
Bron: ballisticpublishing.com

Een enkele keer kom ik een schilder of illustrator tegen die mij aan alle kanten raakt. Souther Salazar heeft het vermogen een andere wereld zichtbaar te maken. Ik hou van zijn zachte vriendelijke kleurgebruik, zijn uitbundige visuele idioom, zijn rijke en goedaardige fantasie en zijn kinderlijke vanzelfsprekendheid. In de Verenigde Staten schijnt hij veel succes te hebben en terecht. Zijn expositie in de Jonathan Levine Gallery is afgelopen zomer in vier weken tijd uitverkocht. Behalve schilderijen maakt hij ook tekeningen, wandschilderingen en plastieken.

Souther Salazar’s work first began to circulate in the early 90’s, in the form of photocopied cut-and-paste microcomics and ‘zines made in his bedroom as a young teenager in rural Oakdale, CA. After graduating from Art Center College of Design in Pasadena, CA, he moved to Los Angeles. Souther Salazar exhibits his collages, paintings, drawings and sculptures in dense and frenzied installations that encourage exploration and participation by the viewer. His work has appeared in galleries in New York, Los Angeles, Portland and Tokyo, and in publications such as Kramers Ergot, Swindle and The Drama and a recent cover feature in Giant Robot.
Daags na de tentoonstelling Hollanders in Beeld in misschien wel het mooiste museum van Nederland, het Mauritshuis in Den Haag, wandel ik alle schilderijen nog eens na in de catalogus. De tentoonstelling is gemaakt in samenwerking met de National Gallery in Londen en was daar eerder dit jaar al te zien. In het voorwoord van de catalogus wordt opgemerkt dat de laatste grote overzichtstentoonstelling van Hollandse portretkunst alweer meer dan een halve eeuw geleden was.
Acht jaar geleden zag ik wel in hetzelfde Mauritshuis de tentoonstelling Rembrandt Zelf met uitsluitend zelfportretten van de meester. Maar Hollanders in beeld is veel breder opgezet en bestrijkt de hele zeventiende eeuw. Er is consequent gekozen voor portretten van (welgestelde) Hollanders, dus geen zelfportretten en tronies. Wel jammer, want daardoor ontbreekt het meisje met de parel van Johannes Vermeer. Maar die kun je gelukkig een verdieping lager bekijken, waar de topstukken van het Mauritshuis permanent hangen. Wél heel jammer is het ontbreken van een portret van Rembrandt’s leerling Jackob Backer. Deze van origine Friese schilder was in de jaren dertig en veertig samen met Rembrandt en Bartholomeus van der Helst een gevierd portretschilder in Amsterdam. Het Mauritshuis bezit nota bene vier schilderijen van hem waaronder het mooie portret de jongen in het grijs. Het is een gemiste kans dat hij niet samen met de andere Hollanders in beeld is gebracht en dat er zo aan Jackob Backer is voorbij gegaan…
Veel portretten komen uit de eigen collectie van het Mauritshuis (12) en de National Gallery, Londen (9). Bijzondere bruiklenen komen van Het Majesty Queen Elisabeth II (The Royal Collection, Londen) (2) en de Collectie Six, Amsterdam (2). Daarnaast zijn er bruiklenen van Het Rijksmuseum, Amsterdam (4), de Gemäldegalerie, Berlijn (4), de National Gallery of Art, Washington (4), en een groot aantal andere musea en particuliere collecties (34). Dat er geen bruiklenen zijn van het Metropolitan Museum, New York is niet zo verwonderlijk, want op dit moment is daar nog de grote publiekstrekker The Age of Rembrandt te zien. Op de website van het Mauritshuis zijn van een aantal portretten details te bekijken.

