in ’s-Heerenberg tot 1 november 2007

Bron: huisbergh.nl

In de eerste Balkanoorlog, die op 17 oktober 1912 was uitgebroken, werden de Turken in vier weken uit Europa gejaagd. Vervolgens waren er 63 diplomatieke ontmoetingen nodig om het vrijgekomen Macedonië te verdelen en dus nieuwe grenzen op de Balkan vast te stellen. Tenslotte werd op 30 mei 1913 de vrede getekend door de betrokken landen, onder het toeziend oog van de Europese grootmachten. Maar deze vrede was van korte duur omdat Bulgarije zich tekort gedaan voelde ten opzichte van haar buurland Servië.
Griekenland moest daarentegen toezien hoe Bulgarije aan de Egeïsche zee kwam te liggen en op deze strategische plaats dus slavische (indirect Russische!) invloed moest tolereren. De Macedoniërs zelf werd niets gevraagd; ze moesten zich als ‘minderheid’ maar thuis voelen binnen het nieuwe Servië, Bulgarije en Griekenland. Precies een maand later brak alweer een Tweede Balkanoorlog uit, die op 10 augustus 1913 eindigde met een nederlaag voor Bulgarije. Een derde conflict op de Balkan, weer een jaar later, zou heel Europa in brand zetten.


Na het talenwonder van Pinksteren was er op Tweede Pinksterdag in Den Haag een herdenking van het ‘vertaalwonder’ (van) archimandriet Adriaan. Vader Adriaan heeft zeer veel betekend voor de orthodoxie in het Nederlandse taalgebied. Dankzij zijn enorme vertaalwerk kunnen orthodoxe gelovigen in Nederland, Vlaanderen en daarbuiten in hun eigen taal het Officie bidden van de Orthodoxe Kerk.

Dankzij de inspanningen van archimandriet Adriaan is het grootste deel van de boeken voor de goddelijke diensten in het Nederlands vertaald en uitgegeven, onder meer: het boek Apostel, bestaande uit de niet-evangelische boeken van het Nieuw Testament, en het Evangelie, het Liturgikon (sloezjebnik), het boek van de uren Horologion, het Sacramentarion (trebnik), de menea voor de twaalf maanden, de triodia en de heiligenlevens. V. Adriaan was praktisch tot de laatste dagen van zijn leven bezig met vertalen en daarbij maakte hij succesvol gebruik van de computer, waar hij goed mee had leren werken. Ondanks zijn eerbiedwaardige leeftijd celebreerde hij in het klooster alle door het Tipikon voorgeschreven diensten van de dagcyclus en op de dag van zijn overlijden was hij ook nog aanwezig geweest tijdens de Goddelijke liturgie en had hij de Heilige Geheimenissen van Christus ontvangen.
Bron: ruskerk.nl


Toen onderstaande postzegel op 15 oktober 1915 werd uitgegeven, was het middeleeuwse vestingstadje Ieper na twee verschrikkelijke veldslagen verwoest en stak de toen 600 jaar oude lakenhal als een ‘oude kies’ boven de ruïnes uit.

de andere zegels uit deze serie



Woensdag stond er op de voorpagina van Trouw een foto van Miranda van Kralingen als Bianca Castafiore. De Nederlandse operazangeres speelt op dit moment de Milanese Nachtegaal uit Kuifje in de musical Kuifje en de zonnetempel. Verderop in de krant een foto van de hele cast. Ik kreeg onmiddellijk medelijden met de hond die Bobbie moet spelen, zoals ik het met elk dier te doen heb dat avond aan avond in een musical moet komen opdraven. Sommige mensen kiezen ervoor, maar dieren wordt nooit wat gevraagd. Daarentegen werkte aan de muscial cats geen enkele kat mee, maar dat komt omdat katten te eigenzinnig zijn voor slaafse musicalpasjes en hun teksten niet kunnen onthouden. Maar de hond is door zijn spreekwoordelijke trouw onvermijdelijk de klos. Misschien dat Marianne Thieme het droevige lot van de musicalhond in de Tweede Kamer eens ter discussie kan gaan stellen…
Op een volgende pagina viel mijn blik op een foto van Hans Alders die ik altijd verwar met Hans Anders. Je hoeft maar een willekeurige Kuifje open te slaan, of je ziet wel ergens een Hans Alders lopen ergens op een trottoir op de achtergrond. Ik lees dat hij vertrekt als burgemeester van Groningen. Hij zou nu geweldig kunnen figureren in de Kuifjemuscial en daarna met een welverdiend pensioen naar Toontown.
Na mijn posts over de hel van Passendale, Verdun en Somme even een flinke ruk de andere kant op. Op het Fotofestival Naarden zijn foto’s te zien die Walter Blum in de jaren vijftig maakte. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog probeerde men collectief de herinneringen aan de verschrikkingen in roze wolken op te lossen: een babyboom die de blik op de toekomst deed richten en veel mierenzoete plaatjes in tere pasteltinten. Heerlijk om naar te kijken, maar het blijft natuurlijk een bedriegelijke droomwereld. De werkelijkheid had zijn grimmigste gezicht getoond en kon even niet meer verdragen worden.
Bent double, like old beggars under sacks,
Knock-kneed, coughing like hags, we cursed through sludge,
Till on the haunting flares we turned our backs,
And towards our distant rest began to trudge.
Men marched asleep. Many had lost their boots,
But limped on, blood-shod. All went lame, all blind;
Drunk with fatigue; deaf even to the hoots
Of gas-shells dropping softly behind.
Gas! Gas! Quick, boys! - An ecstasy of fumbling,
Fitting the clumsy helmets just in time,
But someone still was yelling out and stumbling
And floundering like a man in fire or lime.-
Dim, through the misty panes and thick green light,
As under a green sea, I saw him drowning.
In all my dreams before my helpless sight
He plunges at me, guttering, choking, drowning.
If in some smothering dreams, you too could pace
Behind the wagon that we flung him in,
And watch the white eyes writhing in his face,
His hanging face, like a devil’s sick of sin;
If you could hear, at every jolt, the blood
Come gargling from the froth-corrupted lungs,
Bitter as the cud
Of vile, incurable sores on innocent tongues,-
My friend, you would not tell with such high zest
To children ardent for some desperate glory,
The old Lie: Dulce et decorum est
Pro patria mori.

