David Bowie - Let’s Dance (1983)
Let’s Dance stond op nummer 10 in de top 100 van 1983.
Let’s Dance stond op nummer 10 in de top 100 van 1983.
Private Investigations stond op nummer 6 in de top 100 van 1982.
In the Air Tonight stond op nummer 12 in de top 100 van 1981.
One Day I’ ll Fly away stond op nummer 20 in de top 100 van 1980.
Michaela bracht uit Duitsland een paar oude postzegels mee, o.a. een Germania uit 1916 die onze zuiderburen tijdens de Eerste Wereldoorlog moesten plakken. De postzegel werd ontworpen door Paul Eduard Waldraff en in 1900 verscheen de eerste serie. Om de post van Beieren en Würtemberg te respecteren, koos de Reichspost diplomatiek voor een ‘Duitse Marianne’ en niet voor de beeltenis van keizer Wilhelm II. De Duitse toneelspeelster Anna Führung stond model voor Germania.


Le Freak stond op nummer 20 in de top 100 van 1979.
Je bent een bloedmooie meid van twintig en de wereld ligt aan je voeten. Overal waar je komt, doen mannen de deur voor je open. Als seksueel roofdier zonder concurrentie sta je bovenaan in de pyramide van de vrije liefde en verzamel je alphamannetjes om je heen die ervoor zorgen dat jouw leven nooit saai wordt. Kort samengevat is dit de inhoud van Das Wilde Leben, de biografie van het Duitse ‘68 icoon Uschi Obermaier. Oorspronkelijk een braaf burgermeisje uit een saai voorstadje van München, dat vanwege haar stoere blik en goddelijke lichaam als fotomodel wordt ontdekt en van bed naar bed hogerop klimt. Ze wordt de eerste Duitse groupie en verovert Keith Richards, die eruit ziet als een uitgeleefde zombie. Maar voor een groupie is hij wél een van de hoogst haalbare trofeeën in de wereld en dus goed voor het eigen ego. Door haar seksueel kapitaal kan Uschi de droom van haar generatie (uit)leven. Tegelijkertijd ontmaskert ze onopzettelijk de illusie van vrije liefde. Voor de generatie van ‘68 zijn kapitalisme en macht verwerpelijk, maar er is een grote obsessie voor seksueel kapitaal en seksuele macht.
Das Wilde Leben speelt zich af tussen 1968 en 1983. Herinneringen aan de film Elementarteilchen naar het boek van Michel Houellebecq kwamen bij mij vanzelf omhoog. Hierin speelt Nina Hosch de hippiemoeder van de twee hoofdpersonages die in vrije liefde gelooft, maar daarbij vooral erg aan zichzelf denkt. Ook Uschi Obermaier heeft de vrije liefde omarmt als de weg om haar dromen te volgen. Steeds weet ze mannen aan zich te binden die zelf ook érg voor de vrije liefde zijn. Maar als ze Uschi dreigen te verliezen, dan ineens moet het burgerlijk huisje-boompje-beestje worden.
De muziek maakt Das Wilde Leben compleet. Niet alleen wordt de geest van de seksuele revolutie muzikaal weer opgewekt, maar de teksten vertellen ook het verhaal van de verleiding van ‘het échte leven’, het spannende leven en de lol waar bijna iedere achttienjarige zich in wil storten. De titelsong Summer Wine lijkt voor Das Wilde Leben geschreven. In de melancholische toon van Summer Wine is hoorbaar dat de wijn zoet is, maar de afdronk bitter.

