


De Duitse landschapsschilder Carl Blechen (1798-1840) begon zijn loopbaan in 1824 als decoratieschilder in het Städtisches Theater in Berlijn. Het werk benauwde hem en in 1828 vertrok hij voor anderhalf jaar naar Italië. Toen hij terugkeerde was het koloriet in zijn schilderijen volkomen veranderd. De mediterrane wereld had zijn ogen geopend voor licht en kleur. Wanneer je in de Alte National Galerie in Berlijn op de bovenste verdieping in de grote zaal de landschappen van David Caspar Friedrich bekijkt en vergelijkt met het werk van Carl Blechen in de aangrenzende kabinetten, dan valt je onmiddellijk het verschil op tussen een Duitse schilder die wél en een Duitse schilder die niet in Italië is geweest. Carl Blechen is te laat geboren voor de Romantiek. Eerder is hij evenals John Mallord William Turner een voorloper van het impressionisme.
Maar in onderstaand schilderij dat hij omstreeks 1826 schilderde, toont hij zich een ware romanticus. Het is een donker landschap, terwijl de rotsformatie theatraal belicht wordt. Voor Blechen’s tijdgenoot, de arts , schilder en amateur-geoloog Carl Gustav Carus vormen rotsen een belangrijk bestanddeel van wat hij het Erdblebenbild noemde. Maar voor Carl Blechen lijken de rotsen hier een samengebalde demonische energie te representeren. Links op de voorgrond zien we een naakte figuur die de jager aanmoedigt om te schieten. Op de oever zien we een vreemde figuur, is het een kluizenaar? Het is allemaal niet duidelijk, maar dit raadselachtige tafereel vind ik persoonlijk wel een van de meest intrigerende landschappen van Blechen.