Dubbel gebogen, als oude bedelaars onder hun lasten
Op x-benen en hoestend als oude wijven,
vloekten we ons een weg door slijk
Tot we onze rug keerden naar de niet aflatende vuurpijlen
En begonnen terug te sjokken naar onze verre rustplaats
Mannen marcheerden slapend. Velen waren hun laarzen kwijt
Maar hinkten verder, tot bloedens. We raakten allemaal lam, allemaal blind;
Dronken van uitputting; doof, zelfs voor de sirenes
Waarschuwend voor gasbommen die stil achter ons neervielen.
Gas! Gas! Snel, jongens! Opgejaagd rommelend
Aan onhandige gasmaskers, net op tijd.
Maar iemand stond nog te schreeuwen en struikelde
En spartelde als een man in het vuur of onder de lijm
Vaag, door nevelslierten en in dikke groene schijn
Als in een groene zee, zag ik hem verdrinken.
In al mijn dromen, stort hij zich op mij,
Gulpend, stikkend, verzuipend, en ik kijk hulpeloos toe.
Als ook jij in verstikkende dromen eens kon opstappen
Achter de kar waarop wij hem gooiden
En het wit van zijn ogen in zijn gezicht zien draaien
Zijn hangende mond, als van een duivel ziek van zonde
En ook jij bij elke schok, het bloed kon horen
Opborrelend uit zijn door schuim bezoedelde longen,
Smerig als een kanker, bitter als etter
Van walgelijk oude, ongeneeslijke wonden in onschuldige monden,
Mijn vriend, dan zou je niet met zoveel ijver,
Aan kinderen snakkend naar wanhopige roem,
De oude leugen vertellen: Dulce et decorum est
Pro patria mori.
Wilfred Owen
1917 in many ways was the pivotal year in his life, although it was to prove to be his penultimate. In January he was posted to France and saw his first action in which he and his men were forced to hold a flooded dug-out in no-man’s land for fifty hours whilst under heavy bombardment. In March he was injured with concussion but returned to the front-line in April. In May he was caught in a shell-explosion and when his battalion was eventually relieved he was diagnosed as having shell-shock (’neurasthenia’). He was evacuated to England and on June 26th he arrived at Craiglockhart War Hospital near Edinburgh.
Had Owen not arrived at the hospital at that time one wonders what might have happened to his literary career, for it was here that he met Siegfried Sassoon who was also a patient. Sassoon already had a reputation as a poet and after an awkward introduction he agreed to look over Owen’s poems. As well as encouraging Owen to continue, he introduced him to such literary figures as Robert Graves (a friend of Sassoon’s) which in turn, after his release from hospital, allowed Owen to mix with such luminaries as Arnold Bennett and H. G. Wells.
The period in Craiglockhart, and the early part of 1918, was in many ways his most creative, and he wrote many of the poems for which he is remembered today. In June 1918 he rejoined his regiment at Scarborough and then in August he returned to France. He was awarded the Military Cross for bravery at Amiens, but was killed on the 4th November whilst attempting to lead his men across the Sambre canal at Ors. The news of his death reached his parents on November 11th 1918, the day of the armistice.