Lee Hazlewood, Summerwine
Het wilde leven van Uschi Obermaier is een heerlijk spel en de summer wine is zoet. Maar op oudjaarsdag 1983 wordt ze uiteindelijk door de ernst van het gewone leven ingehaald. Uschi Obermaier is inmiddels 64 en woont in het Zuiden van de Verenigde Staten waar ze sieraden ontwerpt.
In the late sixties, Uschi Obermaier was one of the sexiest women alive. She rarely smiled; instead, she would pose, mouth agape, so we could savor those luscious lips and big, fierce teeth. Uschi Obermaier is probably the prettiest Stones Goddess outside Anita and Marianne (they were the zenith blend of classy, sassy, and gorgeous), and hardly anyone knows about her. Born in Munich, Germany on September 24, 1946, Uschi’s career began when the magazine Twen featured her on the front cover. Her dark, cascading locks, deep tanned skin, and incredible mouth–not to mention bod–led her to many modeling jobs, although she was petite and quite thin. Uschi was the first female model to expose frontal nudity on the cover of a magazine, and she was actually quite revolutionary for so special and lesser-known a celebrity.
Uschi is credited not only as “the most famous German groupie", but also for advocating the sexual revolution with then-boyfriend Rainer Langhans. (…) The pair moved into the Kommune 1 in Munich and many German commentators have said that Uschi and Rainer directly influenced the likes of John Lennon and Yoko Ono, who advocated liberal views of love and nudity in the early ’70s. There were quite a few photos taken of Uschi topless and smoking marijuana during this time, and they were published in magazines. It makes for quite a striking image actually; this tiny, gorgeous creature with to-die-for lips and a tassle of voluminous hair–possessing an innocence that at times is almost childlike–her hands holding a fat joint.8 miles high [ wbads-30.vo.llnwd.net ] | Das wilde Leben [ imdb.com ]
Staying Alive stond op nummer 6 in de top 100 van 1978.
Ma Baker stond op nummer 1 in de top 100 van 1977.
Na het zien van Sweet Smell of Success (1957) ging ik op zoek naar afbeeldingen van Times Square in de jaren vijftig. Op flickr.com vond ik 276 afbeeldingen verzameld door vintage collector Christian Montone.

Het is lang geleden dat ik mijzelf een gedachtenrapport gegeven heb. Gedachtenrapporten maken is een vorm van cognitieve gedragstherapie waarin je je gevoel (weer) de baas kunt worden en je gedrag kunt veranderen. In zo’n rapport worden procentueel vier basisgevoelens (bang, blij, bedroefd en boos) gerapporteerd die je kortgeleden in een bepaalde situatie hebt gehad. Daarna ga je beoordelen of de gevoelens die je in die situatie voelde eigenlijk wel nodig en nuttig waren. In de cognitieve gedragstherapie probeer je jezelf cognitief te verhouden tegenover een bepaalde situatie, zodat je leert niet meer kopje onder te gaan in een allesbeheersende emotie (bijvoorbeeld angst en droefheid).

In het begin lijkt het maken van een gedachtenrapport een idiote bezigheid. Als in een computerprogramma ga je percentages loslaten op je gevoelsleven en vanuit datzelfde gevoelsleven kan dat heftig verzet oproepen. Om te slagen in deze vorm van cognitieve gedragstherapie, kun je het beste braaf zo’n gedachtenrapport maken: Hoeveel procent bang was ik, toen de woorden achter in mijn keel bleven steken? Hoeveel procent boos was ik, toen ik de deur dicht smeet? Hoeveel procent bedroefd was ik … ? Na een aantal gedachtenrapporten ontdek je dat de meeste gevoelens gemengde gevoelens zijn, die zijn opgebouwd uit de vier basisgevoelens, net zoals in de vierkleurendruk elke tint is opgebouwd uit de vier proceskleuren CMYK.
En waar is de liefde eigenlijk in de cognitieve therapie? Is liefde dan geen gevoel? Wat er in de moderne psychologie ook allemaal over beweerd wordt, ik vertrouw toch liever op de kennis van de ziel zoals deze door de woestijnvaders is doorgegeven. Geestelijke liefde (een pleonasme) is volgens hen géén gevoel. Emotionele liefde daarentegen is volgens de woestijnvaders niet helemaal zuiver meer, maar gekleurd door hartstochten als begeerte, ijdelheid en hebzucht. Maar dat is weer een heel ander verhaal…
In 1998 verschenen er in de Verenigde Staten een vel met twintig bijzondere postzegels met bekende schilderijen uit vier eeuwen Amerikaanse schilderkunst. Benjamin West, John Singleton Copley, Thomas Sully, Gilbert Stuart, John Trumbull, Willem de Kooning, Jackson Pollock, Barnett Newman, Frank Stella, Roy Liechtenstein en Andy Warhol zijn niet vertegenwoordigd.

