Ik dacht dat ik daar was, maar vanmiddag bevond ik mij tijdens een fietstocht over de Rijnbandijk alweer onverwacht hier.

Ik dacht dat ik daar was, maar vanmiddag bevond ik mij tijdens een fietstocht over de Rijnbandijk alweer onverwacht hier.


Vandaag begin ik met een reeks over historische psalters. Ik open met het kostbaarste handschrift dat in ons land bewaard wordt: het zgn. Utrechts Psalter. Dit wereldberoemde manuscript werd vervaardigd in de Benedictijner abdij Hautvillers bij Epernay en is een topstuk uit de Karolingische handschriftenproductie. Op de website van de Universiteit van Utrecht kun je een digitaal facsimile van dit unieke handschrift in een virtuele vitrine bekijken.
Het Utrechts Psalter behoort zonder meer tot de grootste meesterwerken van de Westerse middeleeuwse kunst. Het is ongetwijfeld het belangrijkste boek dat in Nederland bewaard wordt en zeker het topstuk van de Utrechtse Universiteitsbibliotheek. Zijn naam dankt het handschrift aan de huidige plaats van bewaring, niet aan de plaats van vervaardiging. Het is een zogenaamd psalter of psalterium, dat wil zeggen dat het handschrift de tekst van het bijbelboek Psalmen bevat.
Laatst schreef ik hier iets over de Haarlemse maniërist Hendrick Goltzius. Op de prachtige en informatieve website van het Metropolitan Museum las ik gisteren een stukje over schilders uit de Lage Landen die in de 16e eeuw de Renaissance uit Italië naar het Noorden brachten. Tot de eerste generatie van deze kunstenaars die de Renaissance hier introduceerden behoorden Jan Gossaert (Mabuse), (1478/88-1532), Lucas van Leyden (1494-1533) Jan van Schoorl (1495-1562) en Maarten van Heemskerck (1498-1574). Vooral de stijl van de laatste is sterk beinvloed door het maniërisme dat na 1525 in de mode is gekomen en daarna een zwaar stempel gedrukt heeft op de zestiende eeuwse schilderkunst.
In Nederland kwam het maniërisme tot een hoogtepunt in de Haarlemse School. Hiertoe behoorden Cornelis Cornelisz. van Haarlem (1562-1638), Karel van Mander (1548-1606) en eerder genoemde Hendrick Goltzius (1558-1616). Het werk van Bartholomeus Spranger (1546-1611) vormde voor hen een enorme bron van inspiratie.
Op de site van het Metropolitan Museum kun je verschillende prenten met een interactief vergrootglas bekijken, zoals een mooie gewassen tekening van Bartholomeus Spranger of de vier beroemde gravures uit de serie Tantalus, Icarus, Phaeton en Ixion van Hendrick Goltzius.

maniërisme
De term ‘maniërisme’ wordt gebruikt voor de periode in de kunstgeschiedenis die volgt na de Renaissance. Rond 1520 streefde een aantal Italiaanse kunstenaars ernaar hun voorgangers - beroemde meesters als Rafael en Michelangelo - te evenaren. Sommigen probeerden bepaalde aspecten van de stijl (de manier, ‘maniera’) van deze kunstenaars te overtreffen. Zij keken bijvoorbeeld naar de gespierde lichamen en ingewikkelde houdingen in Michelangelo’s Sixtijnse kapel en deden daar nog een schepje bovenop. Lichamen met overdreven proporties en sterke draaiingen waren het resultaat. De ‘maniera’ van deze kunstenaars werd hierdoor een doel op zich, bijna een ‘maniertje’. Later werd deze kunst daarom wel ‘maniërisme’ genoemd.
Bron: rijksmuseum.nl
Northern Mannerism in the Early Sixteenth Century | Mannerism in Italy
U onderscheidt een milieuethos van een milieuethiek. Maar hoe werkt zo’ n ethos dan in de praktijk? Hebben de oosters-orthodoxe christenen een andere levensstijl dan bijvoorbeeld de protestanten?De tekenaar, graveur en schilder Hendrick Goltzius was een echte maniërist, een 16e eeuwse navolger van de Renaissance. Maniërisme, dat is Michelangelo over the top. Veel anabole steroïden dus. Een van Goltzius’ bekendste prenten, de Farnese Hercules, ziet er eerder uit als een Michelinmannetje dan als een levend wezen. (Een andere Hercules ziet eruit alsof hij door een zwerm bijen gestoken is en werd in de volksmond de Knollenman genoemd.) Goltzius was als kind van zijn tijd nu eenmaal gebonden aan deze stijl en kwam er ook niet meer van los. Hij stierf (waarschijnlijk) op nieuwjaarsdag 1617 als een gerespecteerd meester samen met een heel tijdperk. Inmiddels had het maniërisme plaats gemaakt voor de barok.