Frans Hals en Rembrandt zijn het sterkst vertegenwoordigd met resp. 14 en 11 portretten. De overige 41 werken komen van Ferdinand Bol, Gerard ter Borgh, Jan de Bray, Salomon de Bray, Jan Claesz, Pieter Codde, Jacob Gerritsz Cuyp, Gerrit Dou, Govaert Flinck, Adriaen Hanneman, Bartolomeus van der Helst, Gerrit van Honthorst, Thomas de Keyser, Nicolaes Maes, Michiel van Mierevelt, Frans van Mieris de Oude, Jan Mijtens, Jan Miense Molenaer, Paulus Moreelse, Caspar Netscher, Nicolaes Eliasz Pickenoy, Jan van Ravesteyn, Jan Steen, Abraham van den Tempel, Johannes Verspronck, Cornelis van der Voort en Emanuel de Witte.
De tentoonstellingen in Londen en Den Haag wijken wel iets van elkaar af maar de catalogus toont alle schilderijen.
Henry van de Velde is vooral bekend als architect, maar geheel in de geest van zijn tijd was hij daarnaast een veelzijdig kunstnijveraar: hij ontwierp schilderingen, tapijten, meubels, zilver en keramiek en was een begenadigd boekverzorger. Het is voor het eerst dat de boekontwerpen van Henry van de Velde in een tentoonstelling bij elkaar worden gebracht. Van de Velde beschouwde het boek als leverancier van een dagelijkse dosis cultuur maar ook als monument voor de geest. Dit is terug te zien in zijn ontwerpen, waarin eenvoud en monumentaliteit hand in hand gaan. Zijn ontwerpen omspannen 50 jaar. In die periode ontwikkelt zijn werk zich van ‘ornament’ naar ‘lijn’; van Art Nouveau, een kunststroming met een decoratief karakter, naar Nieuwe Zakelijkheid, een stroming waarin eenvoud en functionaliteit een belangrijke rol spelen. In de tentoonstelling zijn niet alleen prachtige boekbanden en uitmuntende typografie te bewonderen, maar wordt ook een beeld gegeven van het ontstaan van de ontwerpen: er zijn schetsen, proeven en verschillende versies van hetzelfde ontwerp te zien.
Henry Van de Velde (1863 - 1957)
was een Vlaamse kunstschilder, ontwerper, vormgever en architect. Samen met Victor Horta kan hij beschouwd worden als één van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Art Nouveau. Van de Velde studeerde schilderkunst bij Charles Verlat aan de kunstacademie in Antwerpen en bij Carolus-Duran in Parijs. Hij schilderde in neo-impressionistische stijl (pointillisme) en werd in 1889 lid van de kunstenaarsgroep “Les XX” in Brussel. Vanaf 1892 verliet hij de schilderkunst en legde hij zich toe op de toegepaste kunsten (edelsmeedkunst, porselein en bestekken, modeontwerpen, tapijt- en stoffendesign) en ook op architectuur, met onder meer de bouw van zijn eigen woning in Ukkel, huis Bloemenwerf. Hij ontwierp ook interieurs en meubels voor de invloedrijke kunsthandel “L’ Art Nouveau“, van de galerijhouder Samuel Bing in Parijs in 1895. Ook stond Van de Veldes werk in het paviljoen van Bing op de Wereldtentoonstelling in 1900 in Parijs. Van de Velde werd beïnvloed door de Engelse Arts-and-craftsbeweging met John Ruskin en William Morris en was één van de eerste architecten en meubelontwerpers die in een abstracte stijl met gebogen lijnen werkte. Van de Velde verzette zich tegen het kopiëren van historische stijlen en koos beslist voor een originele (in de zin van oorspronkelijke) vormgeving. Hij wilde de banaliteit en de lelijkheid uit ’s mensen geest verdringen.
Bron: nl.wikipedia.org
en misschien wel de beste portretschilder in Nederland.
His interest in the Fine Arts was aroused at an early age: “My father was an architect, he was always bringing home drawings,” says Larsson. However, he didn’t discover his vocation until he spent a year as an exchange student in North Carolina a the age of 16. Larsson studied at the University of Stockholm (Art History) and at the Stockholm School of Architecture. He then moved to Florence, Italy, to study at Cecil and Graves, the only atelier in Europe dedicated to the instruction of traditional realism. He spent nearly three years there studying the techniques and methods of the Old Masters. He now is a prolific painter of portraits, landscapes and still lifes. For the last 10 years the artist has lived in Amsterdam, The Netherlands. There he has a studio, but Larsson also paints portraits and landscapes on location in other countries.
Dit jaar is het vijftig jaar geleden dat Jack Kerouacs On the Road verscheen, de bijbel van de beatgeneratie. Ter ere van dat jubileum ondernamen schrijver Auke Hulst en tekenaar Raoul Deleo een road trip van New York naar San Francisco – grofweg de route die Kerouac decennia eerder volgde. Zouden ze nog iets terug kunnen vinden van Kerouacs Amerika. Een land van jazz, drugs en gestolen auto’s, bereisd door twintigers bezeten van kicks en literatuur? Met open ogen ondergaan Hulst en Deleo het Amerika dat nú voorbijtrekt. Van het schoongepoetste Manhattan naar het ontvolkte Nebraska, van de loneliest road naar de heuvels van San Francisco, van motel naar motel, van McDonald’s naar McDonald’s. De eenzame snelweg is een fascinerend en persoonlijk verslag in tekst en beeld, een beschouwende en poëtische zoektocht naar Amerika. Een unieke samenwerking tussen twee disciplines en twee talenten.
Soms voel ik me een minuscuul spinnetje dat over een eindeloos web kruipt en steeds fijnere mazen ontdekt. Dat web is de geschiedenis en de geschiedenis is de werkelijkheid in de vierde dimensie. Niemand kan zeggen hoe groot de werkelijkheid is. Toen ik een jaar of vijf was, had ik een gedachte die ik nooit meer ben overstegen. Ik stelde me het heelal voor als een reusachtige ruimte en reisde in gedachten naar het einde van deze ruimte. Op de bodem van het heelal ging ik graven in het vermoeden in die bodem de doorgang te vinden naar een ander heelal. Als kleuter had ik de onmogelijke en duizelingwekkende gedachte ontdekt: onze ingeboren idee van oneindigheid en eeuwigheid. Ik vind het tegenwoordig genoeg om te weten dat ik altijd (voor zolang als dat duurt!) in het midden ben. Ik kan nooit precies weten waar ik ben en dat geldt ook voor de tijd: ik weet ook nooit wanneer ik ben. Ik ben in het midden, in het hier en nu.

Alleen relatief gezien kan ik weten waar ik ben: daar en daar in Nederland op 24 november 2007. Waar dat is, kunnen de geografie en de geschiedenis mij een beetje duidelijk maken. Aardrijkskunde en geschiedenis zijn niet voor niets altijd mijn favouriete vakken geweest. Een boek als In Europa is op mijn lijf geschreven, omdat het tijd en ruimte heel concreet met elkaar verbindt. De twintigste eeuw is ons het meest na want we komen er net vandaan. Bovendien gaat de reis kriskras door Europa, het werelddeel waar ik woon. Een boek over de achttiende eeuw in Afrika is in theorie niet minder interessant, maar toch raakt mij dat niet echt. Ik ben namelijk geen Afrikaan en geen ‘achttiende eeuwer’. Waar en wanneer ik ben, namelijk in het Europa van de eenentwintigste eeuw, zegt mij iets over wie ik ben. Geert Mak leidt zijn boek in met een citaat van Luis Borges:

Terug naar het spinnetje in het web. Het is eigenlijk belachelijk dat dit spinnetje het web wil leren kennen, want dat is onmogelijk. Waarom blijf ik niet gewoon mijn leven lang stilstaan in het midden. Waarom sluit ik mij niet op in het hier en nu en keer ik de blik voor altijd naar binnen. Coconen is inderdaad verleidelijk, maar ik geloof in wat Michaela laatst zei: ‘we moeten ons blijven bewegen’. Aan het begin van de eenentwintigste eeuw is een deel van de werkelijkheid een web geworden dat over de hele wereld is uitgesponnen. Je kunt daar uitstekend in coconen (en wachten op de spin!) maar je kunt je er ook in (en uit!) bewegen. Ik geef de voorkeur aan dat laatste.
interview met Ray Caesar | raycaesar.com | Ray Caesar’ s 3D method
interview met Pietari Posti [ designinspiration.blogspot.com ] | meer schetsboeken
Twintig jaar geleden was ik voor het eerst in Kassel met de Documenta van 1987. De grote ontdekking was toen niet de internationale kunstshow, maar het museum Schloß Wilhelmshöhe. Sindsdien ben ik vijf keer in Kassel geweest maar nooit meer naar de Documenta. Deze zomer vertrokken weer honderdduizenden liefhebbers van eigentijdse kunst naar Documenta XII en ik was daar dus niet bij. Afgelopen vrijdag bezocht ik wél voor de vijfde keer de Gemäldegalerie Alte Meister van Schloß Wilhelmshöhe om daar weer de oude meesters te zien.

