB: Ja.
WB: Dat gaat je dus heel goed af.
HMB: Dank je.
WB: Maar dat is geen antwoord he. Hoe slaag je daar zo goed in?
HMB: Ja, door daar niet te veel een stempel op te zetten van wat ik zelf vind of wat ik zelf doe. Maar door te bedenken: Hoe zou het voor hen zijn? En dat kan ik me, denk ik, heel goed voorstellen. Ik kan me heel goed voorstellen dat ik zo iemand ben.
WB: Ja?
HMB: Ja
WB: Meen je dat oprecht?
HMB: Dat meen ik oprecht.
VPRO Boeken
website van VPRO Boeken
Wie je bent is een constructie, die ook steeds verandert. En daar is geen absolute maat voor.

Hans Maarten van den Brink

Je kunt merken dat Wim Brands een dichter is en geen filosoof, dat hij meer aangetrokken en geleid wordt door mysteries en paradoxen dan door intellectuele analyses. Vanuit deze houding ondervraagt hij de gemeenplaatsen in de wereld van schrijvers en intellectuelen. In het gesprek met Hans Maarten van den Brink komt Brands op het puntje van zijn stoel te zitten als zijn gast begint over zijn “zekere gebrek aan identiteit”.

Onder schrijvers en intellectuelen bestaat er een soort stilzwijgende afspraak dat identiteit per definitie een constructie is en dat geen vaste (lees: ware) identiteit bestaat. Overigens geldt dit niet alleen voor het begrip “identiteit”. Ook waarheid, God en ziel lijken door intellectuele beschouwing uitgerookt uit de menselijke geest. Het zouden constructies zijn. Gevaarlijke constructies zelfs, zeker als ze gepolitiseerd worden.

Van den Brink zegt: “Ook in de politiek wordt het nationale karakter, die identiteit, erg belangrijk. Dat vind ik eng. Je moet erkennen dat identiteit fictie is.”

Daar heeft hij natuurlijk voor een deel gelijk in. Maar als je van identiteit een soort no go area maakt, die je alleen mag betreden met de overtuiging dat identiteit per definitie fictie is, dan sta je niet meer open voor het geheim van de identiteit. Gelukkig weet Wim Brands uit te nodigen tot dichterlijke onbevangenheid en bevraagt hij intellectuele dogma’s zoals “identiteit is een constructie”.

Op een koude ochtend in 1961 beginnen twee jongens hun werkzame leven in een kantoor aan een slordige gracht in Amsterdam. Meer dan veertig jaar later moet een van beiden afscheid nemen. Terwijl alles om hem heen veranderd is, lijkt Karl Dijk al die tijd dezelfde te zijn gebleven. Maar juist dat maakt hem voor zijn collega zo raadselachtig. Wat verklaart bijvoorbeeld dat Dijk op zijn eigen afscheidsreceptie niet verschijnt? Is meegaandheid tegenover je superieuren en je collega’s beter dan het vasthouden aan principes? En wat blijft er van een leven lang toegewijde arbeid uiteindelijk over?
 
Dijk is een lyrische evocatie van de verloren kleine middenstand. Een verhaal over ambtenarij, kaasgeur en zeelucht. De macht van de markt en de trilling van atomen. Over de standaardkilo van platina en iridium die voor de eeuwigheid bewaard wordt in een kluis nabij Parijs. En over herinneringen die net zo vaak van vorm veranderen als de wolken boven een Noord-Hollandse polder.
 
Bron: atlascontact.nl

Boeken [ vpro.nl ]

nachtgedachten

The Complaint or Night Thoughts (1743) van Edward Young

Nog twaalf keer scheuren en Filosofie Scheurkalender is afgescheurd. Maar er ligt alweer een nieuwe klaar. Vandaag een citaat van de Engelse dichter en dominee Edward Young (1683-1765). De Deense filosoof Kierkegaard gebruikte het honderd jaar later als motto voor zijn filosofisch debuut Enten/Eller (1843): Are passions, then, the Pagans of the soul? / Reason alone baptized? alone ordain’d / To touch things sacred?.

Are passions, then, the Pagans of the soul? / Reason alone baptized? alone ordain’d /
To touch things sacred?

Edward Young, The Christian Triumph

Het citaat komt uit The Christian Triumph, het vierde deel van het lange gedicht The Complaint or Night Thoughts dat uit negen delen bestaat en in 1743 voor het eerst gepubliceerd werd. Het gedicht werd in heel Europa beroemd en had vooral veel invloed op de romantici, die zich afkeerden van het koele verstand en zich overgaven aan de stroomversnellingen van het gevoel. In 1797 verscheen een uitgave die geïllustreerd was door William Blake.