De reden waarom ik nu over Goltzius schrijf, is dat ik op dit moment veel naar zijn techniek aan het kijken ben. Evenals Dürer is hij een meester in de tekening en de gravure. Zijn prenten hebben voor mij dan ook meer waarde dan zijn schilderijen die technisch wel erg goed zijn, maar toch teveel ingekleurde tekeningen blijven. Logisch, want Goltzius was een tekenaar, een meesterlijk tekenaar. Het mooist vind ik zijn houtsneden met landschappen die hij maakte tussen 1595 en 1600 en waar je net als bij Van Gogh in een kolkend lijnenspel de natuur tevoorschijn ziet komen.

In 2003 was er in het Metropolitan Museum in New York een tentoonstelling over het leven en werk van Hendrick Goltzius. Een deel van de werken zijn nog altijd online te bekijken. Rechts de catalogus bij deze tentoonstelling.
De Haarlemse Maniëristen
Hendrick Goltzius , Carel van Mander , Dirck Volkertsz. Coornhert en Cornelis van Haarlem Andere maniëristen:
Bartholomeus Spranger en Jacques de Gheyn II (overgang naar het naturalisme van de 17e eeuw)
Gisterenavond weer eens gekeken naar deze moderne klassieker die vanaf het eerste begin onder je huid kruipt. Een film over gewone mensen die zich afspeelt in een gewone buitenwijk. Ieder personage worstelt met het bestaan en ook al is lang niet iedereen in deze film even sympathiek, je voelt onmiddellijk mededogen met deze verdoolde zielen. Hoewel de atmosferische muziek van Thomas Newman vaak eenzaamheid en verweesdheid oproept, balanceert American Beauty steeds tussen zwaar en licht en blijft de film vooral door de bijtende dialogen tot het einde toe vermakelijk.
Wes Bentley als de buurjongen en Thora Birch als de dochter vormen samen een prachtig duo. De scene waarin ze beiden naar een video zitten te kijken van een plastic zakje dat opwaait door de wind, is onvergetelijk en wat mij betreft legendarischer dan de opwaaiende jurk van Marilyn Monroe in The Seven Year Itch. Vooral ontroerend mooi spel van Kevin Spacey. Ook Annette Bening zet overtuigend een luxevrouwtje neer dat gevangen is in een schijnwereld en daardoor het contact met zichzelf is kwijtgeraakt. Haar einde staat in schril contrast met dat van haar man. Terwijl hij met een groot gat in zijn hoofd en met een gelukzalige glimlach op zijn lippen heel zijn leven aan zich voorbij ziet trekken, zinkt zij hysterisch weg in haar garderobe die geen houvast meer biedt.

Toen ik twee jaar geleden het Bijbels Openlucht Museum in Nijmegen bezocht, viel mij al op dat de rooms-katholieke signatuur onder druk van de multiculturele samenleving grotendeels was vervaagd. Er waren toen al grote spanningen ontstaan tussen het bisdom Den Bosch en de museumdirectie die voor een ingrijpende koerswijziging had gekozen. Inmiddels is deze definitief en heeft het Bijbels Museum de rooms-katholieke kerk verlaten. Ik vind het jammer, maar eigenlijk was deze stap onvermijdelijk. Want het Bijbels Museum in zijn oorspronkelijke opzet (ons kennis laten maken met de Bijbel door het leven in de tijd van Jezus aanschouwelijk te maken.) bestond al jaren niet meer.
Wanneer ik educatieve teksten en opschriften lees die beweren dat het jodendom, christendom en de islam zoveel met elkaar gemeen hebben, dat je eigenlijk van één Abrahamitische relgie kunt spreken, en vervolgens onderwijzers zie dit braaf tegenover hun groep (moeten!) bevestigen, dan weet ik dat het museum een boodschap uitdraagt die niet alleen haaks staat op haar oorspronkelijke missie. In dit museum wordt nu ook de relativistische visie van de multiculturele samenleving verkondigd, die de boodschap van Christus probeert te mixen met de boodschap van Mohammed tot een mulicultureel potje ‘respect’ voor elkaar. Vanuit horizontaal perspectief uiteraard volledig correct.

Museumpark Orientalis is wel een goedgekozen naam. Het museum kan nu onbelemmerd verder in zijn missie om de Abrahamitische godsdiensten met elkaar te verenigen en ons kennis te laten maken met de cultuur van het Midden-Oosten. Ik denk dat het een multicultureel-antropologisch museum gaat worden, waar we eerder kennis zullen maken met de cultuur van de islam, dan een plek die ons in contact brengt met het Evangelie.
Mission Statement
Het Bijbels Openluchtmuseum wil het ontstaan, de achtergronden en de tradities van de religies die met de bijbel zijn verbonden in beeld brengen. Het is onze bedoeling dat bezoekers een rondgang door ons museum ervaren als een aanvulling op hun kennis en een aanzet tot bezinning. Het museum wil daartoe de educatieve en recreatieve mogelijkheden versterken zodat bezoekers het gevoel krijgen dat ze als gasten ronddwalen in een wereld die meer dan 2000 jaar achter ons ligt maar waarmee ze nog steeds door traditie en cultuur verbonden zijn. Door middel van educatie wil het Bijbels Openluchtmuseum bijdragen aan een mentaliteitsverandering binnen de multiculturele samenleving. Daarbij kunnen nieuwsgierigheid naar hetgeen we (nog) niet kennen en het leren omgaan met de aspecten waarin we van elkaar verschillen de plaats innemen van een houding die is gebaseerd op angst of vooroordelen.
Gerd reist vandaag af naar het Noorse Fjaerland om te exposeren tijdens het midzomerfestival in dit boekenstadje aan het Sognefjord.