Gemäldegalerie Alte Meister
is een unieke verzameling met een groot aantal schilderijen van Rubens, Jordaens, Van Dyck, Rembrandt en andere Hollandse en Vlaamse meesters. De kern van de collectie is in het midden van de achttiende eeuw opgebouwd door landgraaf Wilhelm VIII van Hessen aan wie het slot zijn naam te danken heeft.
Die Ursprünge der Gemäldegalerie Alte Meister reichen zurück bis in das Jahr 1509, als Anna von Mecklenburg, Witwe von Landgraf Wilhelm II., Lucas Cranach d. Ä. mit einem kleinen Flügelaltar zum Gedächtnis an ihren verstorbenen Gemahl beauftragte. Die Periode der intensivsten Sammeltätigkeit war zwischen 1748 und 1756, als Landgraf Wilhelm VIII. ca. 800 Gemälde in Holland, Paris, Brüssel, Antwerpen, Venedig und in Deutschland durch seine Diplomaten und Kunstagenten ankaufen ließ. 1749-51 wurde für die Sammlung eine Galerie hinter das Palais des Landgrafen zwischen Auehang und Frankfurter Straße gebaut. 1877 zogen die Gemälde in das neu errichtete Gebäude der heutigen Neuen Galerie an der Schönen Aussicht um, wo sie bis zum Ausbruch des Zweiten Weltkriegs blieben. Die meisten Gemälde lagerten zwischen 1939 und 1945 im Reichsbahnbunker. Seit 1976 sind sie in den Etagen 1 bis 3 des Schlosses Wilhelmshöhe ausgestellt.M van Museumlandschaft
Een aardige terugblik op een museumbezoek in Kassel is de website Das Kasseler MuseumsABC.
Vorig jaar zijn de Staatlichen Museen Kassel omgedoopt in Museumlandschaft Hessen Kassel (MHK). De luchtfoto laat duidelijk zien dat Schloß Wilhelmshöhe de spil vormt van dit ‘museumlandschap’, een woord dat in het Nederlands (nog) niet bestaat.
Hercules
Het slot maakt deel uit van een groot bergpark dat bekroond wordt door een reusachtig beeld van Hercules, dat nu even in de steigers moet staan. Na 1900 en 1952 is er weer een grote restauratie begonnen die ditmaal zo’n 24 miljoen Euro gaat kosten.

Der Herkules gilt als das Wahrzeichen der Stadt Kassel. Praktisch der gesamte Baukörper - Oktogon und Kaskaden - besteht aus Basalt-Tuffstein, der in nahegelegenen Steinbrüchen gewonnen wurde. Das weiche Material hatte den Vorteil der relativ guten Bearbeitbarkeit, es verwittert jedoch verhältnismäßig schnell und stellt seit 300 Jahren ein Problem beim Erhalt des Bauwerks dar. Hauptproblem ist hierbei die Frosterosion. Das poröse Tuffgestein saugt an der Oberfläche Regenwasser auf. Diese Randbereiche platzen bei Frost schichtweise ab. Weiteres Problem ist die schiere Masse des Bauwerks, welches das Oktogon auseinanderdrückt und den östlichen Teil den Karlsberg hinuntergleiten lässt. Einige Hallen und der komplette Südflügel sind wegen Einsturz- bzw. Steinschlaggefahr für Besucher gesperrt. Seit Herbst 2005 laufen die dringend nötigen und umfangreichen Restaurierungsarbeiten zum Erhalt des Bauwerks. Die Kosten dafür werden auf über 24 Millionen € geschätzt.
Bron: de.wikipedia.org

Gemäldegalerie Alte Meister | Park Wilhelmshöhe | kassel-tourist.de | Kassel Lexikon

Op dit moment is er in het Amsterdamse Stadsarchief een tentoonstelling te zien over panorama’s, plattegronden en profielen van de stad Amsterdam uit de Gouden Eeuw. Het stadsarchief is sinds augustus dit jaar ondergebracht in het historische gebouw De Bazel aan de Vijzelstraat. Vorig jaar schreef ik al iets over historische kaarten van Amsterdam.