John Foster “Portrait of Richard Mather”
The Freake Limner “Mrs. Elizabeth Freake and Baby Mary”
Ammi Phillips “Girl in Red Dress with Cat and Dog”
Rembrandt Peale “Rubens Peale with a Geranium”
John James Audubon “Long-billed Curlew, Numenius longrostris”
George Caleb Bingham “Boatmen on the Missouri”
Asher B. Durand “Kindred Spirits”
Joshua Johnson “The Westwood Children”
William M. Harnett “Music and Literature”
Winslow Homer “Fog Warning”
George Catlin “The White Cloud, Head Chief of the Iowas”
Thomas Moran “Cliffs of Green River”
Albert Bierstadt “The Last of the Buffalo”
Frederic Edwin Church “Niagara”
Mary Cassatt “Breakfast in Bed”
Edward Hopper “Nighthawks”
Grant Wood “American Gothic”
Charles Sheeler “Two Against the White”
Franz Kline “Mahoning”
Mark Rothko “Number 22, 1949″
Een van de vele boeiende onderwerpen die in het gesprek tussen Roel Bentz van den Berg en de aanstekelijke recreatieve filosoof Roy Sorensen in de eerste aflevering van VPRO’s Wintergasten ter sprake kwam, ging over On Bullshit van Harry G. Frankfurt. In dat boek beweert Frankfurt dat er steeds meer mensen betaald worden om te doen alsof ze iets weten. Het gaat niet zozeer om het spreken van waarheid maar meer om het spelen van deskundigheid. Dat komt volgens Frankfurt niet omdat we zo graag onwaarheid willen horen, maar omdat we onverschillig(er) zijn gaan staan tegenover waarheid. Frankfurt vindt dat we deze onverschilligheid in zekere zin meer moeten vrezen dan leugens, omdat een leugen tenminste nog naar waarheid (ver)wijst.

Boeken van Sorensen
A Brief History of the Paradox
Blindspots
Thought Experiments
Pseudo-Problems
Vagueness and Contradiction
Seeing Dark Things


volg de meester [ 1-17 ] | van oude meesters en dingen die niet voorbijgaan
De filosoof Wittgenstein stelde dat woorden daden zijn. En rapper Eminem zingt: “Words Are Weapons“. Woorden kunnen bijna even dodelijk zijn als een vuurwapen. Zeker wanneer het over het gedrukte woorden en grote oplagen gaat. Prestigieuze columnisten, zeker in de Verenigde Staten, die door een miljoenenpubliek dagelijks gelezen worden, kennen als geen ander de macht van het woord. In de jaren vijftig waarin sweet smell of success gemaakt werd, waren woorden als ‘communist’ en ‘marihuana’ verbale projectielen waarmee columnisten anderen konden maken of breken. Deze film, een van de beste film noirs die ik ooit gezien heb, gaat over een columnist (Burt Lancaster) en zijn persagent (Toni Curtis). Sweet smell of success toont de totale morele verdorvenheid van deze twee ratten, zonder dat er fysiek geweld gebruikt wordt. Het zijn de woorden die in deze film de ware killers zijn. Het scenario zit vol snedige dialogen, die als heerlijke cynische gevatheden kunnen amuseren en imponeren: “I’d hate to take a bite outta you. You’re a cookie full of arsenic.” Maar soms dringt het gif door en bezorgt de beheerste kilheid je het afgrijzen. Het ijzersterke filmscenario werd overigens geschreven door Clifford Odets en Ernest Lehman.