Ondanks zijn sprankelende en kleurrijke landschappen uit de jaren dertig waarin we het visioen van het impressionisme al kunnen zien schitteren, lukt het Blechen niet om zijn persoonlijke demonen te bedwingen. Tegen zijn veertigste raakt hij ernstig depressief. In 1837 wordt hij opgenomen in een kliniek. Het jaar daarop maakt hij nog een erholungsreise naar Dresden. Tenslotte sterft hij in 1840 ‘in geistiger Umnachtung’. Hij wordt net geen 42.
Vorige maand werd Hans Achterhuis (1942) aangesteld als eerste Denker des Vaderlands en de Humanistische Omroep (HUMAN) herhaalde gisterenavond een documentaire uit 2008 naar aanleiding van zijn magnum opus Met alle geweld dat drie jaar geleden verscheen. Achterhuis lijkt versmolten met het thema geweld dat hem al zijn hele volwassen leven bezighoudt. Hij maakt een ernstige, bedachtzame en bijna timide indruk. De documentaire begint met een gesprek in een zogenaamd panopticum, een koepelgevangenis, volgens de Franse filosoof Michel Foucault én Hans Achterhuis een materialisering van (staats)geweld, geconstrueerd vanuit de gedachte dat je vanuit één centraal punt anderen met geweld jouw wil mag opleggen. Hierin is Achterhuis duidelijk een erfgenaam van het anti-autoritaire denken uit de jaren zestig, de jaren waarin hij zijn politieke bewustzijn ontwikkelde.
Het panopticum is misschien wel dé architectonische uitdrukking van centraal gezag en autoriteit. In de jaren zestig was alles dat naar autoriteit neigde, bij voorbaat al verdacht en in potentie gewelddadig. Door het anti-autoritaire klimaat in de jaren zeventig veranderde ook de gevangenisarchitectuur. Dat is heel goed te zien in de Penitentiaire Inrichting Over-Amstel (Bijlmerbajes) uit 1978. Deze gevangenis ziet er eerder uit als een reusachtig Ibishotel. In plaats van tralies hebben de cellen ramen van dik kogelvrij glas om de gevangenen geen opgesloten gevoel te geven. Het is een gematerialiseerd eufemisme, zoals de beleefdheidswoorden ‘penitentiaire inrichting’ en ‘gedetineerde’. Maar de gevangenen maakt dit juist agressief omdat het kogelvrije glas het gevoel geeft op een hotelkamer te zitten. Intussen zit je achter het vriendelijke glas even gevangen als achter de grimmige tralies. Wat dat betreft is een panopticum duidelijker en ‘eerlijker’.
In de documentaire komen historische beelden voorbij die Hans Achterhuis in zijn denken over geweld gevormd hebben: de atoombommen op Japan, de oorlog in Indonesië, de rassenrellen in Zuid-Afrika, de dood van Che Guevarra en Ulrike Meinhof en de moord op Pim Fortuyn. De laatste gebeurtenis vormde een aanleiding om zijn reflecties op geweld te gaan bundelen en in 2008 verscheen het vuistdikke Met alle geweld. Achterhuis is een maatschappelijk betrokken filosoof die telkens probeert om de algemene vraag “Bestaat er rechtvaardig geweld?” zo concreet en actueel mogelijk te maken. De filosofische en abstracte vraag “Wanneer is geweld geoorloofd?” neemt bij hem altijd een heel concrete gedaante aan, bijvoorbeeld “Moet de Nederlandse regering een politiemissie naar Kunduz zenden?”
Hans Achterhuis
Als Denker des Vaderlands probeert hij ons te stimuleren onszelf te ondervragen over politieke, actuele en ethische kwesties die ons willen verleiden tot een vlugge en gemakkelijke stellingname. Van Hannah Arendt heeft hij de ernst en de bereidheid overgenomen om de mogelijkheid tot kwaad in onszelf te herkennen. Hij illustreert het met een historisch voorbeeld: “De ergste vijanden van de fascisten waren de fascisten die het fascisme in zichzelf herkenden.” Daarom stelt de Denker des Vaderlands dat we voor onszelf een vijand moeten worden en tegen onszelf moeten vechten. Dit is eigenlijk een heel christelijke gedachte. Achterhuis had voor zijn magnum opus graag een tekening van Rembrandt op de omslag gehad waarin Kaïn zijn broeder Abel doodt. De filosoof ziet het Bijbelverhaal als een van de vele oerverhalen over de oorsprong van het geweld in de wereld. Tijdens zijn lezingen wordt soms een fragment getoond uit 2001: A space odyssey van Stanley Kubrick, waarin het eerste gereedschap dat de mensaap hanteert een moordwapen wordt.