Ik werd getroffen door de foto op de cover van het boek, maar liet het vrijdag uiteindelijk toch liggen in de bookshop van het IFFM Wel een beetje spijt van nu … In ieder geval ben ik blij dat ik de foto via het web weer gevonden heb.
Zuster Margriet (1883-1977) was een diepreligieuze vrouw en in dienst van de jeugd een bekwame onderwijzeres. Zo gaf ze vele jaren (voor en na De Grote Oorlog) het zesde studiejaar bij de Zusters van Maria (stichting Lamotte) in de Rijselsestraat in Ieper. Dat ze van geen kleintje vervaard was, bleek algauw toen ze zelfs tijdens de zwaarste Duitse artilleriebeschietingen in 1914 en 1915 in Ieper wou blijven. Samen met de pastoor van de Sint-Pietersparochie Camille Delaere en commandant Young van de quakers maakte ze zich erg verdienstelijk bij het helpen van bejaarden en kinderen.Zuster Margriet (1883-1977) was een geboren en getogen Ieperse. Haar meisjesnaam was Emma Boncquet. Haar vroeg overleden vader was bakker Edmond Boncquet in de Rijselsestraat. Op 17-jarige leeftijd stapte Emma de kloosterpoort binnen, volgde een opleiding voor onderwijzeres en gaf dan gedurende vele jaren les in de Lamotteschool. Maar net als van duizenden andere Ieperlingen werd haar eenvoudige levensstijl tijdens de Eerste Wereldoorlog zwaar verstoord. Toen Ieper na 7 oktober 1914 wekenlang onder zwaar Duits artillerievuur kwam te liggen, kozen vele Ieperlingen hun heil in de vlucht. Anderen aarzelden en meenden dat de beschietingen maar tijdelijk zouden zijn. En inderdaad, tijdens de jaarovergang 1914-1915 brak er een kalmere periode aan. Vele gevluchte Ieperlingen keerden terug naar hun woonhuizen. Maar toen brak in de belegerde stad de gevreesde tyfus uit.
Bron: wo1.be
Voordat we vrijdagmiddag vanuit Ieper weer naar huis reden, bezochten we ten noorden van Ieper bij het plaatsje Boezinge nog twee lokaties uit de Grote Oorlog: de Yorkshire trench en de site John McCrae
De Yorkshire Trench is in 1992 ontdekt en door de diggers gerestaureerd. Hier vond op 22 april 1915 de eerste Duitse aanval met chloorgas plaats. Opvallend, bijna macaber vond ik de vreselijke stank op deze plek, waarschijnlijk afkomstig van het industrieterrein van Ieper dat zich tegenwoordig uitstrekt langs het kanaal tot aan Boezinge. Het is een bizarre lokatie: wat eens het slagveld Boezinge was, is sinds een paar jaar een onooglijk industrieterrein. De loopgraaf en de ondergrondse dug-outs liggen nu tussen twee loodsen en elke dag stoppen er bussen met schoolkinderen voor een ‘loopgraafervaring’. De loopgraaf is fraai geconserveerd maar de meters diepe dug-outs staan vol met grondwater. Voor de soldaten in 1915 was er naast de strijd boven de grond in de dug-outs ook een voortdurende strijd tegen het grondwater.

Vlak ten zuiden van deze plek aan de andere kant van het kanaal ligt de site John McCrae waar het beroemde gedicht In Flanders Fields is geschreven. Lopende langs de graven van de soldaten van de West Riding Division die hier tijdens de Tweede Slag om Ieper (april-mei 1915) zijn omgekomen, kreeg het gedicht voor mij zijn maximale betekenis: “Between the crosses, row on row that mark our place” en vooral “We are the dead". McCrae heeft de doden voor altijd een stem gegeven. De doden zélf leven voort en het is niet alleen hun naam zoals op elk Brits monument van de Grote Oorlog staat geschreven:

Tijdens de tweede slag bij Ieper bevond zich in het plaatsje Boezinge een verpleegpost waar de militaire arts John McCrae werkzaam was. Hij was van Canadese afkomst, geboren in 1872, en had zich onderscheiden in de Boerenoorlog (1899-1902) waaraan hij als arts-vrijwilliger had deelgenomen. In 1901 nam hij ontslag uit militaire dienst en wijdde zich aan een medische carrière tot op 4 augustus 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak en hij zich opnieuw meldde als vrijwilliger. Hij werd benoemd tot arts bij de First Brigade van de Canadian Field Artillery.In Flanders fields
In Flanders fields the poppies blow
Between the crosses, row on row
That mark our place; and in the sky
The larks, still bravely singing, fly
Scarce heard amid the guns below.We are the dead. Short days ago
We lived, felt dawn, saw sunset glow
Loved, and were loved, and now we lie
In Flanders fields.Take up our quarrel with the foe:
To you from failing hands we throw
The torch; be yours to hold it high.
If ye break faith with us who die
We shall not sleep, though poppies grow
In Flanders fields.Lieutenant Colonel John McCrae, 1872-1918
about John McCrae [ firstworldwar.com ] | poëzie en proza uit de loopgraven