Gerd liet me vanmiddag een boek zien met schilderijen van de Edese schilder Jan Eversen die honderd jaar geleden geboren is en in 1995 overleed. Tot afgelopen zondag was in Ede een tentoonstelling van zijn werk te zien, die ik helaas gemist heb. Ik had ook nog nooit van hem gehoord, maar hij is beslist een groot stillevenschilder die geheel tegen de tijdgeest in 17e eeuwse stillevens schilderde al lang voor Cornelis LeMaire en Henk Helmantel. Zijn werk is al decennia lang geliefd in Engeland waar hij vlak voor de oorlog ook zijn opleiding kreeg.
Laatste nieuws
Jos van Riswick en Ralf Heynen werken nog tot half augustus in de kapel in Ubbergen waar het werk van deze groep kunstenaars nog te zien zal zijn.
Op een prachtige lokatie in Ubbergen ten Oosten van Nijmegen ligt het complex De Refter. Nog tot 25 juni is daar de tentoonstelling Zuidelijk Realisme te zien met schilderijen van Michel Alders, Paul van Ernich, Diederik Grootjans, Ralf Heynen, Jos van Riswick en Hans Versfelt Het werk van Hans Versfelt vind ik echt een ontdekking, ik had nog nooit van hem gehoord. Hij heeft precies de robuuste toets waar ik van hou en die me denken doet aan het late impressionisme van de twintigste eeuw. Zijn landschappen, portretten en veestukken zijn allemaal zeer consistent geschilderd, daardoor misschien zelfs een beetje saai, maar ik heb een zwak voor zijn boetserende manier van schilderen.

When I get older, losing my hair, many years from now,Na het zien van Age of Innocence ben ik eens wat gaan rondkijken op het web wat er zoal te vinden is over de Gilded Age, de periode waarin de film zich afspeelt. Ik heb daar al wat over gelezen in het boek American Visions van Robert Hughes, waarin deze zijn visie geeft op het epos van de Amerikaanse kunst. Na de Amerikaanse Burgeroorlog beleefden de Verenigde Staten een enorme economische bloei. Weliswaar was het Brits Imperium nog het machtigste ter wereld, maar rond 1890 begon het al duidelijk te worden dat Amerika de grootste economische macht ter wereld zou gaan worden in de komende eeuw. Hughes beschrijft in zijn boek op kostelijke wijze de cultuur en de kitscherige smaak van de nieuwe rijken in Amerika.
Een van de bekendste selfmade men was de uit Nederland afkomstige Cornelis ‘Commodore’ Vanderbilt. Hij was de Bill Gates van zijn tijd, eigenaar van een imperium van spoorwegen en rederijen. Hij begon zijn carrière met een lening van $100 van zijn moeder met een veerdienst tussen Staten Island en Manhattan. Toen hij in 1877 overleed, was hij met een vermogen van honderd miljoen dollar de rijkste man ter wereld. Hoewel hij altijd de vinger op de knip gehouden had, wisten zijn kinderen en kleinkinderen wel raad met het kapitaal. Ze begonnen voor zichzelf landhuizen, mansions genaamd, te bouwen. In werkelijkheid waren dit poenerige renaissancepaleizen, waarmee ze de hofcultuur van de Europese vorsten imiteerden. In Newport, in de staat Rhode Island en 200 km. ten noorden van New York, liet hij de meest spectaculaire van allemaal bouwen, the Breakers. Het werd voltooid in 1895 maar Cornelis Vanderbilt II kon er nog geen jaar van genieten want hij overleed in 1896.