Het is jammer dat Achterhuis zo gemakkelijk de constatering doet dat er altijd geweld in de wereld is geweest. Ga je een klein stukje terug in de Bijbel dan lees je het verhaal over de zondeval, die een verklaring geeft over het kwaad in onze ‘gevallen wereld’. Want bij gewelddadigheid hoort het kwaad, daar hoef je geen gelovige voor te zijn. Zo ook niet om aan te nemen dat vreedzaamheid bij het goede hoort. Achterhuis stelt dat je de mogelijkheid tot kwaad in jezelf moet herkennen om het tegen te kunnen houden. Maar dat is slechts voor een deel waar. Zelfkennis leidt inderdaad tot zelfbeheersing. En toch kunnen we het kwaad niet altijd tegenhouden en als we daar beter naar gaan kijken, dan blijkt achteraf dat we het kwaad tot onze schaamte opzettelijk gewild hebben. We hebben het onderbouwd met een constructie van edele, goede gedachten.
Achterhuis noemt dit het ‘doel-middel denken’. Daarbij is het doel altijd een hoger en abstract ideaal. Alle totalitaire systemen zijn hier exemplarisch voor. Om het goede te bereiken, moet het kwade worden uitgeroeid. Bij humanitaire interventie ligt het allemaal veel genuanceerder. Volgens Achterhuis moeten we bij humanitaire interventie in navolging van Hannah Arendt onze doelen zo concreet mogelijk benoemen om ons te beschermen tegen het kwaad. Want we worden voortdurend bedreigd door het gevaar van imagologie, het scheppen van een mooi beeld over onszelf. “Het beschermen van de burgerbevolking” is een veel te abstracte omschrijving. Er moeten juist heel concrete, militaire doelstellingen naar voren gebracht worden. Dan wordt ook duidelijk waar de humanitaire interventie over gaat en kan een verborgen agenda aan het licht komen. We moeten genadeloos eerlijk zijn tegenover onszelf zodat we niet genadeloos hoeven te zijn tegenover de ander.
Franz Sternbald Wanderungen is een kunstenaarsroman die Ludwig Tieck op 25-jarige leeftijd publiceerde in een poging om met Goethes Wilhelm Meisters Lehrjahre te wedijveren. De oorsprong van deze roman ligt vijf jaar eerder. In de zomer van 1793 maakte Tieck als jonge student samen met zijn vriend en studiegenoot Wilhelm Heinrich Wackenroder een wandeltocht door Franken waar ze o.a. Bamberg en Nürnberg bezochten. “Je kunt zonder overdrijving zeggen dat het Tieck en Wackenroder waren die in die zomer dit Frankische land met zijn middeleeuwse stadjes, bossen, burchtruïnes, residenties en mijnen als eersten het aureool van het beloofde land van de Duitse Romantiek gaven“, schrijft Rüdiger Safranski in zijn boek over de Romantiek. Wackenroder zou aan de tyfus overlijden in het jaar dat Tieck’s kunstenaarsroman verscheen. Een jaar eerder hadden ze samen nog Herzensergießungen eines kunstliebenden Klosterbruders gepubliceerd, een verzameling kunstenaarsbiografieën en novellen. Na Wackenroder’s dood stelde Tieck een heruitgave samen. Zowel de ‘Herzensergießungen‘ als ‘Franz Sternbald‘ vinden hun oorsprong in de reis die ze in 1793 gemaakt hadden.
Hoofdpersoon Franz Sternbald is een leerling van Albrecht Dürer uit Nürnberg, de eerste Duitse kunstenaar die in 1494 naar Italië reisde en die vervolgens de Renaissance naar het Noorden bracht. Na hem zouden ontelbare Duitse schilders volgen en velen van hen zouden zich in Rome vestigen. Ze staan bekend als de Deutschrömer. Tieck stuurt zijn romanfiguur eerst naar Holland waar hij in Leiden het ‘wonderkind’ Lucas van Leyden ontmoet. Samen met Dürer behoort deze tot de genieën van de “Noordelijke Renaissance". Daarna reist Franz Sternbald naar Italië om kennis te maken met de kunst van de grote meesters (Raffaël, Michelangelo en Leonardo). Van de kunstminnende Wackenroder heeft Tieck de devotie voor religieuze schilderkunst (Albrecht Dürer, Raffaël) en muziek (Joseph Berglinger) overgenomen.
In de vroege Romantiek zou voor het eerst ‘de kunst van de religie’ en ‘de religie van de kunst’ worden beleden. De idealisering van de laat-Middeleeuwse wereld van Albrecht Dürer begint bij Wackenroder en Tieck. Geïnspireerd door hun kunstbeschouwingen verenigen zich in 1804 een aantal schilders onder de naam Nazarener. Deze groep schilders richt zich op religieuze kunst in de stijl van Raffaël. Vanaf 1810 vestigen de Nazarener zich in Rome en vormen er een kunstenaarskolonie. Franz Sternbald komt hier tot leven in schilders als Ludwig Schnorr von Carolsfeld, Philipp Veit, Peter von Cornelius, Franz Ludwig Catel, Joseph Anton Koch, Wilhelm von Schadow en Carl Philipp Fohr.