De Bazel
Tempel aan de Vijzelstraat in Amsterdam
Redactie: Mariëlle Hageman en Ludger SmitAmsterdam telt een aantal grote gebouwen die bepalend zijn voor het beeld van de stad, zoals het Centraal Station, het Rijksmuseum, de Beurs van Berlage én gebouw De Bazel, het voormalige hoofdkantoor van de Nederlandsche Handel-Maatschappij aan de Vijzelstraat. Het is ontworpen door K.P.C. de Bazel (1869-1923), in nauwe samenwerking met A.D.N. van Gendt (1870-1932) en voltooid in 1926. In 2000 verliet de ABN AMRO het monumentale hoofdkantoor in de binnenstad en werd begonnen met het geschikt maken van het gebouw voor het Stadsarchief van Amsterdam. Het gesloten bankgebouw is inmiddels verbouwd tot een voor iedereen toegankelijke openbare instelling. In ‘De Bazel. Tempel aan de Vijzelstraat in Amsterdam’ wordt de complete geschiedenis van het gebouw verteld, van bank tot archief: de ontwerp- en bouwgeschiedenis, de plek in de stad, het fenomeen van het vroeg twintigste-eeuwse kantoorgebouw, het interieur, de gebruiksgeschiedenis, de restauratie door architectenbureau Fritz en de verbouwing door Claus en Kaan Architecten. Het verhaal van een geldtempel getransformeerd tot cultuurtempel. De Bazel overleed drie jaar voor de oplevering van het gebouw. Daardoor heeft hij de positieve ontvangst van zijn laatste grote schepping bij de officiële opening, op 4 oktober 1926, niet mogen meemaken. Een tijdgenoot schreef: ‘Regelmaat, welgekozen verhoudingen, een prachtig evenwicht van lijn en kleuren beheerschen deze tempel, die een kunstwerk is.’
( Bron: bma.amsterdam.nl )
Digitaal schilderen is voor mij geen gruwel, al begrijp ik helemaal waarom dat voor sommige schilders wel zo is. Schrapen met een stukje plastic over een ander stukje plastic terwijl je niet kijkt naar wat er onder je handen ontstaat. Dat is erg klinisch en heeft fysiek weinig meer met schilderen te maken. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan en zo ook de creativiteit. Sinds 1996 laat ik mij al in met zogenaamde ‘natural media’ applicaties, computerprogramma’s die traditionele teken- en schildertechnieken nabootsen. Het bekendste programma is Painter, maar ook Photoshop is allang niet meer alleen een digitale doka. Je kunt met Photoshop tegenwoordig ook een aardig potje digitaal schilderen (als je tenminste een tekentablet hebt) en veel mensen doen dat. Dus komen er steeds meer bladen voor digitale hobbyisten én professionals.

Een van die bladen is het Engelse Painter Magazine. Het is eigenlijk een hobbyblad voor digitale amateurschilders. Net zoals in analoge hobbybladen wordt stap voor stap getoond hoe je een schilderij opbouwt. In deze tutorial leer je bijvoorbeeld hoe je ‘een echte Constable‘ maakt. Painter is een fantastisch programma dat tegenwoordig door Corel verder ontwikkeld wordt.
Een ander blad is Advanced Photoshop speciaal voor Photoshop professionals. Afgelopen week kocht ik het tweede nummer van de Nederlandse editie. Het Engelstalige blad is onder profs zo populair dat men nu een Nederlandse editie heeft aangedurfd. Het eenvoudigere Photoshop Creative richt zich op het grote publiek. Photoshop Advanced is niet helemaal een letterlijke vertaling van de Engelse editie. In het tweede nummer is er bijvoorbeeld aandacht twee Nederlandse illustratoren: Michael van den Bosch en Frans Mensink. De laatste tekent vooral vrouwen met grote borsten. Dat is een vak apart, zo weet ook Milo Manara, die het genre nog altijd analoog beoefent en het wat mij betreft boven zichzelf heeft uitgetild.
In Engeland zijn inmiddels 37 nummers van Photoshop Advanced verschenen bij uitgeverij Imagine Publishing
Van Painter Magazine zijn tot nu toe 10 nummers verschenen.
Painter 8 [ mimesis.nl ] | Natural Media in Illustrator 10 [ mimesis.nl ]

Over zeven weken zitten we alweer in 2008 en Newsweek wil er op tijd bij zijn om 1968 te herdenken, het jaar dat alles veranderde, volgens het Amerikaanse opinieblad. De legendarische sixties artist Peter Max ontwierp de cover die mij onmiddellijk opviel. In juni had ik wat ‘digitale schetsen’ gemaakt in de stijl van 1968 en daarbij ook letterlijk het jaartal erbij genomen. Ik noem deze stijl gewoonlijk de Yellow Submarine-look met zijn zuurstokkleuren, ronde vormen en contouren in concentrische kringen. Voor psychonaut Peter Max was dit de Cosmic Sixties style. Het werd hét gezicht van 1968.
When you think of 1968, you think of riots, assassinations, the Vietnam war, the youth revolt, the backlash—and the songs that reflected it all. It was the year of “Hey, Jude,” “Revolution” and “Street Fighting Man"—the last two making it clear that wealthy rock stars didn’t want to push this youth revolt thing too far. It was also the year James Brown, in “Say It Loud (I’m Black and I’m Proud),” told his fellow Americans that blacks would “rather die on our feet than keep livin’ on our knees.” At least he had some grit—when he wasn’t cozying up to Hubert Humphrey. Strange days.
When Peter Max left art school, Max had become fascinated with new trends in commercial illustration and graphic arts, from America as well as Europe and Japan. He decided to try his hand at it and within a short time, he won awards for album covers and book jackets, which combined his own brand of realism with graphic art techniques. Max also admired the work of contemporary photographers such as Bert Stern, Richard Avedon, and Irving Penn, which led to his photo collage period, in which he had captured the psychedelic era of the mid’60s.
As the ’60s progressed, the photo collages gave way, to his famous “Cosmic Sixties” style, with its distinctive line work and bold color combinations. This new style developed as a spontaneous creative urge, following Max’s meeting with Swami Satchidananda, an Indian Yoga master who taught him meditation and the spiritual teachings of the East. Max’s Cosmic ’60s art, with its transcendental imagery captured the imagination of the entire generation and catapulted the young artist to fame and fortune. Max was suddenly on numerous magazine covers, including Life Magazine, and appeared on national TV. Max’s visual impact on the ’60s has often been compared to the influence the Beatles had with their music.
Bron: petermax.com
Vorige week woensdag zond Arte The Killing uit , de eerste grote film van Stanley Kubrick uit 1956. Gisteren zag ik op dezelfde zender misschien zijn bekendste film A space odyssey 2001 uit 1968. Toen ik de film zo’n 20 jaar geleden voor het eerst zag, was ik vooral onder de indruk van de ruimtereis in het laatste deel, een soort gevisualiseerde LSD-trip. Ik ontdekte ook een website Kubrick 2001: The space odyssey explained waar je met Flash-animaties wordt rondgeleid in de diepere lagen van A space odyssey 2001.
A space odyssey 2001 [ moviemeter.nl ] | A space odyssey 2001 [ digg.be ]
Toen ik gisterenmiddag door Wolfheze reed, zag ik het al aan het licht (foto linksonder). Een paar honderd meter verder bij het open veld stond-ie, in majestueuze overspanning. Zo fel had ik ‘m nog nooit gezien. Ook zijn tweelingbroer die soms flauw te zien is, was er heel duidelijk bij.