Tussen 1870 en 1930 liet de familie Vanderbilt vele mansions bouwen. Een aantal staat hieronder vermeld. Een volledige lijst vind je hier Het verbaast mij eigenlijk nog dat de kinderen en kleinkinderen van de ‘Commodore’ toch nog 60 jaar nodig hadden om het vermogen van Commodore (in 1877 op $100 miljoen geschat, meer dan het Amerikaanse ministerie van Financiën) er doorheen te jagen.
Frederick William Vanderbilt (1856-1938), “Hyde Park” , Hyde Park, New York, 1896-1899; McKim, Mead and White.
William Kissam Vanderbilt (1849-1920), “Idle Hour”, Oakdale, Long Island, New York; gebouwd van 1878 tot 1879; Richard Morris Hunt (verwoest door brand, 1899), 660 Fifth Avenue, New York, gesloopt in 1926.
William Kissam Vanderbilt, “Marble House”, Newport, Rhode Island, gebouwd van 1888 tot 1892; Richard Morris Hunt
William Kissam Vanderbilt II, “Eagles Nest”, Centerport, New York, gebouwd van 1910 tot 1936; Warren & Wetmore
George Washington Vanderbilt II (1862-1914), “Biltmore”, Asheville, North Carolina, gebouwd van 1888 tot 1895; Richard Morris Hunt (Het grootste huis van de Verenigde Staten)
Cornelius Vanderbilt II (1843-1899), “The Breakers”, Newport, Rhode Island, gebouwd van 1892 tot 1895; Richard Morris Hunt
Florence Vanderbilt (Mrs. Hamilton Twombly) (1854-1952), “Florham”, Convent Station, New Jersey, 1894-1897; McKim, Mead and White (nu kantoorgebouw, Fairleigh Dickinson University)
De kitscherige mansions van Newport, door Jeroen Bergeijk
America in the Gilded Age | Biography of Cornelis ‘Commodore’ Vanderbilt
newportmansions.org | vanderbiltmuseum.org
Maandag en dinsdag per fiets weer eens langs de Nederrijn getrapt en genoten van het rivierengebied in de grasmaand. Veel boeren hebben al gemaaid, dus al fietsend over de slingerende dijk ruik je telkens weer die heerlijke lucht van pas gemaaid gras. Rijswijk in de Betuwe ligt aan de overzijde van Wijk bij Duurstede en beide plaatsen zijn met een groot veer met elkaar verbonden. Hier doorkruist ook het Amsterdam-Rijnkanaal de rivier om zich tenslotte bij Tiel in de Waal te voegen. Het plaatsje Rijswijk ligt op de plaats waar ooit de Romeinse nederzetting Levefanum lag.

Een paar kilometer oostelijker ligt Maurik, dat ook onderdeel vormde van de Romeinse limes. De naam Maurik is afgeleid van de oorspronkelijke naam Mannaricium
De Rijnbandijk die evenals de Nederrijn door het groene landschap meandert, vormt een fantastische fietsroute. Aan de overzijde van de Rijn kijk je tegen de zuidkant van de Utrechtse Heuvelrug aan met als hoogste punt de Amerongse Berg (67m.) Tenslotte eindigt de Utrechtse Heuvelrug bij Rhenen met de Grebbeberg. Tegenover Rhenen ligt het plaatsje Kesteren, evenals Rijswijk en Maurik ooit een Romeinese nederzetting. Kesteren heette in de Romeinse tijd Carvo
Oostelijk van Kesteren, schuin tegenover Wageningen ligt tenslotte het plaatsje Randwijk. Men vermoedt dat ook hier een romeins fort moet hebben gelegen al heeft men hier nog geen sporen van een nederzetting gevonden.

Voorbij Randwijk begint bij het plaatsje Heteren de gemeente Overbetuwe die in 2001 ontstaan is door het samenvoegen van de gemeenten Heteren, Elst, en Valburg. Op de website van de gemeente kun je wat lezen over de geschiedenis van dit gebied. Van de kerk in Elst is bekend dat hier vroeger een Gallo-Romeinse tempel heeft gestaan.
Gisterenavond zond canvas dit prachtige kostuumdrama weer eens uit. Dit genre dat vooral bij de BBC tot in de puntjes beheerst wordt, blijkt ook helemaal toevertrouwd aan Martin Scorsese. Vorig jaar zag ik Aviator waarin deze perfectionist een tijdsbeeld heeft neergezet dat tot in de kleinste details overtuigt. Natuurlijk had hij voor Age of Innocence een magistraal boek tot zijn beschikking dat met microscopische precisie de etiquette van de New Yorkse jet set rond 1870 beschrijft. Die beschrijvingen worden niet alleen schitterend gevisualiseerd, maar zijn ook letterlijk aanwezig in een voice over, die knap verweven is met de dialogen.
Door de hoge dichtheid aan informatie viel de film mij in het begin wat zwaar op de maag. De vertalers hebben aan de twee regels ondertiteling vaak niet genoeg gehad. Dat viel me vooral op met de vertaling van de voice over. Op een gegeven moment is er een bal bij een vooraanstaande familie en wordt het interieur beschreven. De gang naar de balzaal gaat niet zoals in de meeste New Yorkse kringen gebruikelijk was door een lange pronkerige pijpenla, maar door een aaneenschakeling van salons waar de high society zichzelf bebabbelt. In een van die vertrekken hangt het beroemde schilderij de Lente van de Franse jetsetschilder William Bourgereau, maar zijn naam wordt bijvoorbeeld door de ondertitelaars niet vermeld. Je merkt gewoon dat aan alle details is gedacht, maar die zijn natuurlijk ook haarfijn door Edith Wharton in haar roman beschreven. Prachtig acteerwerk van Daniel Day-Lewis en Michelle Pfeiffer die ieder op eigen manier zichzelf proberen te ontworstelen aan de sociale codes waarbinnen ze gevangen zitten.