Franz Sternbalds Wanderungen
Het aprilnummer van Filosofie Magazine is gewijd aan ‘het echte leven’, het thema van de Maand van de Filosofie. Onze huidige obsessie met authenticiteit gaat terug naar de Romantiek en naar Jean-Jacques Rousseau en de Sturm und Drang, in het derde kwart van de achttiende eeuw. Maarten Doorman, bekend van o.a. De Romantische Orde (2004), stelt in zijn essay Het echte leven is ook maar een bedenksel dat ‘het echte leven’ een erfenis is uit de Romantiek.
Verderop in het aprilnummer gaat Maarten Meester in vogelvlucht door Rousseau, de Sturm und Drang en de Romantiek. Romantici zien de mens het liefst spelend heet zijn bijdrage. Safranski’s boek Romantiek. Een Duitse Affaire is inmiddels een standaardwerk geworden. Veel van wat Maarten Meester in het historische profiel naar voren brengt, kende ik al uit dit boek. Hij benadrukt het romantische ideaal van de homo ludens, de spelende mens, dat met name in de brieven Über die ästhetische Erziehung des Menschen door Friedrich von Schiller is uitgewerkt. Het romantische spel dat vooral in de ironie tot uitdrukking komt, is een fenomeen waar de moderne mens zeer vertrouwd mee is. Wanneer we stellen dat ‘het echte leven’ ook ‘maar’ een constructie is, bedoelen we niet dat ‘het echte leven’ niet bestaat, maar zijn we ons er veeleer van bewust dat ons leven een spel met de werkelijkheid is.

uit: FM Historisch Profiel






vader Alexander Schmemann

vader Alexander Schmemann

Isaiah 53:12

Vandaag is Nektarios gedoopt in de Waal bij Neerijnen. Daarna vierden we samen met vader Dušan van de Servische parochie Sveti Nektarije Eginski (Breda) de Goddelijke Liturgie in de tuin bij de kapel van vader Jozef in Neerijnen . Met de zegen van vader Voja dienden de (hypo)diakens van de Servische parochie Sveta Trojica (Rotterdam) mee tijdens deze bijzondere gebeurtenis.








svetinektarijeeginski.com | svetatrojica.nl | orthodox-nijmegen.nl


In het tweede deel van zijn artikel 150 Years After Fort Sumter: Why We’re Still Fighting the Civil War in TIME Magazine (12 april 2011) gaat David von Drehle in op de verwerking van de Amerikaanse Burgeroorlog. Nadat op 9 april 1865 het Zuiden gecapituleerd was, begon onder leiding van de noordelijke overwinnaars de Reconstruction. De economie en de infrastructuur van het Zuiden waren vernietigd. Aan beide kanten waren ruim 600.000 soldaten in de strijd omgekomen. Dat zijn er meer dan in alle oorlogen van de twintigste eeuw bij elkaar. Tijdens de Slag bij Gettysburg vielen in drie dagen 58.000 doden, bijna evenveel als tijdens de jarenlange oorlog in Vietnam. Daarbij waren er nog eens tienduizenden burgerslachtoffers gevallen. Zowel het Zuiden als het Noorden waren na het einde van de oorlog uitgeput. Tijd voor reflectie was er nog niet. Het land moest weer opgebouwd worden. In 1866 publiceerde Edward Pollard uit Richmond (de voormalige hoofdstad van de Geconfedereerde Staten) zijn boek The Lost Cause. Hierin werd het Zuiden geïdealiseerd als een aards paradijs dat door het Noorden verwoest was. Maar vlak na de oorlog was de tijd nog niet rijp voor deze visie.
Pas in de jaren tachtig leek Amerika uit zijn verdoving bij te komen. Geleidelijk aan durfde men terug te gaan kijken. Kort na de dood van president (en voormalige opperbevelhebber van het Noorden) Ulysses Grant in 1885 werden zijn Memoirs gepubliceerd. Vier jaar eerder had Jefferson Davis zijn verhaal al wereldkundig gemaakt. Davis was de president van de Geconfedereerde Staten geweest. Zijn boek The Rise and Fall of the Confederate Government uit 1881 werd in die tijd een bestseller en voor het eerst durfde men in het Zuiden nu de term The Lost Cause (ontleend aan Pollard’s boek uit 1866) in de mond te nemen. Davis speelde in zijn boek in op het ressentiment dat onder de bevolking van het verwoeste Zuiden volop leefde. In het voorjaar van 1861 had hij met de afscheiding het Zuiden toegesproken met de woorden: “Will you consent to be robbed of your property (slaves) — or will you strike bravely for liberty, property, honor and life?” Maar twintig jaar later schreef hij dat het industiële Noorden de issue van de slavernij gebruikt had om de wereld zijn morele superioriteit te tonen en vervolgens het agrarische Zuiden eronder te krijgen.
The Lost Cause werd een sterke beweging en zou in de eerste helft van de twintigste eeuw vooral door het nieuwe medium film, de beeldvorming over de Civil War krachtig gaan beïnvloeden. De twee beroemdste films die over de Amerikaanse Burgeroorlog zijn gemaakt, verkondigden allebei het gedachtegoed van the Lost Cause. Het werden gigantische kassuccessen. The Birth of a Nation van filmpionier D.W.Griffith verscheen tijdens de Eerste Wereldoorlog in de Amerikaanse bioscopen. Het publiek betaalde in 1915 twee dollar voor een bioscoopkaartje (omgerekend naar 2011 is dat 40 dollar!)