Ik moet bij de regenboog in het najaar altijd denken aan een schilderij van Willem Roelofs. Deze verbleef in de jaren zestig van de negentiende eeuw overigens regelmatig in Oosterbeek en schilderde ook plein air in de omgeving van Wolfheze.

Toen ik dit fenomenale schilderij tijdens de overzichtstentoonstelling van de Haagse School in het Gemeentemuseum in Den Haag in 1983 voor het eerst zag, was ik erg onder de indruk en ben dat sindsdien gebleven. Dit schilderij belichaamt precies wat de impressionisten voor ogen stond: het sublieme moment te vangen. Bijvoorbeeld wanneer de zon doorbreekt. Niet alleen het gras gloeit op, maar ook het hart. Met de gloeiende okerkleuren van het herfstblad tegen de zwangere grijsblauwe lucht is het effect maximaal. Ik kan behalve de foto’s gelukkig ook het veel mooiere schilderij laten zien. Maar er gaat natuurlijk niets boven het moment zelf, dat altijd als een geschenk komt. Zomaar achter het stuur op de rijksweg daalt een stukje van de hemel neer op aarde.

Met de komst van de eenentwintigste eeuw is de wereld gevaarlijk onzeker geworden. Meer dan ooit zijn we op zoek naar houvast en wroeten we in de geschiedenis naar onze identiteit. De ongekende populariteit van In Europa zou daar voor een deel uit verklaard kunnen worden. Geert Mak’s bestseller lijkt precies op het juiste moment geschreven. Zoals hijzelf zegt, was zijn reis in 1999 een laatste inspectietocht om te zien hoe het contintent er aan het einde van de twintigste eeuw bijlag. Vandaag, precies 89 jaar nadat keizer Wilhelm II naar Nederland vluchtte en de Eerste Wereldoorlog definitief voorbij was, begint de langverwachte televisieserie In Europa. De afleveringen zullen niet alleen steeds zondagavond op televisie te zien zijn, maar worden in de week daarna ook uitgezonden op het themakanaal GeschiedenisTV. De omvangrijke televisieserie werd voorafgegaan door een podcast die nog steeds te beluisteren is op de officiële website. Geert Mak is definitief onze nationale geschiedenisleraar geworden en honderduizenden zullen vanavond met rode oortjes voor de buis zitten.
Aflevering 1: 1900 Dawn of the century (vanavond)
Overzicht van wat er in de hele serie te zien zal zijn. De nieuwe eeuw begon vol hoop en enthousiasme : Nooit meer oorlog! Werk en eten voor iedereen! Hoe anders liep het. De twintigste eeuw zou één van de gruwelijkste ooit worden. Het volk kreeg de macht in handen en zou die macht keer op keer afstaan aan steeds weer nieuwe onbetrouwbare leiders.Aflevering 2: 1906 Wenen - Berlijn ( 18 november )
Als je de tegenstellingen van de nieuwe eeuw zou moeten tonen moest je afreizen naar twee keizerlijke steden. In Berlijn werd de moderniteit met wild, ongeremd enthousiasme omarmt. Keizer Wilhelm’s Berlijn moest het nieuwe Duitsland verbeelden, groter, sterker, beter. In Wenen ondertussen wil de oude Keizer Franz Josef niets van dit alles weten. In zijn Biedermeier idylle sluit hij zich af voor de ophanden zijnde veranderingen. Maar in de kelders en kroegen van de Keizersstad was de rot al ingezet. De mislukte schilder Adolf H kon haast niet wachten tot de veranderingen kwamen.Aflevering 3: 1914 Wenen & Sarajevo ( 25 november )
De Eerste Wereldoorlog begon met een heel klein gaatje. Het minuscule kogelgat in het kostuum van de Oostenrijkse kroonprins zou al snel een gapend gat blijken waar heel Europa in werd getrokken. Geert Mak gaat terug naar Wenen en Sarajevo, de plaats van delict en spreekt met de nabestaanden van de dader Gavrilo Princip en het slachtoffer, Franz Ferdinand. Wat voor een moordenaar was Princip? Wat was zijn motief?Aflevering 4: 1915 Ieper/België ( 2 december )
Al snel na het uitbreken van de oorlog blijkt dat het conflict niet het verfrissende robbertje knokken is dat men had verwacht. Men graaft zich in en begint een lange, langzame doodsstrijd waarbij men naar steeds nieuwere manieren zoekt om de tegenstander te vernietigen. Mak reist af naar Ieper, België, waar de littekens van de oorlog negentig jaar na dato nog steeds zichtbaar zijn.Bron: ineuropa.nl


Na het einde van de Eerste Wereldoorlog logeert keizer Wilhelm II, op verzoek van de toenmalige Commissaris van de Koningin, twee jaar lang in Kasteel Amerongen. Hierna vertrekt hij met inboedel naar het nabijgelegen Huis Doorn. ( Bron: kasteelamerongen.nl )
Duitse keizer op Hollandse bodem [ geschiedenis.nl ]
Wilhelm II [ geschiedenis.vpro.nl ]
keizer Wilhelm II vlucht naar Nederland [ wereldoorlog1418.nl ]
De kleinzonen van graaf Bentinck over Wilhelm II [ kasteelamerongen.nl ] (video)

Wanneer iemand geniaal wordt genoemd dan wil ik altijd weten waarom. Want, als het inderdaad zo is, is er voor mij een uitnodiging om aan het geniale deel te hebben. Het genie woont immers onder ons. Stanley Kubrick staat bekend als perfectionist en geniale regisseur. Woensdagavond keek ik naar The Killing zijn eerste grote film die hij in 1956 op 28-jarige leeftijd maakte.