Biografie van Edith Wharton | Amerikaanse elite onder de microscoop
Onlangs verscheen het boek In iedereen schuilt een terrorist waarin de sociale en psychologische factoren worden onderzocht die ertoe kunnen leiden dat een brave burger een levensgevaarlijke terrorist wordt. We kunnen het niet voorstellen hoe iemand zichzelf in naam van God kan opblazen om daarmee zoveel mogelijk andere mensen te doden of te verminken. Maar met een baanbrekend experiment in de jaren zestig is men tot de ontluisterende conclusie gekomen dat de meeste mensen onder groepsdruk het eigen geweten kunnen uitschakelen en bereid zijn tot misdadig gedrag. Het is bekend geworden als het Stanley Milgram experiment. Later is men de ethiek van het experiment zélf ter discussie gaan stellen. Mogen we de ander in de rol als proefkonijn wel verleiden tot onethische handelingen om hiermee aan te tonen dat de mens vrij gemakkelijk bereid is zijn eigen geweten uit te schakelen en blind bevelen op te volgen, zelfs als deze leiden tot de dood van de ander.


Afgelopen zaterdag een prachtig fotoboek gekocht over Cisterciënzer kloosters. Twee “dochters” van Cîteaux heb ik ooit bezocht. Een van de oudste, het uit 1148 daterende klooster van Sénanque in Zuid-Frankrijk, prachtig gelegen in de lavendelvelden. Het andere klooster staat bekend om het abdijbier. Het is de abdij van Orval gelegen in de bosrijke omgeving bij Virton in Zuid-België. Dit laatste werd als zovele kloosters onder Napoleon verwoest, maar werd in de twintigste eeuw weer herbouwd. De ruïnes van het Middeleeuwse klooster, die uit de eerste helft van de twaalfde eeuw dateren, zijn nog altijd te bezoeken. Het klooster ontvangt jaarlijks veel toeristen die vaak met een paar flessen ambachtelijk abdijbier het klooster weer verlaten.

Vorige week ben ik in de geschiedenis van de wolkenkrabber gedoken. De wolkenkrabber is in Chicago ontstaan, maar heeft zich sinds 1890 juist in New York kunnen ontwikkelen. Persoonlijk vind ik het interessant hoe in dit onderdeel van de architectuurgeschiedenis, de vorm nog een poosje achterblijft bij de functie. Hoewel Louis Sullivan al aan het einde van de 19e eeuw het axioma van het modernisme Form Follows Function formuleerde, bleef de hoogbouw nog tot in de Eerste Wereldoorlog historische stijlen citeren.
Er is op het web een schat aan informatie te vinden over de geschiedenis van de wolkenkrabber. Ik besluit deze reeks met drie panoramafoto’s van de skyline van New York. Deze foto’s zijn allemaal te vinden op de website van vazyvite.com
Vergelijk de skyline van Lower Manhattan vlak voor en na 11 september 2001.

Gisteren weer eens genoten van het legendarische Blueberry-drieluik uit de eerste helft van de jaren zeventig. Jean Giraud was een jaar of 35 toen hij eraan begon en had zich al ontwikkeld als een meestertekenaar. Ik vind hem nog steeds een van de allerbeste tekenaars die ik ken. Zijn lijnvoering is schilderachtig zoals die van onze eigen Hans G. Kresse of de Belgische striptekenaars Jijé en René Follet. In hun visie bevinden ze zich ergens tussen schilderkunst en tekenkunst en niet voor niets tekenen ze met een penseel. De klare lijn, waar vooral de Belgische school wereldberoemd om is, is bij deze heren dus tevergeefs te zoeken. In plaats van heldere tekeningen, schilderachtige plaatjes met een vaak borstelige streek. Giraud tekende ook onder het pseudoniem Möbius in een stijl die gekenmerkt wordt door virtuoze arceringen. Wanneer je ziet hoe de rotspartijen in de verhalen van Blueberry getekend zijn, zie je duidelijk de hand van Möbius.

Giraud had als meestertekenaar beschikking over een meesterscenarist: Charlier. De trilogie voert een behoorlijk aantal personages ten tonele, staat boordevol met intriges, heeft scherpe dialogen en is erg goed gedocumenteerd. Het verhaal speelt zich af in 1869, een paar jaar na de Amerikaanse burgeroorlog in het grensgebied tussen Mexico en de verenigde Staten. De yankees worden nog steeds gehaat door zuidelijke rebellen en in Mexico is de gehate keizer Maximilliaan afgezet door president Juarez. In dit decor ontmoet luitenant Mike S. Blueberry in het woestijnstadje Chihuahua een Amerikaanse schone, Chihuahua Pearl genaamd. De omstandigheden zijn echter niet ideaal: als outlaw moet hij een geheime opdracht uitvoeren onder rechtstreeks bevel van Washington. Mike is niet bepaald een brave jongen, maar de vele slechterikken die hem achtervolgen, zijn zeker niet braver en maken het hem wel erg lastig. Gelukkig heeft hij in deze wereld van list en bedrog nog twee vrienden: Kopernek en de ouwe zuiplap MacGlure.

Een van de eerste wolkenkrabbers in New York dateert nog uit de negentiende eeuw. In 1899 nam het 117 meter hoge Park Row Building de titel world’s tallest building over van zijn buurman St.Paul Building.