De andere beroemde film die the Lost Cause hielp te verspreiden, was Gone with the wind uit 1939 naar de gelijknamige bestseller van Margaret Mitchell. Vertegenwoordigers van de zogenaamde Lost Cause School waren Thomas Nelson Page (1853-1922), Joel Chandler Harris (1845-1908), William Archibald Dunning (1857-1922) en James G. Randall (1881-1953).
Chuck Rand

Na de Tweede Wereldoorlog zou The Lost Cause aan invloed verliezen. In de jaren vijftig verschenen de eerste studies van Afro-Amerikanen, die schreven over het leven van hun voorouders op de plantages. Vlak vóór en tijdens de American Civil War Centennial (1961-1965) was er een stortvloed van publicaties die vooral de sociale postie van de Afro-Amerikanen ter discussie stelden. Honderd jaar na afloop van de Amerikaanse Burgeroorlog zouden de afstammelingen van de slaven met de aanname van de Civil Rights Act in 1964 eindelijk gelijke burgerrechten krijgen.

Vorige week werd in de Verenigde Staten het bombardement van 12 april 1861 op Fort Sumter herdacht. De herdenking van het begin van de Amerikaanse Burgeroorlog is de eerste in het Sesquicentennial of the American Civil War (2011-2015). De 150-jarige herdenking van het grootste trauma uit de Amerikaanse geschiedenis is voor Amerikanen een oefening in nationaal zelfbewustzijn. Wat is de betekenis van deze oorlog voor de Amerikanen van nu? En in hoeverre smeult deze nog na in het Amerika van president Obama? Vragen die in de Amerikaanse media telkens weer gesteld worden. Op de omslag van TIME stond vorige week de iconische president Lincoln afgebeeld met een gephotoshopte traan. Het Amerikaanse opinieblad besteedde veel aandacht aan het sesquicentennial en David von Drehle schreef het omslagartikel: 150 Years After Fort Sumter: Why We’re Still Fighting the Civil War
Drehle begint met de constatering dat 150 jaar na het uitbreken van de Civil War de oorzaak van het conflict voor veel Amerikanen niet meer eenduidig is. In de officiële geschiedschrijving leren we dat de slavernij dé oorzaak van de Amerikaanse Burgeroorlog was. Maar voor veel Amerikanen blijkt het niet zo ongecompliceerd. Wanneer je op Google de vraag “what caused the Civil War?” intypt, krijg je twintigmiljoen hits. Harris Interactive legde in januari aan 2566 Amerikanen deze vraag voor. De resultaten waren opmerkelijk:
In de interpretatie van hun grootste trauma blijken de Amerikanen dus niet eensgezind. Komt dit door het onderwijs en de voorlichting? Of smeult de oorlog nog zo na dat de Verenigde Staten ergens verdeeld zijn gebleven? De 150-jarig herdenking die in ons land volledig langs ons heen gaat, blijkt voor de Amerikanen in ieder geval geen overbodige oefening in nationaal zelfbewustzijn, maar een noodzakelijke les in samenhorigheid.
harrisinteractive.com
Vervolgens gaat Drehle terug naar het begin van het begin (12 april 1861). De lezers van TIME krijgen een korte geschiedenisles waarbij er nog eens ingestampt wordt dat de abolition of slavery wel degelijk dé oorzaak van de Amerikaanse Burgeroorlog is geweest. Eigenlijk moeten we nog verder terug in de tijd om het heel duidelijk te zien. Om precies te zijn, naar 4 juli 1776, de geboortedag van de Verenigde Staten. De kiem van het conflict werd namelijk gezaaid in de Constitution en de Founding Fathers waren zich ervan bewust dat er bij de geboorte van deze eerste republiek uit de moderne tijd een tijdbom was gaan tikken. In dit document dat bij Amerikanen religieuze gevoelens losmaakt en hen van trots vervult, staat namelijk dat alle mensen gelijk zijn. Dit is uiteraard onverenigbaar met slavernij. Maar in 1776 was een compromisloze praktisering van het gelijkheidsbeginsel nog geen haalbare kaart.