De planning van perfectionist Kubrick [ cinema.nl ] | meer film noir op W&V
In de toiletkamer van de keizerin stond een grote spiegel gevangen in weelderige kwabornamenten. Op mijn vraag of keizer Wilhelm II van Jugendstil hield, gaf de gids een kort antwoord: “Nee.” Hij probeerde het daarna uit te leggen: de keizer hield wel van Barok, Classicisme en Rococo en vooral van negentiende eeuwse eclectische ratjetoe, maar van ‘nieuwlichterij’ moest hij niets hebben. ‘Maar wij houden wél van Jugendstil !’ zei ik en Michaela begon te lachen en knikte instemmend. ‘Nou, ik ook!’ zei de gids. Daar stonden we dan in het huis van de laatste keizer tussen enorm veel kitscherig antiek openlijk de Jugendstil te belijden. Het is ook moeilijk om niet van Jugendstil te houden. Thuisgekomen blader ik door een rijk geillustreerde studie van de Duitse kunsthistorica Gabriele Fahr-Becker over deze stijl die tussen 1890 en 1910 (met een brandpunt tussen 1895 en 1905) in Europa in de mode was.
Jugendstil
Könemann im Tandem-Verlag, 2005
ISBN 3-89508-212-0
Gabriele Fahr-Becker studierte Kunstgeschichte, Archäologie und Philosophie und promovierte 1970 über den französischen Jugendstil an der Universität München. Sie veröffentlichte bereits zahlreiche Beiträge zur Kunst der Jahrhundertwende und ist darüber hinaus als Ausstellungsorganisatorin im In- und Ausland tätig.
Ik laat een stijl graag diep tot mij doordringen, want eigenlijk is iedere stijl een geabstraheerd portret van het leven zélf. Jugendstil zou je kunnen zien als een interpretatie van de asymmetrische rocaille , een schelpmotief uit de Rococo. Evenals de Barok kunnen Rococo en Jugendstil monumentaal worden, maar de verfijnde versieringen dringen ook door tot in de kleinste gaatjes. Jugendstil groeit en woekert vaak als een plant. De moderne interpretatie van de Rococo komt vooral tot uitdrukking in het gebruik van het nieuwe materiaal smeedijzer, uitermate geschikt om lange golvende stelen en krullen te vervaardigen. De Jugendstilornamenten zijn de ene keer motieven letterlijk uit de flora overgenomen, de andere keer weer streng geabstraheerd.

Anders dan bij de Rococo vormde de natuur de enige inspiratiebron voor de Jugendstilkunstenaars en de ‘beeldtaal ‘ van de Jugendstil werd vooral door de plantaardige wereld bepaald. Er was afscheid genomen van het Christendom en de Griekse en Romeinse godenwereld die nog zo’ n zwaar stempel hadden gedrukt op resp. de Barok en de Rococo. Als er in de Jugendstil bovenzintuigelijke wezens werden afgebeeld, dan waren het elfen en andere natuurgeesten, die in het symbolisme van de late negentiende eeuw ook populair waren.

De keizer hield dus niet van Jugendstil. Er wordt vaak smalend gedaan over de smaak van de Hohenzollern, maar in feite was het heel normaal dat men van kitsch hield in het keizerlijke Europa van de negentiende eeuw. De Franse smaak onder het Tweede Keizerrijk van Napoleon III was niet veel beter en ook de Victoriaanse stijl in Engeland was akelig benauwd en bombastisch. Pas met de Art & Crafts beweging van William Morris ging er een frisse wind waaien en werd het ornament versoberd en intelligent gebruikt. Niet als een soort alabastine dat elk gaatje moet vullen, maar als een zinvolle versiering. In diezelfde jaren zou de Amerikaanse architect Louis Henry Sullivan zijn adagium Form Follows Function formuleren, maar het zou nog tot na de Eerste Wereldoorlog duren totdat het ornament volledig in de ban werd gedaan en de sobere functionele en internationale stijl bepalend zou worden voor het gezicht van de moderne wereld. Ook dat heeft de keizer nog moeten meemaken. Tegenwoordig ligt hij begraven in een strak mausoleum, dat na zijn dood in 1941 is gebouwd.

In aanwezigheid van Zijne Eminentie aartsbisschop Gabriël van Komana, vader Boris Chapchal van de parochie, een zevental parochiepriesters uit Nederland, vader Peter Sonntag uit Duitsland, moeder Maria, vader Matthew Arnold en de zusters van het klooster Geboorte van de Moeder Gods in Asten, monnik Patrick, verschillende diakenen en lectors, de parochianen en een groot aantal orthodoxe gelovigen en belangstellenden is gisteren vader Pachom vanuit ‘zijn’ klooster in het Barabantse Sint Hubert (bij Mill) begraven. Eeuwige gedachtenis!



Oostenrijk staat bekend om de export van mooie vrouwen. In juli schreef ik hier over de actrices Hedy Lamarr (Hedwig Kiesler) en Romy Schneider die resp. naar de Verenigde Staten en Frankrijk vertrokken. Ook de Weense vamp Alma Mahler Werfel bleef niet in Oostenrijk. Na talloze relaties en twee huwelijken met invloedrijke mannen, vluchtte ze uiteindelijk voor de nazi’s met haar man Franz Werfel naar Amerika. Ze had een reputatie opgebouwd van een seksueel roofdier dat met name kunstenaars verslond. Alma Mahler Werfel die zelf van Joodse afkomst was en tweemaal getrouwd was met een jood (Gustav Mahler en Franz Werfel) deed nooit geheimzinnig over haar antisemitische opvattingen.