The Complaint
eerste uitgave van The Complaint
or Night Thoughts
(1743)

The Complaint or Night Thoughts
 
1. Life, Death, and Immortality (opgedragen aan Arthur Onslow);
2. Time, Death, Friendship (opgedragen aan Spencer Compton);
3. Narcissa (dedicated to Margaret Bentinck);
4. The Christian Triumph (opgedragen aan Philip Yorke)
5. The Relapse (opgedragen aan George Lee)
6. Glories and Riches (eerste deel van The Infidel Reclaim’d)
7. The Nature, Proof, and Importance of Immortality (tweede deel)
8. Virtue’s Apology of The Man of the World Answered
9. The Consolation (opgedragen aan Thomas Pelham-Holles)

Blake
illustratie van William Blake (1797) bij “Night the First” [ credits: blakearchive.org ]
During the century after its publication in 1742, Night Thoughts was one of the most popular, widely read and influential poems in the English language. However, there have been no editions of the poem since the middle of the nineteenth century. This edition contains a critical introduction setting the poem in the context of the eighteenth-century sublime. There is a commentary which explains historical and linguistic obscurities, and a history of the poem’s publication. The text is based on the first editions of the separate ‘Nights’, and the old spelling has been retained. The editions are collated here, and all substantive variants recorded. Dr Cornford’s critical introduction discusses the conception of the poet’s role; Young‘s attitude to the ‘imagination’ in the context of contemporary epistemology; eighteenth-century attitudes to death and immortality as expressed in sermons and devotional literature; and the critical reception of the poem in Britain and Europe. This discussion seeks to explain why a poem of Christian consolation, orthodox and ancient in its theology, became a seminal work in a secular cult of sepulchral melancholoy.
 
Bron: cambridge.org

Goethe & Co [ 5 ]

Goethe en zijn tijdgenoten: Christian Fürchtegott Gellert (1715-1769)

In zijn autobiografie Dichtung und Wahrheit schrijft Goethe in de eerste twee delen (Boek I-X) over zijn jonge jaren in Frankfurt, Leipzig en Straatsburg, de jaren zestig van de achttiende eeuw. Daarin passeren een aantal beroemde tijdgenoten de revue. In Goethe. Kunstwerk van het leven weeft Rüdiger Safranski door zijn biografie verschillende minibiografieën van tijdgenoten die invloed hadden op Goethe, zoals Christian Fürchtegott Gellert

Gellert werd geboren in een predikantenfamilie. Het gezin had het niet breed, maar toch kon hij in 1734 theologie gaan studeren aan de Universiteit van Leipzig. Vanaf 1745 zou hij daar ook zelf colleges geven in poëzie, ethiek en retorica, vanaf 1751 was hij er hoogleraar.Gellert genoot in zijn tijd grote populariteit door zijn didactisch-satirische Fabeln und Erzählungen (1746-1748), onder invloed van Jean de la Fontaine. Ook schreef hij een aantal sentimentele komedies. Zijn Leben der schwedischen Gräfin von G. (1746), geïnspireerd door Samuel Richardsons Pamela, geldt wel als de eerste sentimentele roman in Duitsland. Zelf achtte Gellert zijn Geistliche Oden und Lieder (1758) als zijn beste werk. Enkele van zijn hymnes werden door Ludwig van Beethoven op muziek gezet.
 
Bron: nl.wikipedia.org
Christian Fürchtegott Gellert
Christian Fürchtegott Gellert (1715-1769)
Nicht groß von Gestalt, zierlich, aber nicht hager, sanfte, eher traurige Augen, eine sehr schöne Stirn, eine nicht übertriebene Habichtsnase, ein feiner Mund, ein gefälliges Oval des Gesichts.

Goethe over Gellert

Die Verehrung und Liebe, welche Gellert von allen jungen Leuten genoß, war außerordentlich. Ich hatte ihn schon besucht und war freundlich von ihm aufgenommen worden. Nicht groß von Gestalt, zierlich, aber nicht hager, sanfte, eher traurige Augen, eine sehr schöne Stirn, eine nicht übertriebene Habichtsnase, ein feiner Mund, ein gefälliges Oval des Gesichts: alles machte seine Gegenwart angenehm und wünschenswert. Es kostete einige Mühe, zu ihm zu gelangen. Seine zwei Famuli schienen Priester, die ein Heiligtum bewahren, wozu nicht jedem, noch zu jeder Zeit, der Zutritt erlaubt ist; und eine solche Vorsicht war wohl notwendig: denn er würde seinen ganzen Tag aufgeopfert haben, wenn er alle die Menschen, die sich ihm vertraulich zu nähern gedachten, hätte aufnehmen und befriedigen wollen.
 