Paul Nash (1889 - 1946)
At the outbreak of World War I, Nash enlisted in the Artists’ Rifles and was sent to the Western Front in February 1917 as a second lieutenant in the Hampshire Regiment. A few days before the Ypres offensive he fell into a trench. He broke a rib and was invalided home. While recuperating in London, Nash worked from his front-line sketches to produce a series of drawings of the war. This work, which shows the influence of Blast and the Vorticist movement, was well-received when exhibited later that year at the Goupil Gallery.As a result of this exhibition, Charles Masterman, head of the government’s War Propaganda Bureau (WPB) recruited Nash as an official war artist. In November 1917 he returned to the Western Front where his drawings resulted in his first oil paintings. Nash’s work during the war included The Menin Road, We Are Making a New World, The Ypres Salient at Night, The Mule Track, A Howitzer Firing, Ruined Country and Spring in the Trenches. They are some of the most powerful and enduring images of the Great War painted by an English artist.
Bron: en.wikipedia.org

Gepland staat o.a. een bezoek aan het oorlogsmuseum In Flanders Fields

Wereldoorlog in de Westhoek [vlaams]
Passendale 1917-2007
The Great War [Amerikaans]
Three views of Ieper 1914-1918-1988
Gepland staat een bezoek aan het l’ Historial de la Grande Guerre
Op 1 juli 1916 begon de Slag aan de Somme. Dit offensief was een gezamelijke geallieerde inspanning van het Britse en Franse leger. De veldslag werd voorafgegaan door een zeven dagen durend Brits bombardement dat was bedoeld om alle prikkeldraadversperringen op te ruimen en de Duitse stellingen met hun bezettingen volledig te vernietigen. De Britse soldaten werd beloofd dat ze tijdens hun opmars geen Duitsers zouden zien behalve dode. De werkelijkheid was anders: van de 66.000 Britse militairen die om 7.30 uur uit de aanvalsposities vertrokken, waren naar schatting na het eerste uur al 30.000 uitgeschakeld: gedood of gewond. De totale Britse verliezen aan het einde van deze eerste dag waren 57.470 man: 19.240 doden, 35.493 gewonden, 2.152 vermisten en 585 krijgsgevangen. Het was het zwaarste verlies dat de Britten ooit hebben geleden op een enkele dag tijdens een oorlog. De Duitsers verloren op deze dag naar schatting ongeveer 8.200 man.WO I algemeen
de slag aan de Somme
Somme battlefields official website [engelstalig]
Somme 1916 [engelstalig]
The Great War [Amerikaans]
Gepland staan o.a. een bezoek aan het Mémorial de Verdun en het Ossuaire de Douaumont

WO I algemeen
Slag bij Verdun
verdun-douaumont.com
The Great War [Amerikaans]
Kaarten [westernfrontassociation.com]
The book’s five chapters describe and explain the major parts of the design process: layout and composition, colour, texture, typography, and imagery. Everything is explained in a straightforward and, as far as I can tell, correct way.The Principles of Beautiful Web Design | colorcard | sample chapter
Piero della Francesca (ca. 1416 - 1492) is in de twintigste eeuw waarschijnlijk populairder geworden dan Rafaël. Zijn werk oogt verrassend modern. Monumentaal, streng van vorm en met een mysterieuze afstandelijkheid van zijn figuren, spreken zijn fresco’s en panelen de meesten van ons direct aan. Een van zijn mooiste werken en een van de mooiste voorstellingen van de geboorte van Christus die ik ken, hangt in de National Gallery in Londen. Alles en iedereen staat hier zo op zijn en haar plek (ook de ekster links op het dak hoort er helemaal bij). En dan die eigenaardige voorgrond. Waarom geen mooie egale grasmat zoals bij Rafaël, maar deze archipel van graspollen? Heeft de schilder met deze verscheurde grasmat, de verscheurdheid van de wereld willen verbeelden waarin God mens wordt? Voor het beeld maakt de interpretatie weinig uit: visueel blijft de verbrokkeling op de voorgrond intrigerend terwijl het totale beeld toch grote helderheid blijft uitstralen.

Deze zomer is in Umbrië de tentoonstelling Piero della Francesca e la corti Italiani te zien. Drie musea doen mee: het Museo Statale d’Arte medievale e Moderna in Arezzo , het Museo Civico in Sansepolcro en in het Museo Madonna del Parto in Monterchi.