In de eerste helft van de negentiende eeuw beginnen de noordelijke staten geleidelijk met de afschaffing van de slavernij. Noord en Zuid gaan steeds meer een eigen weg en vermijden beide de pijnlijke confrontatie. Na de oorlog met Mexico (1848) begint de grote expansie naar het Westen. Er worden territoria gevormd die later als nieuwe staten bij de Unie worden gevoegd. De grote vraag is nu of deze nieuwe staat een slavenstaat óf een slavenvrije staat moet worden. De tijdbom begint nu steeds sneller te tikken. Met de Kansas-Nebraska Act wordt nog een wanhopige compromis gesloten om de onvermijdelijke confrontatie te voorkomen. Washington laat de pioniers van het Kansas-Nebraska territorium zélf beslissen. Dit blijkt het startsein voor een bloedige guerillaoorlog onder de pioniers in het nieuwe territorium. Bleeding Kansas (1854-1858) vormt het voorspel van de oorlog die drie jaar later uitbreekt…
The First Shot
Robert N. Rosen, Richard W. Hatcher IIIThis short pictorial history documents the first shot of the Civil War, the Confederate bombardment of Fort Sumter on April 12–13, 1861. Historians Robert N. Rosen and Richard W. Hatcher III have gathered, in one book, more illustrations and photographs about the First Shot than can be found in any other previous book. Here the reader will find the dramatic story—in words and pictures—of the leaders, personalities, soldiers, forts, and the dramatic artillery bombardment itself, all under one cover. (Bron: arcadiapublishing.com)
In het tweede deel van het artikel gaat Drehle uitvoerig in op de verwerking van de Civil War. Volgende keer meer hierover…
De sfeer in de film noir en de Amerikaanse realistische krantenstrip uit de jaren veertig en vijftig spreekt mij bijzonder aan. Net als de houtsnede kent de realistische krantenstrip maar twee waarden: zwart en wit. Kruisarceringen voor een optisch grijs worden meestal vermeden. In plaats daarvan moet een harde zigzag-begrenzing de geleidelijke overgang van zwart naar wit suggereren. Tekenaars van realistische krantenstrips uit de jaren veertig en vijftig zoals Alex Raymond (Flash Gordon, Rip Kirby) en Will Eisner (The Spirit) waren meesters in het zwart en wit. Naast een virtuoze penseelstreek, waren ze ook erg goed in de (vaak filmische) vlakverdeling.