Bron: gutenberg.spiegel.de

Christian Fürchtegott Gellert [ de.wikipedia.org ] | Gellert Museum [ gellert-museum.de ]

Goethe & Co [ 4 ]

Goethe en zijn tijdgenoten: Johann Christoph Gottsched (1700-1766)

In zijn autobiografie Dichtung und Wahrheit schrijft Goethe in de eerste twee delen (Boek I-X) over zijn jonge jaren in Frankfurt, Leipzig en Straatsburg, de jaren zestig van de achttiende eeuw. Daarin passeren een aantal beroemde tijdgenoten de revue. In Goethe. Kunstwerk van het leven weeft Rüdiger Safranski door zijn biografie verschillende minibiografieën van tijdgenoten die invloed hadden op Goethe, zoals Johann Christoph Gottsched

Toen Goethe in Leipzig studeerde (1765-1768) was de roem van Johann Christoph Gottsched aan het tanen. Kort voor zijn dood in 1766 zou de 16-jarige Goethe hem bezoeken. In het zevende boek van Dichtung und Wahrheit doet Goethe verslag van dit bezoek:

Johann Christoph Gottsched
Johann Christoph Gottsched (1700-1766)
Unsern Besuch bei Gottsched darf ich nicht übergehen, indem die Sinnes- und Sittenweise dieses Mannes daraus hervortritt. Er wohnte sehr anständig in dem ersten Stock des goldenen Bären, wo ihm der ältere Breitkopf, wegen des großen Vorteils, den die Gottschedischen Schriften, Übersetzungen und sonstigen Assistenzen der Handlung gebracht, eine lebenslängliche Wohnung zugesagt hatte.
 
Wir ließen uns melden. Der Bediente führte uns in ein großes Zimmer, indem er sagte, der Herr werde gleich kommen. Ob wir nun eine Gebärde, die er machte, nicht recht verstanden, wüßte ich nicht zu sagen; genug, wir glaubten, er habe uns in das anstoßende Zimmer gewiesen. Wir traten hinein zu einer sonderbaren Szene: denn in dem Augenblick trat Gottsched, der große, breite, riesenhafte Mann, in einem gründamastnen, mit rotem Taft gefütterten Schlafrock zur entgegengesetzten Türe herein; aber sein ungeheures Haupt war kahl und ohne Bedeckung. Dafür sollte jedoch sogleich gesorgt sein: denn der Bediente sprang mit einer großen Allongeperücke auf der Hand (die Locken fielen bis an den Ellenbogen) zu einer Seitentüre herein und reichte den Hauptschmuck seinem Herrn mit erschrockner Gebärde. Gottsched, ohne den mindesten Verdruß zu äußern, hob mit der linken Hand die Perücke von dem Arme des Dieners, und indem er sie sehr geschickt auf den Kopf schwang, gab er mit seiner rechten Tatze dem armen Menschen eine Ohrfeige, so daß dieser, wie es im Lustspiel zu geschehen pflegt, sich zur Türe hinaus wirbelte, worauf der ansehnliche Altvater uns ganz gravitätisch zu sitzen nötigte und einen ziemlich langen Diskurs mit gutem Anstand durchführte.
 
Bron: gutenberg.spiegel.de

Johann Christoph Gottsched [ de.wikipedia.org ]

Goethe & Co [ 3 ]

Goethe en zijn tijdgenoten: Gotthold Ephraim Lessing (1729-1781)

In zijn autobiografie Dichtung und Wahrheit schrijft Goethe in de eerste twee delen (Boek I-X) over zijn jonge jaren in Frankfurt, Leipzig en Straatsburg, de jaren zestig van de achttiende eeuw. Daarin passeren een aantal beroemde tijdgenoten de revue. In Goethe. Kunstwerk van het leven weeft Rüdiger Safranski door zijn biografie verschillende minibiografieën van tijdgenoten die invloed hadden op Goethe, zoals Gotthold Ephraim Lessing

Net als Johann Joachim Winckelmann was Gotthold Ephraim Lessing een beroemde tijdgenoot die de jonge Goethe in zijn Leipziger jaren (1765-1768) had kunnen ontmoeten. In 1767 was er in Leipzig een opvoering van Minna von Barnhelm (1767) waarbij Lessing zelf aanwezig was.

Gotthold Ephraim Lessing
Gotthold Ephraim Lessing (1729-1781)

Als hij echt gewild had, had de twintig jaar jongere Goethe hem kunnen ontmoeten. Maar Goethe schrijft in Dichtung und Wahrheit:

Lessing traf zu einer Zeit ein, wo wir ich weiß nicht was im Kopf hatten: es beliebte uns, ihm nirgends zu Gefallen zu gehen, ja die Orte, wo er hinkam, zu vermeiden, wahrscheinlich weil wir uns zu gut dünkten, von Ferne zu stehen, und keinen Anspruch machen konnten, in ein näheres Verhältnis mit ihm zu gelangen. Diese augenblickliche Albernheit, die aber bei einer anmaßlichen und grillenhaften Jugend nichts Seltenes ist, bestrafte sich freilich in der Folge, indem ich diesen so vorzüglichen und von mir aufs höchste geschätzten Mann niemals mit Augen gesehen.
 
Bron: Dichtung und Wahrheit, Buch VIII (1812)

Goethe zou Lessing nooit ontmoeten. Lessing stierf in 1781, slechts 52 jaar oud.

Gotthold Ephraim Lessing [ de.wikipedia.org ]