Piero della Francesca (ca. 1416 - 1492) was een Italiaanse kunstenaar wiens werk door zijn interesse voor wiskunde wordt gekenmerkt, in het bijzonder in verband met perspectief en het werken met diepte. Hij schreef een verhandeling De prospectiva pingendi over hoe de regels van wiskundige diepte op ieder voorwerp zouden kunnen worden toegepast, bijvoorbeeld op een kubus of menselijk hoofd. Minder duidelijk in zijn werk is zijn significante bijdrage tot de „humanistische“ vertolking van figuren in specifiek het schilderen van zijn vertolkingen van Christus. Het grootste deel van zijn leven bracht hij door in Arezzo en zijn geboortestad, Borgo San Sepolcro in Toscane. Hij studeerde onder Domenico Veneziano in Florence. Eén van Francesca’s bekendere studenten is de architect en schilder Donato Bramante.
Bron: nl.wikipedia.org
pierodellafrancesca.it | mostrapierodellafrancesca.it
Piero della Francesca in de Web Gallery of Art
Vijf weken geleden zag ik Hitchcock’s klassieker Vertigo (1957) en gisterenavond keek ik naar Rebecca (1940). De twee films hebben een duidelijke overeenkomst: een mooie jonge vrouw wordt beheerst door de geest van een overleden vrouw en raakt steeds meer verstrikt in een nachtmerrie. Terwijl Kim Novak in Vertigo in het begin het boze spel meespeelt , is Joan Fontaine vanaf het begin de blanke onschuld zelve en dus het volmaakte slachtoffer.