Elmer Bernstein



De Duitse pessimistische filosoof Arthur Schopenhauer werd aan het einde van zijn leven (1788-1860) gefotografeerd en de graveur Moritz Lämmer uit Leipzig maakte naar deze foto een staalgravure. Ik gebruikte Schopenhauer’s portret voor een rauwe interpretatie in acrylverf.

Vorige week werd The Birds of America bij Sotheby’s Londen voor £7.321.250 (€ 8.715.408 /$11.542.683) geveild. Teylers Museum in Haarlem kocht in 1835 al rechtstreeks een exemplaar van de maker voor 2200 gulden. Deze maand worden een aantal originele platen in het museum tentoongesteld.




Matthias Claudius (1740-1815), Friedrich Heinrich Jacobi (1743-1819), Georg Wilhelm Friedrich Hegel (1770-1831), Friedrich Wilhelm Joseph Schelling (1775-1854) | volg de meester [ 1-16 ] | van oude meesters en dingen die niet voorbijgaan [ PDF ]
Kleurstoffen worden traditioneel uit de natuur gewonnen en dragen vaak dichterlijke namen als ultramarijn, purper, karmijn, indigo, vermiljoen. Sinds de tweede helft van de negentiende eeuw hebben synthetische kleurstoffen de wereld veranderd. Niet alleen heeft de wereld door kunstmatige verfstoffen een ander gezicht gekregen, ook namen veranderden. Pruisisch blauw, een van de eerste synthetische kleuren (in 1704 in Berlijn ontdekt) heeft nog een naam die enigszins tot de verbeelding spreekt, maar #6698FF heeft dat niet meer, ook al vertegenwoordigt #6698FF het hemelsblauw. Met kleurcodes kan exact de juiste kleur worden aangeduid wat vooral in het digitale leven belangrijk is. Want alles moet beheersbaar zijn.

De documentaire gaat op reis door de geschiedenis op zoek naar de halfedelsteen lapis lazuli in Afghanistan, die door de Venetianen ultramarijn werd genoemd omdat het van overzee moest komen. Voor de kust van Libanon wordt al duizenden jaren op puperslakjes gevist die de leveranciers zijn voor de keizer onder de kleuren. In Tyrus wordt het procedé gevolgd om stoffen purper te verven. Indigo (#6F00FF) komt traditioneel uit India en is een plantaardig pigment. Tenslotte gaat de documentaire kijken in de ‘Nieuwe Wereld’ (Peru) waar de cochenilleluis al sinds de zestiende eeuw karmijn levert voor de internationale markt.
Voor het kleuren van textiel of verf zijn drie hoofdkleuren nodig: rood, blauw en geel. Vóór de komst van de synthetische kleurstoffen werden deze kleuren uit planten bereid. Heel wat planten lenen zich tot het bereiden van kleurstof (zie een overzichtje aan het eind van dit artikel), maar de voornaamste waren wel de Meekrap voor rood, de Wede en de Indigostruik voor blauw en Saffloer en Kurkuma (saffraanwortel) voor geel. Kleurstoffen zijn oplosbare organische stoffen. Daarmee verschillen ze van pigmenten, die onoplosbaar zijn (voorbeelden: oker, mangaanoxide, gips, roet). De meeste kleurstoffen worden tegenwoordig langs chemische wijze vervaardigd. Maar tot voor vrij kort geleden (ca. 1850) werd alle textiel met plantenstoffen geverfd.
Bron: plantaardigheden.nl
flickr.com/photos/christianmontone/sets/ | artskooldamage.blogspot.com

volg de meester [ 1-15 ]
van oude meesters en dingen die niet voorbijgaan [ PDF ]