Een aardig overzicht van wolkenkrabbers in New York met actuele foto’s vind je hier
De tentoonstelling loopt al vanaf 24 februari, maar eindelijk heb ik hem gisteren dan gezien. Voor het eerst in de geschiedenis worden zoveel Rembrandt’s gepresenteerd naast schilderijen van zijn grote voorbeeld en zoiets mag je eigenlijk niet voorbij laten gaan. Dinsdag is doorgaans een rustige museumdag, maar dat geldt zelden voor blockbusters. Zo liep ik vier jaar geleden op dinsdagmorgen in de rij te schuiven langs de schilderijen van Repin in het Groninger Museum. Ook in het Van Gogh Museum was het bij elk schilderij naar voren schuiven voor een plekje. Maar de expositie is het waard, ook al had ik de meeste Rembrandt’s al eerder ergens gezien. Zijn vier vrouwenportretten o.a. van Bathseba, Flora (tweemaal) en Artemis zag ik voor het eerst in respectievelijk Parijs, Londen, Sint-Petersburg en Madrid. Maar het was een eerste confrontatie met de Rembrandt’s uit Frankfurt, München en San Francisco. En met bijna alle Caravaggio’s wiens werk ik nog nauwelijks vanuit het echt kende. Alleen zijn schilderij van de Emmaüsgangers had ik als eens in Londen gezien.
Een aardige introductie vormen een paar schilderijen van de Utrechtse Caravaggisten door wie Rembrandt bekend raakte met Caravaggio’s licht en realisme. We hebben er daar drie van en ik kan ze soms moeilijk uit elkaar halen: Gerrit van Honthorst (Gerhardo della Notte), Hendrick Ter Brugghen en Dirck van Baburen. Ze werkten bij voorkeur met kaarslicht in hun compositie dat ze middenin een groep mensen plaatsten. Het moet een onvergetelijke indruk op Rembrandt gemaakt hebben.

Wat me heel erg is opgevallen, is dat Rembrandt’s benadering van het licht totaal anders is als dan die van zijn Italiaanse voorbeeld. Vergeleken bij Rembrandt is het licht bij Caravaggio bijna altijd vrij hard en oppervlakkig. Rembrandt is veel meer de psycholoog en de metafysicus. En hoewel hij een nuchtere noorderling is, heeft hij een groot gevoel voor dramatiek. Natuurlijk is Caravaggio ook een echte theaterrnaker, maar hij mist voor mij de tederheid van Rembrandt. Ik was geraakt door de overpeinzende blik van Bathseba met de brief van koning David in haar hand. Rembrandt heeft haar gemengde gevoelens weergaloos goed getroffen: de jonge vrouw is onder de indruk dat de koning haar begeert maar denkt tegelijkertijd aan haar eigen man en de mogelijke gevolgen van de onweerstaanbare koninklijke avances.

Het is een hele prestatie dat de organisatoren voor deze tentoonstelling twee doeken met exact hetzelfde thema bij elkaar hebben gebracht: het offer van Abraham. Bijna precies een jaar geleden zag ik Rembrandt’s versie uit Sint Petersburg voor het eerst. Op de tentoonstelling hangt het naast Caravaggio’s interpretatie (normaal in het Uffizi, Florence). Rembrandt’s vertolking van het drama vind ik veel krachtiger: de oude man is verbijsterd en laat het mes uit zijn hand vallen wanneer de engel hem tegenhoudt zijn zoon te offeren. Bij Caravaggio kijkt hij verstoord opzij, alsof niets hem van ‘zijn voornemen’ kan weerhouden. Ook de wijze waarop hij met zijn andere hand de jongen beetpakt, werkt bij Rembrandt veel sterker.

Na het Van Gogh Museum gingen we via de Albert Cuyp markt op weg naar de Nieuwe Kerk waar de mooie tentoonstelling KIEV loopt met negentiende en vroeg-twintigste eeuwse schilderijen uit de Oekraïne. Een kleine, overzichtelijke expositie met prachtig werk en voor mij hoofdzakelijk onbekende namen. Wat is er nog veel te ontdekken!
rembrandt-caravaggio.nl ( nog tot 18 juni )
Wanneer je oude foto’s van Manhattan bekijkt, valt je onmiddellijk een wolkenkrabber op in de vorm van een reusachtige lantaarn. Dit was het Singer Building en het werd in hetzelfde jaar (1908) gebouwd als het huis waarin ik woon. Een jaar lang was het Singer Building het hoogste gebouw ter wereld. In 1909 werd het ingehaald door de Met Life Tower, die vervolgens weer werd overtroffen door het Woolworth Building in 1913.

Deze drie vroege wolkenkrabbers (Singer Building 1908, Life Met Tower 1909 en Woolworth Building 1913) werden gebouwd in een eclectische stijl, respectievelijk in neobarok, neorenaissance en neogotiek. In de jaren twintig en dertig ontwikkelt zich de strakke, klassieke wolkenkrabberstijl die samenvalt met de periode art-deco en nieuwe zakelijkheid.


