Maandelijks archief: juni 2006

Psalters [ 2 ]

Iers: Cathach, het Psalter van St. Columba, c. 560-630
Written in Latin. The Cathach is the oldest extant Irish manuscript of the Psalter and the earliest example of Irish writing. It contains a Vulgate version of Psalms XXX (10) to CV (13) with an interpretative rubric or heading before each psalm. It is traditionally ascribed to St. Columba as the copy, made at night in haste by a miraculous light, of a Psalter lent to Columba by St. Finnian. A dispute arose about the ownership of the copy and King Diarmait Mac Cerbhaill gave the judgement “To every cow belongs her calf, therefore to every book belongs its copy”. The arbitration failed and the Psalter of St. Columba passed into the hands of the O’Donnells after the battle of Cul Dremhne in A.D. 561. St. Columba went to Iona in A.D. 563. It is possible to date the manuscript to the late 6th or early 7th century from the script, but modern historical scholarship has cast doubts on the authorship by St. Columba as well as on the dating.
 
Bron: ria.ie.
cathach
detail uit het handschrift

Cathach, the Psalter of St. Columba | meer Psalters

Petrus en Paulus

Vandaag wordt het Feest van Petrus en Paulus gevierd
Troparion – Tone 4
 
First-enthroned of the apostles,
teachers of the universe:
Entreat the Master of all
to grant peace to the world
and to our souls great mercy!
Petrus en Paulus
Kontakion – Tone 2
 
O Lord, You have taken up to eternal rest
and to the enjoyment of Your blessings
the two divinely-inspired preachers, the leaders of the Apostles,
for You have accepted their labors and deaths as a sweet-smelling sacrifice,
for You alone know what lies in the hearts of men.
 
Kontakion – Tone 2
 
Today Christ the Rock glorifies with highest honor
The rock of Faith and leader of the Apostles,
Together with Paul and the company of the twelve,
Whose memory we celebrate with eagerness of faith,
Giving glory to the one who gave glory to them!
 
Bron: oca.org

Psalters [ 1 ]

Karolingisch: het Utrechts Psalter (School van Reims, c. 820-835)

Vandaag begin ik met een reeks over historische psalters. Ik open met het kostbaarste handschrift dat in ons land bewaard wordt: het zgn. Utrechts Psalter. Dit wereldberoemde manuscript werd vervaardigd in de Benedictijner abdij Hautvillers bij Epernay en is een topstuk uit de Karolingische handschriftenproductie. Op de website van de Universiteit van Utrecht kun je een digitaal facsimile van dit unieke handschrift in een virtuele vitrine bekijken.

psalm 11
Psalm 11:7 7 Des Heeren woorden zijn reine woorden: zilver door het vuur beproefd, gangbare munt, zevenmaal gelouterd.
Op de negende-eeuwse tijdgenoten moeten vooral de 166 pentekeningen die aan de tekst van elk van de 150 psalmen en de zestien daaraan toegevoegde bijbelse liedteksten – de zogenaamde cantica – voorafgaan, een even overweldigende indruk hebben gemaakt als op ons. De tekst van de psalmen, die al in de vroegchristelijke gemeenschappen zo’n cruciale rol speelde en in de volgende eeuwen het religieuze en devotionele leven in hoge mate vormgaf, werd hier, in dit handschrift, plotseling op een tot dan toe ongekende manier tot leven gewekt. De beelden die de eeuwenlang uit het hoofd geleerde en gereciteerde psalmverzen opriepen, werden hier nu voor ogen getoverd in een geheel nieuwe stijl die zijn inspiratie vond in de vormgevingsprincipes van de late oudheid en van het vroege christendom.
 
Deze nieuwe stijl was ontstaan en was voorbereid in een groep handschriften die in het begin van de negende eeuw vervaardigd was aan het hof van Karel de Grote in Aken. Tot volle bloei kwam de stijl echter twee tot drie decennia later in een ander belangrijk centrum van Karolingische cultuur en Renovatio, namelijk in Reims, waar Ebbo, de zogeheten zoogbroeder van de nieuwe keizer, Karel de Grote’s zoon Lodewijk de Vrome, sinds 816 als aartsbisschop zetelde. Een van de boeken die in opdracht van Ebbo werden gemaakt, is het Ebbo Evangeliarium (nu Epernay, Bibliothèque Municipale, Ms. 1), vervaardigd in de benedictijner abdij Hautvillers bij Epernay. De portretten van de evangelisten in het Ebbo Evangeliarium vertonen zo’n grote verwantschap met de tekeningen in het Utrechts Psalter dat ook het laatste handschrift vervaardigd moet zijn in Hautvillers, tussen circa 820 en 835. Het Utrechts Psalter wordt algemeen beschouwd als het belangrijkste handschrift van de zogenaamde School van Reims.
 