An meinen Sohn Johannes, 1799
Na 1815 werd tijdens het Congres van Wenen de klok in Europa teruggedraaid en begon de Restauratie. (1815-1848) In Frankrijk kwam als vanouds weer een Lodewijk op de troon te zitten, en in heel Europa werd de monarchie de enige correcte staatsvorm. Nederland kreeg een koning Willem terug in plaats van een stadhouder Willem. De Restauratie betekende ook voor schilders dat hun programma veranderde. In de officiële Franse historieschilderkunst stond de rehabilitatie van het Franse koningsschap nu hoog op de agenda. Alle sporen van de Revolutie moesten worden uitgewist en Napoleon’s ‘hofschilder’ Jean Jacques David verdween in ballingschap naar Brussel. Zijn leerling Louis Hersent mocht blijven en deed mee aan de Restauratie. Zijn werk is braaf en sentimenteel en heeft in tegenstelling tot het werk van zijn leermeester David het modernisme niet overleefd.

Louis Hersent was een van de vele leerlingen van Jacques Louis David en won in 1797 de Prix de Rome voor schilderkunst. Van 1802 tot 1831 was hij bijna jaarlijks met werk vertegenwoordigd in de Parijse Salon, het mekka van de toenmalige hedendaagse schilderkunst. Hersent is vooral bekend geworden met het werk dat hij tijdens de Restauratie (1816-1831) maakte zoals Lodewijk XVI Verlichter van de Bedroefden (1817) en Daphnis en Chloë (1819). Zijn schilderij Ruth (1822) werd aangekocht door de reactionaire koning Lodewijk XVIII en deze maakte hem zelfs tot Officier van het Legioen van Eer. Tijdens de regering van Karel X (1825-1830) bleef hij populair. Met Monniken van Mount St Gotthard (1824), vol dramatische romantiek, had hij weer veel succes. In 1831 nam Hersent, inmiddels was hij 54, voor de laatste keer deel aan de Salon met een aantal portretten van burgerkoning Louis-Philippe (1830-1848).