Het personage dat Joan Fontaine speelt is niet alleen mooi, maar ook kwetsbaar, een fatale combinatie, zodat ik meteen voor haar viel. In Rebecca speelt zij een ‘gewoon meisje’ dat trouwt met een door de herinneringen aan de dood van zijn eerste vrouw Rebecca achtervolgde rijkaard Laurence Olivier, die een spookachtig Citizen Kane-achtig landgoed bewoont. Wat volgt is een boosaardig sprookje waarin Hitchcock het fileermes zet in het huwelijk van de twee. Hitchcock mag dan de titel ‘master of suspense’ dragen, in Rebecca gaat het niet om spanning, maar om de door herinneringen gekwelde menselijke psyche. De scène halverwege de film waarin het getrouwde stel de kwaliteit van hun huwelijk bespreekt, is groots. “Our marriage is a succes, isn’t it? A great succes", roept de vrouw bezwerend uit, om te vervolgen met: “We’re happy, aren’t we? Terribly happy". Wie houdt het vervolgens droog bij het ineenkrimpen van de vrouw onder de mokerslag die de getormenteerde man op haar laat neerdalen: “Happiness is something I know nothing about".verzameling
Een straaljager trekt een streep door de hemel
Een merel slaat alarm
Het grasveld vergeelt onder mijn handen
De mollen hebben het warmDe man op de bank in de gloeiende zon
Praat over Zwitserland
Waar de wereld haar geld bewaart
Hij had vroeger ook iets gespaard maar wat
Is ie vergeten
Maar goed ook zegt ie, gek
Hoe alles op den duur
In een verzameling ontaardEn hij kan het weten
Hij had dozen vol bladeren
Een hele herfst in een kast
Hij zei: in mijn strijd tegen de tijd
Vormt alles wat valt een houvastEn het is voor zijn bestwil
Dat hij hier zit
Staart en eet en slaapt
Maar ik weet wat ze onder helpen verstaan
Ze hebben het met de kat gedaan
Die ligt nu lui en vadsig voor de haard
De schemering sluipt
Over het grasveld
De nacht staat op een kier
De man op de bank wordt langzaam doorzichtig
Ik was liever bij jou
Maar ik ben hierBron: waltertje.com
The roots of painting from life are found in 19th-century Europe. Englishman John Constable believed the artist should forget about formulas and trust his own vision in finding truth in nature. To find that truth, he made sketches outdoors, then elaborated on them in the studio.Frank LaLumia
These realists, as they came to be called, laid the groundwork for the mid-19th century revolution in France that took painting from life to its logical conclusion. Lead by Edouard Manet, Claude Monet, Edouard Degas, Auguste Renoir, et. al. the impressionists espoused the belief that you should trust your eyes. Using newly developed theories of how the eye physically registers color, they maintained that what you saw in nature was not form, but rather light on form. And light could be conveyed by color. To prove their theories, they took their paint tubes and easels outdoors, where they re-created the world as colors which suggested light. Rebuffed at first for what appeared to be unfinished paintings, the impressionist vision soon became a standard for truthfully conveying the outdoor experience.
Painting en plein air (in the open air) would forever change how we see the world. Artists in the United States were attracted to the concept, and many, like Californian Guy Rose, traveled to France to study with Monet. Suddenly, places with remarkable light were of particular interest to painters, including the both the East and West Coasts, and the American Southwest, where painting colonies formed. The goal of teachers and students alike was to capture the light and colors peculiar to the place.Nel
Hoe gaat het toch met
Je weet wel
Zij
Met die te vroeg te grote
Ze liet me altijd
Zo verbaasd beminnen
En vroeg daarna
Waarom je dat deed
Je zei dan
Dat het je speet
Maar dat dacht je nietHoe heet ze nu toch
Je weet wel
Ze was toen getrouwd met die dichterBeroemd geworden om zijn
Op haar lijf geschreven verzen
Dan ben ik dichterbij
Dichtte hij
Toen zijn naam
Van de bestsellerslijst
Verdwenen was
Ging hij ook snelHoe gaat het toch met
Je weet wel
Is haar zoon
Nu werkelijk bij z’n vaderZe zeggen
Dat ze met die jongen sliep
En toen de rechter vroeg
Waarom ze dat deed
Heeft ze zich
Voor zijn ogen
Uitgekleed
Toen begreep die rechter het welBron: nomorelyrics.net
Vijfentwintig jaar geleden, in het voorjaar van 1982, draaide ik platen van Herman van Veen grijs. Aan het onderstaande lied heb ik een bijzondere herinnering. Ik had net eindexamen VWO gedaan en het zag er naar uit dat ik gezakt was. Ik wachtte de uitslag niet af, maar gaf eind mei alvast een feest. Een oom van mij had een grote boerderij en in een van de schuren op het land mochten we de beest uithangen. Als voorproef op het komende studentenleven, braken we de nacht door. Toen het licht werd, liet ik met een kater om half vijf ’s morgens keihard Ochtend in de stad over de weilanden schallen:
Die nacht en die morgen zouden niet alleen een voorproef zijn op het studentenleven, maar ook op de weltschmerz en de wrange ‘verzachtende’ humor van het adolescentenbestaan.
Ochtend in de stad
Licht gaat branden achter sommige gordijnen
Hier en daar een mens op straat, ietwat verdwaald
Rokershoest weerklinkt alom, lantarens kwijnen
Als er hier een haan was, had ie al gekraaidMensen overwegen om in bed te blijven
Zien er toch maar weer vanaf uit goed fatsoen
En een oude man wordt wakker met een stijve
Maar heeft niemand om een vluggertje te doenErgens laat zich al de helse toeter horen
Van een matineuze heer in het verkeer
Achter grote gele vensters van kantoren
Zijn de werksters met hun emmers in de weerEn wie in zijn diepste nachtelijke dromen
Is gezworven naar de bron van zijn bestaan
Mag zo dadelijk weer op het matje komen
Aangezien hij een vergissing heeft begaanNet als vroeger is er weer een dag geboren
Maar de jaren van verwondering zijn voorbij
En ook zijn er hier geen vogels meer te horen
Behalve twee minuten op de vierde meiMaar ach, het leven nam ons allen op de korrel
En de dood genaakt met een klapperend gebit
Ja, wij verlangen naar het uur dat de eerste borrel
Goed en wel weer achter onze kiezen zit
8 mei 1975. Tweeëndertig jaar geleden, een week voor mijn twaalfde verjaardag, viel deze PEP op de mat. Het was mijn eerste kennismaking met Lefranc, een personage van de Franse striptekenaar Jacques Martin (bekend van de reeks Alex). Ik was zo onder de indruk van Het sein staat op rood dat ik zelf een stripverhaal begon te tekenen. Toen de meester in de zesde klas van de lagere school mij vroeg wat ik wilde worden, wist ik het wel. In de klas moesten ze lachen natuurlijk, maar het was heel serieus bedoeld. Tot mijn achttiende bleef ik mijn jongensdroom koesteren en tekende ik vele verhalen.
Drie decennia later zijn er in Nederland nauwelijks nog striptekenaars omdat er onder de jeugd weinig strips meer worden gelezen. Jongens van twaalf spelen liever computerspelletjes en vinden strips waarschijnlijk maar suf. Maar toen Lefranc in 1952 het levenslicht zag, was dat anders. In de moralistische jaren vijftig vonden de ouders strips niet fatsoenlijk en Lefranc moet voor de jeugd ooit een hippe held geweest zijn. Moeilijk voor te stellen. Lefranc is voor mij nostalgie geworden en Het sein staat op rood blijft een prachtig, rijk geïllustreerd jongensboek.