Sinds het verschijnen van het WRR rapport over het islamitisch activisme op 12 april heb ik al een paar keer over dit onderwerp geschreven.In de bijlage Letter & Geest van Trouw staat een artikel van Marnix Croes en Frans de Leeuw die beweren dat de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid elementaire wetenschappelijke normen geschonden heeft.
Het WRR-rapport over islamitisch activisme
Op 12 april 2006 publiceerde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) een op eigen initiatief verrichte studie naar de dynamiek in het islamitisch activisme en de aanknopingspunten die het bood voor democratisering en mensenrechten. Een dag eerder nam Jan Schoonenboom, één van de auteurs, tegenover het ANP hierop vast een voorschot en stelde dat in het debat over de islam in Nederland ’veel grote woorden worden gebruikt zonder dat daaraan feiten ten grondslag liggen’. Schoonenboom beschuldigde met name CDA–fractievoorzitter Maxime Verhagen, VVD–Kamerlid Ayaan Hirsi Ali en Geert Wilders van ’islam-bashing’.Zowel deze uitlatingen van Schoonenboom als het WRR-rapport zelf kregen vervolgens uit de politiek en de wetenschap bijval en kritiek. Vanwege het verwijt van de grote woorden richtten verschillende criticasters, zoals Afshin Ellian, Ayaan Hirsi Ali en Hans Jansen, hun pijlen op het empirisch gehalte van het rapport zelf. Waarop waren de beleidsaanbevelingen van de WRR, bijvoorbeeld om het gesprek aan te gaan met terroristische organisaties als Hamas en Hezbollah, in feite gebaseerd? Hirsi Ali zei dat de ’W’ van WRR voor ’wereldvreemd’ staat en noemde het rapport ’niet wetenschappelijk, maar een politiek pamflet’. Arabist Hans Jansen noemde het rapport een ’apologie voor de islam’ en vroeg zich af of ’dat de taak is van de WRR’. Arabist Ruud Peters vond het rapport juist ’uiterst verstandig’. Hij gaf wel toe dat vernieuwende stromingen binnen de islam klein zijn en weinig invloed hebben, maar ’juist daarom is het belangrijk om er aandacht aan te besteden’. Trouw-redacteur Eildert Mulder concludeerde dat de WRR echte liberalen in de moslimwereld in de steek laat.
Bron: trouw.nl


De Spaanse Velazquezkenner José López-Rey die in 1991 overleden is, was een beetje de Spaanse Ernst van de Wetering. Wat deze laatste betekend heeft voor de inventarisatie alle Rembrandts, betekende Lopez-Rey voor het oeuvre van Diego Velazquez. Al jaren bezit ik zijn standaardwerk A Catalogue Raisonné of His Oeuvre (1963) waarvan in 1999 een uitgave in twee delen verscheen bij Taschen-Waldenstein Institute. Het eerste Duitstalige deel is een biografie met veel kleurenreproducties van details op ware grootte. Het tweede deel is een oeuvrecataglogus (130 werken) in Frans, Engels en Duits. Gisteren herontdekte ik dit prachtboek weer.
Voor een schilder is het een boek om van te smullen, want door de vele detailweergaven krijg je een aardig beeld van Velázquez’ techniek, zonder dat je naar het buitenland hoeft. Want er hangt niet één doek van de Spaanse meester in Nederland. De meeste schilderijen hangen in het Prado in Madrid en het is helaas te lang geleden dat ik deze voor het laatst zag. In New York zag ik 6 jaar geleden 5 werken in het Metropolitan Museum, eentje in de Frick Collection en vorig jaar in Sint-Petersburg drie doeken in het Hermitage. Met de editie van Taschen kun je prima op details studeren want de reproducties zijn redelijk, de uitsneden bewust gekozen en altijd op ware grootte.

Wat mij telkens weer verbaast bij Velázquez is de enorme vrijheid waarmee hij schildert. In de tegenwoordige tijd wel te verstaan, want zijn penseelstreek is zo vitaal dat je hem nog steeds aan het werk kunt zien. Ik heb een mateloze bewondering voor fijnschilders en andere perfectionisten die de verf onzichtbaar kunnen maken en meester zijn in de stofuitdrukking. Maar de schilders die mij het meest boeien, blijven toch degenen die balanceren tussen nonchelance en preciezie, tussen verf en voorstelling. Daarvoor is een vertrouwen nodig, een loslaten, een vermogen om door de verf heen te kijken naar het beeld dat aan het ontstaan is. Dan openbaart zich voor mij het geheimzinnige van schilderkunst, dat de voorstelling zowel door de verf als in de verf verschijnt. Er openbaart zich een nieuw beeld dat er nog nooit eerder was, een beeld in verf. Dat is het mysterie dat de fotografie mij niet bieden kan. Schilderen kan het zien ‘openbreken’, onze waarneming van de werkelijkheid kwadrateren.