Michelangelo, Rafael en Titiaan, die al eeuwenlang meedraaien in een universele canon van de schilderkunst, lijken te bevestigen dat er iets bestaat dat boven betrekkelijkheid uitstijgt. Toch laat een canon vooral het betrekkelijke van onze collectieve visie op eeuwigheidswaarde en tijdloosheid zien. De laatste jaren word ik mij er steeds vaker van bewust hoe mijn visie op de westerse schilderkunst (vooral die van de negentiende eeuw) bepaald is door de canon uit de handboeken die ik halverwege de jaren tachtig op de kunstacademie als naslagwerk gebruikte: Wereldgeschiedenis van de kunst van H.W. Janson (1962) en De moderne wereld van Norbert Lynton (1966). In beide boeken wordt door de bril van het modernisme naar de westerse (schilder)kunst gekeken. De schilderkunst van de negentiende eeuw werd door het modernisme vooral als een opmaat gezien van de moderne en abstracte schilderkunst. Van Gogh en Cézanne waren door het modernisme als geestelijke vaders geadopteerd. Vervolgens werd van 1899 tot 1800 een rode loper uitgerold, die alleen betreden mocht worden door schilders die voor Van Gogh en Cézanne de weg hadden voorbereid: de impressionisten natuurlijk, Manet, Corot, Turner en Goya. Allemaal schilders die rebelleerden tegen de gevestigde orde van het academisme.
Namen van salonschilders als William Bouguereau, Sir Lawrence Alma-Tadema, Jean-Léon Gérôme, Lord Frederick Leighton, John William Waterhouse en John William Godward kon je tevergeefs zoeken in de canon die in de loop van de twintigste eeuw gestalte had gekregen. De salonschilders beschikten over een fabelachtige techniek en in de negentiende eeuw behoorden zij tot de best betaalde schilders ter wereld. Maar ze stonden haaks op alles waar de moderne schilderkunst voor stond: het a la prima schilderen, het benadrukken van platheid, het taboe op bruin en natuurlijk de spontaniteit en vrije expressie. Omdat ze in de meeste gevallen afwijzend stonden tegenover de moderne ontwikkelingen in de schilderkunst, werden ze in de twintigste eeuw gestraft en uit de Hall of Fame gelazerd.
Onze postmoderne tijd heeft weinig met canons en met lijstjes van ‘grootsten aller tijden’. We zijn geneigd om juist de nadruk op het betrekkelijke en het kleine te leggen. Als ‘eeuwige schoonheid’ al bestaat, dan alleen in het vluchtige moment dat altijd aan een bepaalde plaats gebonden is. Dat de door het modernisme verdrongen academische kant van de negentiende eeuw nu weer in beeld mag komen, heeft volgens mij te maken met de postmoderne houding dat ‘alles’ geoorloofd is, nu we bevrijd zijn van dwangmatige vernieuwingsdrang. Als je weer wilt tekenen en schilderen als Rafael, ga je gang. Maar in de twintigste eeuw werd in het kunstonderwijs de ambachtelijke basis onder de schilderkunst weggeslagen. Op de academies voor hedendaagse kunst waren geen leraren meer die hun studenten de technieken van de oude meesters konden leren. Daarom ontstonden er halverwege de jaren tachtig uit particuliere initiatieven alternatieve kunstacademies die het kunstonderwijs van de negentiende eeuwse academie reanimeerden. En zo kwam er vanzelf weer belangstelling voor de vruchten van het academische kunstonderwijs, de salonschilders.
Sinds 1990 is er een kentering gaande en staan negentiende eeuwse salonschilders opnieuw in de belangstelling. Er worden weer tentoonstellingen gemaakt waarin hun werk gepresenteerd wordt (bijvoorbeeld in het Van Gogh Museum) en op veilingen zijn de prijzen voor negentiende eeuwse academische schilderkunst weer gestegen, nadat in de jaren zestig een absoluut dieptepunt was bereikt. Het postmodernisme heeft de canon van het modernisme prettig op losse schroeven gezet.
In het modernisme betekende ‘nieuw’ altijd ‘beter’. De moderne mens was de nieuwe mens die een nieuwe en dus betere wereld nastreefde. Weg van het oude! Maar het postmodernisme gelooft hier niet meer in. De dwingende richting van het modernisme is in het postmodernisme verdwenen. Hoe gaat het postmodernisme met dit vacuüm om? Is er geen richting meer en draait het postmodernisme louter om zichzelf? Of heeft het postmodernisme toch een eigen program, een verborgen agenda misschien?
In het postmodernisme lijkt alles te kunnen. Het oude mag gerust terugkeren, want oud en nieuw zijn relatieve begrippen. Elke richting en elke stijl lijkt binnen het postmodernisme geoorloofd. Let wel, binnen het postmodernisme, want het postmodernisme hecht aan eigen richtinggevende waarden, zoals ‘niet-vastleggen’ en ‘niet-oordelen’. Postmodernisme staat sterk voor relativisme en pluriformiteit. Dat betekent dat er voor het postmodernisme niet één waarheid of één schoonheid bestaat. Iedere tijd, ieder volk, ieder individu heeft zijn eigen waarheid en schoonheid. Maar deze pluriformiteit, brengt tegelijkertijd het postmodernisme met zichzelf in tegenspraak, of brengt op zijn minst zijn blinde vlek in beeld.
De uiterste consequentie van de postmoderne pluriformiteit is dat mooi en lelijk, goed en slecht, waar en onwaar niet alleen relatief maar ook inwisselbaar zijn. Daarmee houden ze feitelijk op te bestaan, zodat er een oordeelloos, oosters “Tat Tvam Asi” overblijft. Letterlijk betekent dit: “Dat zijt Gij", maar hier is een onpersoonlijke en zakelijke vertaling (“het is wat het is”) meer op zijn plaats. Het postmodernisme bereikt deze verheven staat van bewustzijn, waarin ‘alles ok’ is, zelf niet. Postmodernisme verzet zich namelijk tegen alles dat zich vastlegt en oordeelt, behalve tegen zijn eigen oordeel en fixatie.
Wanneer woorden als ‘waarheid’ en ’schoonheid’ vallen, schiet het postmodernisme in een reflex om deze woorden vlug een kopje kleiner maken. Schoonheid en waarheid mogen van het postmodernisme hoogstens bestaan als relatieve begrippen, individuele waarden, eigen opvattingen. Ze blijven intussen wel een achterdeurtje openhouden naar de aanspraak op algemene geldigheid die ze in het verleden hadden. Het zijn de lakeien van het Ancien Régime van de metafysica , van vóór ‘de dood van God’. Na de Revolutie van het modernisme, wil het post-modernisme beslist geen Restauratie. Daarom is het postmodernisme alert als er een Groot Woord valt, want voor je het weet staat er weer een Groot Verhaal!
Desalniettemin is humor de kracht en het wapen van het postmodernisme. Universele, metafysische en absolute waarden worden niet meer erkend. Het enige wat werkelijk telt, is de hoogstpersoonlijke ervaring, die zo klein en zo breekbaar is, dat humor, maar ook ontroering, er wel het hart van moeten vormen. Het graniet van Waarheid en Schoonheid heeft in ‘het heilige hart van de persoonlijke ervaring’ niets te zoeken. Humor geeft de bedenkelijke macht om zélf te ontkrachten en onderuit te halen, om zélf de onmachtige baas te zijn over de onverbiddelijke relativiteit en vergankelijkheid van het bestaan.
Om de achterkant van onze welvaart in zijn negentiende eeuwse gedaante te zien, moet je tegenwoordig het land uit en bijvoorbeeld een bezoek brengen aan de slums van Mumbay en Manilla, de bidonvilles van Rio de Janeiro of de suburbs van Philadelphia. Maar in de negentiende eeuw hoefde je, als je de stank verdragen kon, in Amsterdam maar een steegje in te slaan, of een bezoekje aan de Jordaan te brengen, om met de sociale ellende van het leven in de sloppenwijken geconfronteerd te worden.
Auke van der Woud, hoogleraar architectuur- en stedebouwgeschiedenis, heeft een boek geschreven over de sociale omstandigheden in de achterbuurten in de negentiende eeuw in Nederland. Het is een episode uit onze nationale geschiedenis die we liever wat op de achtergrond houden. Ook in de negentiende eeuw werd de armoede weggedrukt naar de rand en de achterkant van het geruststellende burgerlijke decorum.

