symbolisme en vroege abstractie in Nederland 1890-1920
De laatste weken ben ik weer aan het lezen over het ontstaan van de abstracte kunst. Vorige maand schreef ik hier al iets over de schilder-mysticus Janus de Winter uit Utrecht. Hoe meer je gaat lezen over de vroege abstractie, hoe meer je ziet dat deze ontstaan is vanuit een belangstelling voor het ongeziene. Vanaf 1885 heeft het symbolisme het impressionisme opgevolgd als de heersende stroming in de kunst. In tegenstelling tot de impressionisten richten de symbolisten de blik naar binnen. Hun voorstellingen zijn vaak allegorisch, traditioneel technisch en vaak met een nadruk op de lijn. Sommige symbolisten zijn aanhangers van een occulte beweging zoals de Theosofische Vereniging en de Rozenkruizers.
De symbolistische kunst nam vooral in de literatuur maar ook in de schilderkunst geëxalteerde vormen aan. De Eerste Wereldoorlog maakte daar in één klap een einde aan. Het absurdisme van Dada richtte zich tegen alles dat zich wilde verheffen, maar zou door zijn anarchistische en cynische karakter nooit een massakunst voortbrengen. ( Overigens zie ik de parallel tussen de kunststromingen symbolisme en dada en de subcultuur van flowerpower en punk . In de conjunctuur van de geschiedenis volgt op een periode van optimistische spiritualiteit wel vaker een tegenreactie van rauw cynisme.) Het waren de opvattingen van De Stijl en het Bauhaus die het sobere, serene gezicht van de toekomst gingen bepalen en van waaruit de Nieuwe Zakelijkheid zich zou ontwikkelen.

Enkele van mijn boeken over de vroege abstractie. Twee tentoonstellingscatalogi van het Haags Gemeentemuseum, Kunstenaren der idee (1981) en Het onzichtbare zichtbaar gemaakt (1987) en twee monografieën over Albert August Plasschaert en Janus de Winter
De bekendste kunstenaar die uit deze spirituele beweging aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw is voortgekomen, is natuurlijk Mondriaan. Maar Nederland had meer schilders die zich al in een vroeg stadium met de abstractie bezighielden, maar die nu in de vergetelheid zijn geraakt: Janus de Winter, Jakob Bendien, Adriaan Korteweg, Jacoba van Heemskerck en Albert August Plasschaert.

Het ‘afbeelden van het onzichtbare’ uit de astrale en mentale wereld, is ook het doel geweest van diverse kunstenaars, die vanaf 1916 exposeerden in het Huis der Zielekunst in Den Haag. Onbetwiste leider van de groep, de schilder-schrijver
Alb. A. Plasschaert - ook werkend onder het pseudoniem
Anjana Bertos - niet te verwarren met zijn neef de kunstcriticus, Albert Plasschaert - probeert door middel van ‘mystieke lijn - en kleursymphonieën’ zijn geesteservaringen uit te drukken, die hij verder toelicht in talloze, zeer duistere lezingen en geschriften. In 1918 en 1919 is hij redacteur van
De Derde Weg, het tweemaandelijks tijdschrift van
Huis 202. Daarin verschijnen gedichten en opstellen, soms met tekeningen, die nogal evangelistisch aandoen, zoals O! God te dienen.
Ook Joh. Tielens blijkt geëxposeerd te hebben in het
Huis der Zielekunst, met een schilderij
De Jaargetijden. Deze schilder-mysticus, wiens naam al voorkomt in de catalogus van de hierboven genoemde tentoonstelling van leden van de
Theosofische Vereeniging in 1904, heeft vooral meegedaan aan exposities van de Rotterdamse kunstenaarsgroep
De Branding. De leden van deze groep gingen er van uit dat ‘kunst, godsdienst en filosofie de taak hadden de mensheid weer bewust te maken van de diepere eenheid, de geestelijke achtergrond van al het bestaande…’, een doelstelling, die ook door de kunstenaars van het
Huis der Zielekunst werd onderschreven. Volgens
Laurens van Kuik, lid van
De Branding is de weg tot de kennis van het onbewuste ‘de zelfinkeer, de doordringende concentratie van de bewustzijns-aandacht op het innerlijk zielsgebeuren, zoveel mogelijk met uitsluiting van de indrukken der buitenwereld’, een gedachte die sterk overeenkomt met het belang dat de theosofen hechten aan de meditatie, als middel om hoger bewustzijn te bereiken.

Albert Plasschaert, O! God te dienen.
Opus 1737. Uit: De Derde Weg 1 (1919)
Plasschaert’s tekeningen laten een drang naar het grenzeloze zien, een sterk verlangen naar het opgaan in het geestelijke en naar een ontbinding van het stoffelijke
Een ware broedplaats van allerlei stromingen en mensen met hoge opvattingen over kunst en kunstenaars was het Gooi, met name Laren en Blaricum, waarvan
Herman Hana later nog een fraaie beschrijving geeft. In dit verband moet de schilder
Karel Schmidt genoemd worden, die in 1915 in
Blaricum kwam wonen en daar in 1918 het genootschap
De Smeden oprichtte, dat in september en oktober van dat jaar een grote tentoonstelling hield in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Op die tentoonstelling waren diverse psychologische portretten, waarschijnlijk ook het Lotsportret van
Wilhelmina (cat. nr. 119), waarop aura-achtige vormen te zien zijn.
Schmidt gaf hierin niet de gelijkenis van de geportretteerden weer, maar wat zij uitstraalden.
Margaretha Verwey geeft in haar autobiografie een karakterisering van het werk van
Schmidt en zijn medestanders: ‘Kosmisch werk zou ik het willen noemen. Een weergeven niet van de dingen die wij met uiterlijke oogen zien, maar een weergeven van wat achter de dingen ligt, een zien van het ongeziene.’
Bron:
dbnl.org
achtergronden bij het symbolisme | Theosofie in de Nederlandse kunst