De fotografie biedt weer een heel ander mysterie dan de schilderkunst: het mysterie van de tijd. De tijd wordt pas geopenbaard wordt als het moment volmaakt wordt stopgezet. Omdat we nu gewend zijn geraakt aan de foto, lijkt dit mysterie verdwenen. Pas als we 19e eeuwse daguerotypes zien, dringt weer enigszins tot ons door, welke openbaring een foto eigenlijk is en wat onze voorouders gezien moeten hebben.
Johannes Vermeer is natuurlijk hét voorbeeld van een schilder die, dankzij de camera obscura, oog had voor dit mysterie. Pas in de 19e eeuw kon het door het nieuwe medium van de fotografie ten volle geopenbaard worden. Het ogenschijnlijk koele en beheerste temperament van Vermeer, dat tot uitdrukking komt in een weloverwogen en uitgebalanceerde toets, is veel geschikter om het moment te bevriezen, dan het vurige temperament van de Sevillaanse Velázquez’, wiens stijl vooruitloopt op het pictorale vuurwerk van de impressionisten.
De paradox is dat juist de laatsten met de fotografie gingen wedijveren in de vastlegging van het moment. De fotografie kon het moment nog niet in kleur vastleggen, de impressionisten wél! Met als gevolg dat het handschrift maximaal los werd en de vormen zich ontbonden in een delirium van gekleurde vlekjes.
José Lopez-Rey - bibliografie:
Velázquez: A Catalogue Raisonné of His Oeuvre, with an Introductory Study. London: 1963
Velázquez’ Work and World. London: 1968
Velázquez: the Artist as a Maker with a Catalogue Raisonné of the Extant Works. Lausanne: Bibliothéque des Arts, 1979
Francisco de Goya. London: , 1951
A Cycle of Goya’s Drawings: the Expression of Truth and Liberty. London: Faber and Faber, 1956
Goya’s Caprichos: Beauty, Reason & Caricature. Princeton: Princeton University Press, 1953
Peter Greenaway is voornamelijk bekend als cineast maar treedt naast zijn activiteiten als filmmaker ook met enige regelmaat op als gastcurator, kunstenaar, schilder, schrijver, theatermaker, componist, documentairemaker en filmcriticus. Voor het theater maakt hij experimentele opera’s.
Greenaway is geboren in Newport, Wales in 1942 en volgde een opleiding tot schilder aan het Walthamstow College of Art. In 1965 trad hij in dienst bij het Central Office of Information. Hier monteerde hij elf jaar lang documentaires en binnen een jaar maakte hij daar zijn eerste experimentele films.Zijn eerste korte film die succesvol werd verspreid was Interval. Hij maakt verschillende korte films in de eerste helft van de jaren zeventig maar kwam pas onder de aandacht op festivals met A Walk Through H and Vertical Features Remake (1978), waarin zijn fascinatie voor numerologie een prominente rol in neemt. In 1980 maakte hij zijn debuut als speelfilmregisseur met The Falls, een documentaire die zich afspeelt in de toekomst. Met zijn film The Draughtsman’s Contract uit 1982 verwierf Greenaway definitief zijn plaats in de voorhoede van de wereldwijde experimentele filmwereld.
In 1983 maakte Greenaway in opdracht van de BBC documentaires over componisten Robert Ashley, John Cage, Philip Glass en Meredith Monk. Pas in 1985 regisseerde hij weer een speelfilm, A Zed and Two Noughts. The Belly of an Architect en Drowning by Numbers volgden.
Greenaways Amerikaanse doorbraak kwam met de film The Cook, the Thief, His Wife and Her Lover (1989). Hierop volgend bracht de regisseur zijn meest experimentele film uit: Prospero’s Books, een radicale interpretatie van Shakespeare’s The Tempest. In de jaren negentig verschenen verschillende documentaires en films van Greenaways hand, waaronder The Baby of Macon, Stairs 1 Geneva, The Pillow Book, en 8 1/2 Women. Maar ook schreef hij het libretto voor Writing to Vermeer en richtte hij de tentoonstelling The Physical Self in het Rotterdamse Boymans van Beuningen in.
Bron: hollandfestival.nl
Weer eens wat gebladerd door de prachtige bundel met alle jaargangen van Camera Work dat tussen 1903 en 1917 werd uitgegeven door de fotografen Edward Steichen (1879-1973) en Alfred Stieglitz (1864-1946) in New York. Camera Work heeft er in belangrijke mate toe bijgedragen dat de fotografie zich in de twintigste eeuw tot een kunstvorm kon ontwikkelen. Duidelijk is te zien hoe de fotografie zich losmaakt van de schilderkunst en de fotografie gaat kiezen voor ongewone uitsneden, composities en momentopnamen.
De mooiste foto’s vind ik persoonlijk de stadsbeelden uit New York van Alfred Stieglitz, de poetische (portret)foto’s van Clarence H. White, de stillevens van Baron A. de Meyer en de portretten van Frank Eugene. Bij de laatste is de fotografie vrij letterlijk verbonden met de schilderkunst. In de laatste nummers van Camera Works die verschenen tijdens de Eerste Wereldoorlog is het modernisme van de twintigste eeuw definitief aangebroken. Dat is vooral heel duidelijk te zien in de straight photography van Paul Strand