Amsterdamse krottenwijken op negentiende eeuwse foto’s ogen als ongeboende straatjes van Vermeer, die door het zachte strijklicht langs de vervallen en scheve gevels iets onmiskenbaar pittoresk hebben gekregen. Maar het leven in de negentiende eeuwse gribus moet waarschijnlijk weinig verschil hebben gemaakt met het leven in de sloppenwijken van de Derde Wereld in de eenentwintigste eeuw. De verweerde betonnen karkassen van mislukte bouwprojecten die met plastic en roestige golfplaten ‘bewoonbaar’ zijn gemaakt, zijn een hedendaagse vertaling van de ’schilderachtige’ maar vooral stinkende achterbuurten uit de negentiende eeuw. De smerigheid, de honger en de sociale ellende zijn gelijk gebleven.
Koninkrijk vol sloppen
Achterbuurten en vuil in de negentiende eeuw
Europa was in de late negentiende eeuw getuige van een volksverhuizing. Miljoenen mensen verruilden toen hun agrarische omgeving voor een woning in de stad. Momenteel zien we die massamigratie op mondiale schaal, vooral in China, Afrika en Latijns-Amerika. Verstedelijking en modern leven horen blijkbaar bij elkaar. Een koninkrijk vol sloppen gaat over het begin van de stedengroei in Nederland. Het stille land met 3 miljoen zielen in 1850 was vijftig jaar later in en rond de grote steden een drukke moderne wereld geworden. Maar rond 1900 wemelde het daar ook van overbevolkte krotten en mensenpakhuizen. Schoon water, deugdelijk voedsel, frisse lucht en modern sanitair waren in de achterbuurten zeer zeldzaam. In alle grote steden hoopte het weeë vuil zich spectaculair op. Meer dan een miljoen Nederlanders leefden in een situatie die overeenkomsten vertoont met de slums van de huidige Aziatische, Afrikaanse en Latijns-Amerikaanse metropolen. Auke van der Woud beschrijft die halfvergane oude wereld in de duistere delen van de stad.
( Bron: vpro.nl )