Alma Mahler, demasqué van een mythe
Alma Mahler (1879-1964)
groeide op in een bevoorrecht milieu als dochter van de landschapsschilder Emil Jakob Schindler en zijn vrouw Anna von Bergen. Ze was tevens de stiefdochter van de Sezession-schilder Carl Moll. Een van de vrienden van haar vader Schindler was de bekende schilder Gustav Klimt. Als jonge vrouw had ze kortstondige relaties met Klimt, theaterdirecteur Max Burckhard en componist Alexander Zemlinsky. Zelf had ze ook enig talent als componiste. Het was haar compositieleraar, Zemlinsky, die haar voor het eerst in contact bracht met Gustav Mahler.
In 1902 huwde ze Gustav Mahler, die twintig jaar ouder was dan haar, in de Karlskirche in Wenen. Ze kregen twee dochters, Maria Anna (1902-1907) en Anna (1904-1988), die later beeldhouwer zou worden. Alma moest in haar huwelijk haar eigen artistieke interesses op het gebied van schilderen en muziek laten varen. Mahler moest niets van haar artistieke uitspattingen weten. Hij eiste per brief dat Alma zou ophouden met haar muziek en alleen voor de zijne zou leven. Hierop begon zij een affaire met Bauhaus-architect Walter Gropius.
Gustav Mahler heeft ooit
Dr. Sigmund Freud in Leiden bezocht om over de oorzaken van het slechte huwelijk te praten. Freud zei dat Mahler in elke vrouw zijn moeder zocht.
Mahler stierf in 1911. In de herfst van 1915 trouwde Alma met Walter Gropius. Ook dit huwelijk was tumultueus. Gedurende twee jaar, had Alma een affaire met schilder Oskar Kokoschka, die in zijn schilderij Die Windsbraut (1914) hun liefde tot uitdrukking bracht. Bang voor de passie die hij in haar losmaakte, verliet Alma Kokoschka voor schrijver Franz Werfel, van wie ze (waarschijnlijk) een kind kreeg, terwijl ze nog steeds getrouwd was met Gropius. Ze had Werfel leren kennen dankzij Franz Blei. Ze scheidde van Gropius en hertrouwde met Werfel in 1929, maar het kind, Martin Carl Johannes, werd te vroeg geboren en stierf op de leeftijd van tien maanden.
In 1938 vluchtten Alma Mahler Werfel en Franz Werfel van Oostenrijk naar Frankrijk vanwege de Anschluss. Door de Duitse invasie en bezetting van Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog, en de deportatie van de joden naar de Nazi-vernietigingskampen, moesten Alma en haar man ook Frankrijk ontvluchten. Met hulp van de Amerikaanse journalist Varian Fry in Marseille, ontsnapten ze via de Pyreneeën en Spanje naar Portugal, waarvandaan ze naar New York voeren. Uiteindelijk gingen ze wonen in Los Angeles, waar Werfel succes behaalde toen zijn Song of Bernadette in 1943 werd verfilmd. Na Werfels dood in 1945, verhuisde Alma terug naar New York, waar ze actief bleef in de culturele wereld tot haar dood in 1964. In 1946 had ze zich tot Amerikaans staatsburger laten naturaliseren.
Bron: nl.wikipedia.org
Wanneer je deze film gezien hebt, zul je niet zo snel meer een vlieg doodslaan of een mier doodtrappen. Met het inzoomen op de kleine, vaak stille wereld van de insecten, word je met eerbied en ontroering getroffen. Mieren wassen zich als konijntjes, heel lief met hun pootjes over de kop. Ook de voelsprieten worden zorgvuldig schoongemaakt. Maar het is er niet alleen lief. Net als in de macrofauna ligt het gevaar steeds op de loer: spinnen, vleesetende plannen of een korhoender die bij een mierenhoop is neergestreken. Ik heb ademloos zitten kijken naar de wereld die door de biologen Claude Nuridsany en Marie Perennou is blootgelegd.
Wij hebben M.C. Escher , in België hebben ze Frans Masereel. In januari 2005 schreef ik hier al over deze Vlaamse graficus en houtsnijder. In Nederland is Masereel misschien geen klinkende naam als M.C. Escher maar toch is hij op sommige plaatsen in de wereld een beroemdheid. Toen de Belgische premier Leo Tindemans in september 1976 in China op bezoek was, vroeg Mao Tse-toeng hem hoe het nu toch met de grote kunstenaar Frans Masereel ging. Deze was toen al vier jaar dood, maar de premier liet zijn tolk antwoorden dat Masereel in prima gezondheid verkeerde.
Frans Masereel (1889 - 1972)
werd geboren in Blankenberge, aan de Belgische kust, als zoon van welgestelde ouders. Hij kreeg zijn academische opleiding (aan de Academie voor Schone Kunsten) te Gent bij de schilder Jean Delvin. Hij reisde veel. Rond 1910 ging hij in Parijs wonen en kwam daar toevallig in aanraking met de houtsnede. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak vluchte Masereel naar het Zwitserse Genève. Daar sloot hij vriendschap met de schrijvers Romain Rolland, Stefan Zweig en Andreas Latzko, wiens boeken hij illustreert. Hij debuteert er met drie anti-oorlogsalbums: “De doden spreken” en “De doden staan op” (1917) en “De hartstocht van een mens” (1918). Tot 1920 verschijnen een kleine duizend tekeningen in dagelijkse afleveringen in het pacifistische tijdschrift “La Feuille", waarbij hij de verschrikkingen van de oorlog in beeld brengt. Hij werkt tevens als vertaler voor het Rode Kruis. De eerste jaren na de oorlog wordt hij door de Belgische regering beschouwd als dienstweigeraar. Hij gaat in 1920 weer in Parijs wonen en later in Equihen nabij Boulogne. Hij illustreert boeken van onder andere Victor Hugo, Tolstoi, Thomas Mann, Oscar Wilde en Hemingway. In 1926 maakt hij voor “De legende van Ulenspiegel” van Charles de Coster 167 houtsneden. In het boek “De stad” (1925) (voorw. van Jelle Troelstra) legt hij in honderd houtsneden zijn visie op het leven in de jaren twintig in de grote stad vast.
Bron: Frans Masereel [ wikipedia ]

Vrolijk ‘jaren zeventig fauvisme’ met grote kleurvlakken en benadrukte contouren, met heel veel dank aan het posterize effect uit Photoshop.