Jacques Martin (Straatsburg 25 september 1921) is een Frans striptekenaar. Samen met Hergé (Kuifje) en Edgar P. Jacobs (Blake en Mortimer) wordt hij tot de drie groten van de zogenaamde “Brusselse school” gerekend. In zijn jeugd had Jacques Martin drie passies : klassieke kunst, stripverhalen en geschiedenis. Hij schrijft zich in voor een opleiding aan de school “Kunst en beroep” waar hij een puur technische opleiding krijgt. Maar het artistieke neemt dan toch de bovenhand. (…) In 1948 creëert hij de reeks Alex dat in het weekblad Kuifje verschijnt. In dat zelfde weekblad verschijnt in 1952 zijn nieuwe creatie Lefranc.
Hergé en Martin
in de jaren vijftigIn 1953 treedt hij toe tot de studio Hergé, waar hij meewerkt aan diverse avonturen van Kuifje. Maar zijn eigen creaties vergeet hij niet : in de Kuifje-periode die 19 jaar duurt, publiceert hij zeven Alex- en drie Lefranc albums. Nadat hij Kuifje verlaat, publiceert hij op 10 jaar tijd nog eens negen Alex- en vier Lefranc albums. En in 1978 start hij samen met Jean Pleyers de serie “Jhen”. In 1983 start hij “Arno” samen met André Juillard en in 1990 begint hij aan de reeks “Orion”. In 1996 verschijnt de 20e Alex. In 1998 ontsnapt Jacques Martin niet langer aan de tand des tijds : zijn ogen gaan erop achteruit en hij zoekt jonge artiesten om zijn levenswerk verder te zetten. Voor de reeks “Alex” werkt hij samen met Rafael Morales en voor “Lefranc” vindt hij een medewerker in Gilles Chaillet en later Christophe Simon, die dan ook al “Orion” heeft overgenomen.
Bron: nl.wikipedia.org


Windstil (Herman van Veen)
Jij in mijn agenda met Oost-Indische inkt
Hij op de veranda terwijl de merel zingt
Onder de bloeiende jasmijn, een stuk brood
En een glas wijn, jij zegt het en hij weet het
Het zou voldoende moeten zijnEn met jou in de buurt voor altijd
Voor altijd, voor altijd, voor zolang als dat duurt
En met jou in de buurt voor altijd
Voor altijd, voor altijd
Vergeet hij de tijdDe klok is stuk, de tijd staat stil
De lucht lijkt lila door m’n paarse zonnebril
Ze zitten en zwijgen want praten en denken
Is een grotere luxe dan die armband
die hij jou laatst heeft gegevenJij op je knieën in het pas gemaaide gras
Hij lui in een ligstoel op zoek naar z’n glas
Slaperig lees je ‘m iets voor
Tot ‘t aardedonker wordt
De buitenlucht omringt ze
Ze komen ’s zomers niks te kortEn met jou in de buurt voor altijd
Voor altijd, voor altijd, voor zolang als dat duurt
En met jou in de buurt voor altijd
Voor altijd, voor altijd
Vergeet hij de tijdHet is windstil geen blad beweegt
De muggen steken er zit onweer in de lucht
Ik lijk zo oplettend en het is zo ontzettend
moeilijk om wakker te worden als je alleen
maar geleerd hebt om te dromenZij in de keuken met de pannen in de weer
Hij voert de goudvis voor de tienmiljoenste keer
Heus dat beest heeft het toch goed
Want al is z’n kom te klein hij krijgt
op tijd z’n eten hij zou tevreden moeten zijnEn met jou in de buurt voor altijd
Voor altijd, voor altijd, voor zolang als dat duurt
En met jou in de buurt voor altijd
Voor altijd, voor altijd
Vergeet ik de tijd
Discografie van herman van Veen | 218 teksten van 218 liedjes




Gisteren een nieuwe digitale camera gekocht. Mijn vorige Olympus was in september bijna door de Rijn meegesleurd. Ik had het nog uit het water kunnen redden, maar het digitale hart van de camera heeft de ‘de kus van de rivier’ toch niet overleefd. Nu ik weer heel veel plein air ben, in de mooiste tijd van het jaar, is het dus de hoogste tijd voor vervanging geworden. Het is dus weer een Olympus en ik ben daar erg blij mee. Bovendien kan ik de oude geheugenkaartjes nu nog gebruiken.

Op de terugweg van de dozenschuiver in Bemmel, kwam ik langs een heerlijkheid in de Betuwe. Dertig jaar geleden was ik daar voor het eerst met de klas en onze lerares Engels. Wat een ontdekking was dat die plek, we waren net 14 en het leek wel eeuwig zomer. De meisjes plukten bloemen en de jongens plukten meisjes. Herinneringen aan die dag in 1977 en vooral aan een ongeneeslijke kalverliefde kwamen vanzelf terug op deze plek. In 1988 zijn er veel oude bomen gekapt en is er een weids gazon gekomen. Maar de vijver van het voormalige kasteel Hemmen (waar nu alleen nog wat fundamenten van zijn overgebleven) ligt nog altijd in het groen verzonken.