Lees verder: vitrine.library.uu.nl/
psalm 150
Psalm 150:5 Looft Hem met hel-klinkende cimbalen looft Hem met bekkens van vreugdegeluid!

Het Utrechts Psalter behoort zonder meer tot de grootste meesterwerken van de Westerse middeleeuwse kunst. Het is ongetwijfeld het belangrijkste boek dat in Nederland bewaard wordt en zeker het topstuk van de Utrechtse Universiteitsbibliotheek. Zijn naam dankt het handschrift aan de huidige plaats van bewaring, niet aan de plaats van vervaardiging. Het is een zogenaamd psalter of psalterium, dat wil zeggen dat het handschrift de tekst van het bijbelboek Psalmen bevat.

Utrechts Psalter

verwrongen bloteriken [1]

maniërisme in de Lage Landen

Laatst schreef ik hier iets over de Haarlemse maniërist Hendrick Goltzius. Op de prachtige en informatieve website van het Metropolitan Museum las ik gisteren een stukje over schilders uit de Lage Landen die in de 16e eeuw de Renaissance uit Italiënaar het Noorden brachten. Tot de eerste generatie van deze kunstenaars die de Renaissance hier introduceerden behoorden Jan Gossaert (Mabuse), (1478/88-1532), Lucas van Leyden (1494-1533) Jan van Schoorl (1495-1562) en Maarten van Heemskerck (1498-1574). Vooral de stijl van de laatste is sterk beinvloed door het maniërisme dat na 1525 in de mode is gekomen en daarna een zwaar stempel gedrukt heeft op de zestiende eeuwse schilderkunst.

Cornelis Cornelisz. van Haarlem
Cornelis Cornelisz. van Haarlem 1588
Val van de Titanen. De bloteriken worden als gekleurde hagel op een boterham gestrooid.

In Nederland kwam het maniërisme tot een hoogtepunt in de Haarlemse School. Hiertoe behoorden Cornelis Cornelisz. van Haarlem (1562-1638), Karel van Mander (1548-1606) en eerder genoemde Hendrick Goltzius (1558-1616). Het werk van Bartholomeus Spranger (1546-1611) vormde voor hen een enorme bron van inspiratie.

In the sixteenth century, Rome was the cradle and capital of Western civilization. It attracted painters, engravers, and sculptors from throughout Europe, especially the Netherlands and northern France. Rome’s principal attractions were its classical ruins, works by contemporary masters like Raphael and Michelangelo, and patronage from local aristocracy and the Roman Catholic Church. Important painters from the Netherlands who made the journey and stayed in the city (often for years, sometimes decades) were: Jan Gossaert, Jan van Scorel, Pieter Coecke van Aelst, Maarten van Heemskerck, Bartholomeus Spranger, Dionijs Calvaert, and Paul Bril. They were accompanied by sculptors, including Niccolò Pippi from Arras, Gillis van den Vliete, Jacques Du Broeucq, and his pupil Jean Boulogne (Giambologna). Among the engravers were Cornelis Cort, Aegidius Sadeler, and Hendrick Goltzius. Eagerly absorbing the available Roman culture, these artists also had an intensive interaction with, and left an imprint of their own, on the cultural scene of the Italian metropolis.
 
Bron: metmuseum.org

Op de site van het Metropolitan Museum kun je verschillende prenten met een interactief vergrootglas bekijken, zoals een mooie gewassen tekening van Bartholomeus Spranger of de vier beroemde gravures uit de serie Tantalus, Icarus, Phaeton en Ixion van Hendrick Goltzius.

Goltzius
Hendrick Goltzius 1588
uit de serie Tantalus, Icarus, Phaeton en Ixion. Zoek deze figuur op het schilderij van Cornelis Cornelisz.

maniërisme
De term ‘maniërisme’ wordt gebruikt voor de periode in de kunstgeschiedenis die volgt na de Renaissance. Rond 1520 streefde een aantal Italiaanse kunstenaars ernaar hun voorgangers – beroemde meesters als Rafael en Michelangelo – te evenaren. Sommigen probeerden bepaalde aspecten van de stijl (de manier, ‘maniera’) van deze kunstenaars te overtreffen. Zij keken bijvoorbeeld naar de gespierde lichamen en ingewikkelde houdingen in Michelangelo’s Sixtijnse kapel en deden daar nog een schepje bovenop. Lichamen met overdreven proporties en sterke draaiingen waren het resultaat. De ‘maniera’ van deze kunstenaars werd hierdoor een doel op zich, bijna een ‘maniertje’. Later werd deze kunst daarom wel ‘maniërisme’ genoemd.
 
Bron: rijksmuseum.nl

Northern Mannerism in the Early Sixteenth Century | Mannerism in Italy