Steeds vaker kijk ik naar biopics. Zaterdag zag ik Control van Anton Corbijn over Ian Curtis van Joy Division. En het afgelopen halfjaar zag ik nog drie films over (een episode uit) het leven van een kunstenaar: Frida (biopic over Frida Kahlo) , Copying Beethoven en Goya’s Ghosts.
Gisteren keek ik naar Modigliani op DVD. Een van de aardigste aspecten van de biografie vind ik het tijdsbeeld dat met elke levensbeschrijving meekomt. Goya’s Ghosts en Copying Beethoven spelen zich rond 1820 af, in het Europa van na de restauratie. Modigliani (die leefde van 1884 tot 1920) speelt zich precies honderd jaar later af in 1919, vlak na de Eerste Wereldoorlog. Op mijn zwerftochten door de geschiedenis bivakkeer ik steeds vaker in het tweede decennium van de vorige eeuw. Het is een echt tijdsgewricht: de negentiende eeuw brak uiteindelijk en rond 1919 was er niet alleen een heel nieuw Europa ontstaan, maar had ook de moderniteit zich definitief gevestigd. Dat zie je allemaal mooi terugkomen in Modigliani. Op een gegeven moment brengen Modigliani en Picasso een bezoek aan een stokoude Renoir, die inmiddels een halfgod geworden is. De rebel (impressionist) uit de negentiende eeuw en de rebellen van de avant garde ontmoeten elkaar. ‘Ben je een beetje gek?’ vraagt Renoir aan Modigliani.

Modigliani was voor mij altijd een beetje de Tom Jones onder de schilders: in de gekanoniseerde kunstgeschiedenis kwam ik hem niet tegen, maar bij De Slegte liep ik altijd tegen zijn Best of-compilaties of zijn grootste successen aan. Modigliani en zijn werk leerde ik eigenlijk nooit kennen. In de film wordt hij gespeeld door Andy Garcia. De zoveelste Holywoodkunstenaar denk je dan, maar in dit geval klopt het want Modigliani was in werkelijkheid echt een spetter waar de vrouwen bij bosjes voor vielen. Zijn leven was conform deze prettige conditie en bestond uit seks, drank en olieverf. Modigliani’s leven is dus geknipt voor de film: mooie wijven, knappe kerels en kleurrijke feesten. Soms irriteert dat wel eens, al die mooifilmerij, maar eerlijk is eerlijk: ik mag er graag naar kijken. De fotografie is meestal om je vingers bij af te likken, bijvoorbeeld de witte mouwen van Modigliani’s overhemd tegen een afgebladderde caramelkleurige muur waar een strook licht over valt. Een hoog ‘Nescafe-commerical-gehalte’ dus.
De climax van de film is de wedstrijd waarvoor Modigliani zich intekende, samen met zijn aartsrivaal Picasso, de zuiplap Soutine, Utrillo en Diego Rivera (die kennen we dus nog uit Frida). De competitie is als een videoclip in beeld gebracht, compleet met adrenalineverhogende beat. We zien geen schilders aan het werk maar rauwe, driftige schilderbeesten, zuipend en tot aan de ellebogen in de verf. Zo bezeten zijn kunstenaars alleen in de film.

Uiteraard is de actrice die Jeanne Hébuterne speelt gescreend op haar langwerpige hoofd. Wanneer ze ‘Modi’ net heeft leren kennen, schildert hij een eerste portret van haar, maar de ogen schildert hij niet. ‘Waar zijn mijn ogen?’ roept ze verontwaardigd uit. ‘Ik schilder je ogen pas, wanneer ik je ziel ken’ is zijn antwoord.
Amedeo Modigliani (1884 - 1920) was een zeer knappe man, die een sterke aantrekkingskracht had op vrouwen. Vrouwen kwamen en gingen, totdat Beatrice Hastings zijn leven binnenkwam. Zij bleef twee jaar, en werd onder andere geschilderd als “Madame Pompadour“. Zij leed echter erg onder zijn drankzucht, maar als hij nuchter was, dan was hij wel erg charmant, citeerde Dante Alighieri en gedichten van Lautreamont. (… ) Bij de 18-jarige kunststudente Jeanne Hébuterne kreeg hij in Nice op 29 november 1918 een dochter, die zij ook Jeanne noemden. In Nice verkocht Modigliani enkele werken aan rijke toeristen, maar slechts voor enkele francs per stuk. Het geld dat hij had, verdween overigens toch gauw richting drugs en alcohol. In mei 1919 keerde hij terug naar Parijs, met Jeanne en hun dochter. Ze huurden een appartement in de Rue de la Grande Chaumière, waar Jeanne en Modigliani portretten van elkaar schilderden.
‘Ik schilder je ogen pas, wanneer ik je ziel ken’
De tijd daarna ging de gezondheid van Modigliani verder achteruit. Nadat hij een paar dagen niet gezien was, vond de benedenbuur het paar in bed, Modigliani met een delirium, Jeanne vasthoudend, die bijna negen maanden zwanger was. Naar later verteld werd, zette hij Jeanne aan tot zelfmoord, zodat hij haar als favoriet model bij zich kon houden in het paradijs. Een dokter werd gehaald die echter weinig kon doen om het leven van de 35-jarige kunstenaar te redden. De hele kunstenaarsgemeenschap uit Montmartre en Montparnasse woonde de begrafenis bij. Jeanne Hébuterne, die naar het huis van haar ouders was gebracht, sprong twee dagen na de dood van Modigliani uit een raam op de vijfde verdieping, waarbij zowel zijzelf als haar ongeboren kind omkwamen. Modigliani ligt begraven op de begraafplaats Père-Lachaise. Jeanne Hébuterne werd begraven in het Cimetière de Bagneux, bij Parijs. Pas in 1930 mocht zij van haar verbitterde familie rusten naast Modigliani en werd zij herbegraven.
Bron: nl.wikipedia.org