volg de meester [ 1-14 ]
van oude meesters en dingen die niet voorbijgaan [ PDF ]
Ik had nog nooit van hem gehoord maar gisteren kwam hij in mijn leven door een essay over William Turner in The Power of Art van Simon Schama. Sir Edwin Henry Landseer was de lievelingsschilder van koningin Victoria en werd vooral bekend met zijn dierenschilderijen. In 1837 schilderde hij het huwelijk van de jonge koningin en prins Albert . Twee jaar later mocht hij op Windsor Castle de koninklijke huisdieren schilderen. Victoria was dol op honden en Landseer schilderde zulke leuke hondenplaatjes, dat hij tenslotte in 1850 geridderd werd. Sir Edwin Henry is nauwelijks nog bekend en hij leeft vooral voort als de schepper van de vier leeuwen aan de voet van Nelson’s Column op Trafalgar Square.



In grafische, dus digitale vormgeving, spreken we niet meer over karmijn, vermiljoen of indigo. Kleuren hebben voortaan een nummer gekregen. Een computerscherm maakt gebruik van RGB-kleuren en deze worden vaak genoteerd in een hexadecimale code. Daarmee kunnen 17,6 miljoen verschillende combinaties (lees: additieve kleurmengingen) worden gemaakt. Dat zijn meer nuances dan het menselijk oog kan onderscheiden. Maar in de praktijk wordt hier maar een fractie van gebruikt. In de grafische vormgeving is de signaalkleur #FF33CC een van de meest gangbare kleuren geworden. Zoals de visboer vanaf zijn marktkraam schreeuwt, zo schreeuwt #FF33CC vanaf het drukwerk. Geen subtiele psychologie maar keiharde fysiologie. #FF33CC sells! #FF33CC rules!


Simon Schama schrijft heerlijke boeken over cultuurgeschiedenis. Overvloed en onbehagen (The Embarrassment of Riches, 1987) en Landschap en herinnering (Landscape and Memory, 1995) hebben we al in huis en afgelopen zaterdag voegde Michaela daar De kracht van kunst (The Power of Art, 2006) aan toe. Vier jaar geleden maakte Schama voor de BBC de televisieserie Simon Schama’s Power of Art waaruit dit boek is voortgekomen. Hij behandelt in deze serie acht kunstenaars: Caravaggio, Bernini, Rembrandt, David, Turner, Van Gogh, Picasso en Rothko waarbij hij telkens probeert het moment te vinden waarop het leven van de kunstenaar in zijn werk terecht komt. Volgens Schama openbaart zich dáár de kracht van kunst. Ik ben via de achterdeur in het boek naar binnengestapt, bij Marc Rothko. Hieronder een proeve van Schama’s rake en vaak humoristische beschrijvingen:

Simon Schama in The Power of Art
the golden age of advertising [ weburbanist.com ] | plan59.com