Prachtig dat zachte voorjaarslicht in het begin van de avond. Claude Monet had het hier misschien wel net zo mooi gevonden als in Giverny. Toen ik met 70 foto’s op zak weer wegreed, was alles zoals 30 jaar geleden: alle wegen omzoomd door bomenrijen en wuivend fluitekruid, zoals het begin mei hoort in de Betuwe.
Ooit las ik dat Alexander von Humboldt de laatste uomo universale is geweest, maar vanmorgen las ik in de krant dat Carl Friedrich von Weizsäcker dit geweest moet zijn. Zijn ouders waren gezegend met twee beroemde zonen, net als de ouders van Alexander von Humboldt en August Wilhelm Schlegel . Carl Friedrich’s jongere broer Richard von Weizäcker was van 1984 tot 1994 bondspresident. Over Carl Friedrich wordt wel eens beweerd dat hij Hitler bijna een atoombom heeft geleverd, maar dat verhaal is nogal overtrokken. Vast staat dat hij door de verschrikkingen van Hiroshima en Nagasaki zijn leven als kernfysicus een andere draai heeft gegeven en daarna zijn leven heeft gewijd aan de filosofie en de wereldvrede.
Meer dan twintig jaar geleden kocht ik eens een boek van hem: Zum Weltbild der Physik (1943), dat in 1959 in een Nederlandse bewerking als Aula Pocket is verschenen. Uit dit vroege werk (hij was ongeveer 30 toen hij het schreef) blijkt al snel zijn hang naar universele kennis en zijn drang om wetenschap, filosofie en religie met elkaar te verbinden. Daarin treedt hij duidelijk in de voetsporen van zijn voorganger Gottfried Wilhelm Leibniz. Een van de hoofdstukken handelt dan ook over de Theodicee. In een ander hoofdstuk verbindt hij de filosofie van Immanuel Kant aan de quantumfysica. Later in zijn leven onderzoekt hij, net als de fysicus Wolfgang Pauli steeds dieper de relatie tussen moderne fysica en esoterische tradities, in het bijzonder de oosterse mystiek. Bij het grote publiek zijn deze inzichten vooral bekend geworden door boeken van Fritjof Capra en Gary Zukav.
Carl Friedrich von Weizäcker
studeerde van 1929 tot 1933 natuurkunde, wiskunde en astronomie met en onder Werner Heisenberg en Niels Bohr. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte hij mee aan het Duitse atoomprogramma dat tot doel had om energie op te wekken en een atoombom te ontwikkelen. Na afloop van de oorlog werd hij, samen met de andere wetenschappers uit dit programma, gearresteerd en geïnterneerd in Engeland. Von Weizsäcker stelde altijd dat hij en de betrokken wetenschappers afgesproken hadden dat Nazi Duitsland nooit een atoombom zou krijgen, een bewering waaraan sommige historici twijfelen.In 1946 keerde hij terug in Duitsland en was hij samen met filosoof Jürgen Habermas onder andere werkzaam als docent filosofie aan de Universiteit Hamburg en als onderzoeker en directeur bij de instituten van het Max-Planck-Gesellschaft. De dreiging van een atoomoorlog, de noord-zuid tegenstelling en milieuvraagstukken stonden centraal in deze instelling. Carl Friedrich was na de oorlog aanhanger van het pacifisme. Von Weizsäcker gold als de laatste Duitse “homo universalis", zowel onderlegd in fundamentele kwesties van de kwantumfysica als in de (natuur)filosofie.
Bron: nl.wikipedia.org
Funktionele vormgeving vraagt om een vormgeving die niet als vormgeving opvalt zodat alle aandacht op de inhoud valt. En waar is dat wenselijker dan bij de vormgeving van letters, waarbij betekenis zo helder mogelijk moet worden overgedragen? Typografie kun je enigszins vergelijken met een nieuwslezer: Je hebt zakelijke, afstandelijke en koele letters en letters met een meer eigen karakter. Je hebt hele mooie, vaak ook ijdele letters. Maar de Helvetica is ‘de Gerard Arninkhof’ onder de letters: hij is er wel, maar maakt zich zo ondergeschikt aan de boodschap, dat hij zelf niet meer opvalt.
Die 100 besten Schriften aller Zeiten
1. Helvetica
2. Garamond
3. Frutiger
4. Bodoni
5. Futura
6. Times
7. Akzidenz Grotesk
8. Officina
9. Gill Sans
10. Univers
Bron: 100besteschriften.de