Ik koos een paar foto’s van Gregory Peck en Cary Grant uit de jaren veertig en vijftig om in de sfeer te blijven van de Amerikaanse krantenstrip uit die tijd. Hun archetypische mannensmoelen sluiten perfect aan bij het plaatje van de ideale held-charmeur. Soms kozen striptekenaars bewust voor één acteur als model van hun (anti-)held. Zo modelleerde de Franse tekenaar Jean Giraud (Moebius) Luitenant Blueberry naar de kop van Jean Paul Belmondo.


De hedendaagse underground tekenaar Charles Burns heeft van het harde contrast zijn handelsmerk gemaakt en een zeer eigen retrostijl ontwikkeld.
De mooiste reizen zijn voor mij reizen door ruimte en tijd, als aardrijkskunde en geschiedenis zich verstrengelen. Voor deze zomer zijn wij er nog niet uit. Het wordt in ieder geval weer richting Italië. Vorig jaar gebruikten we de catalogus van de tentoonstelling Bayern-Italien als historische reisgids en reisden we van Würzburg via Augsburg naar Venetië. Daarbij reisden we aan de hand van Goethes dagboek uit 1786 in omgekeerde richting van Venetië naar Innsbruck. We zullen zeker niet de eerste geweest zijn die Goethes verslag van zijn Italiëreis hebben gevolgd op onze weg naar het Zuiden. In 1828/29 maakte de Duitse schilder Carl Blechen een reis naar Venetië, Rome en Napels en gebruikte het toen al beroemde dagboek als literaire reisgids.

In de marges van zijn schetsboeken maakt Blechen steeds aantekeningen, zodat we nu een soort logboek van zijn reis hebben. Maar zijn notities onthullen vaak weinig over zijn reis. Zo schrijft hij bij een schets die hij in de krater van de Vesuvius maakte: “Im Krater des Vesuv geschrieben: Mein gutes Weib […] Weib! Ich denke stets an dich immer bist du bey mir. So auch hier.” (Zweites Neapler Skizzenbuch“ (Skb. IV), RV 1047/HAUM ZL 81/5793, fol. 49r, Blei, 10 x 13 cm; Teile des zitierten Textes sind unleserlich.).

Carl Blechen (1798-1840) is een opmerkelijke schilder. Net iets eerder dan Adolph Menzel maakt hij in de jaren dertig van de negentiende eeuw al schilderijen die op het impressionisme vooruitlopen. Overigens breekt aan het einde van dit decennium ook de uitvinding van de fotografie definitief door. De schetsen die Blechen maakt in de negen weken dat hij in de omgeving van Amalfi verblijft (mei-juli 1829) komen heel fotografisch over. De tentoonstelling over zijn zogenaamde Amalfi-schetsboek, vorig jaar in de Alte Nationalgalerie, heette daarom niet voor niets Mit Licht gezeichnet.

De techniek die Blechen hier gebruikt, werd in Italië voor het eerst toegepast door noordelingen. Waarschijnlijk omdat juist de kunstenaars uit het Noorden gevoeliger zijn voor het zuidelijke licht dan de inheemse kunstenaars. Zo komen we bij de twee Bentvueghels Bartholomeus Breenbergh en Cornelis van Poelenburch in de jaren twintig van de zeventiende eeuw al tekeningen tegen, waarbij het papier met sepia ‘gewassen’ is en alleen die delen waar het directe zonlicht valt, zijn uitgespaard. Zo lijkt het alsof er licht schijnt in het papier. Het papier zélf wordt van licht en door de gewassen en transparante delen zijn de schaduwen realistisch en onstoffelijk. Dit is dus een heel fotografische ziens- en werkwijze: het licht en het totaalbeeld zijn belangrijker geworden dan een exacte tekening. De monogrome sepias doen mij aan daguerreotypes denken.

Ontzettend leuk vermaak voor jong en oud. Terechte winnaar van de Academy Award 2006 in de categorie Beste Animatiefilm.

Veertig jaar geleden verscheen in de Sovjet Unie de film Белорусский вокзал over een reunie van vier veteranen uit de Tweede Wereldoorlog. Het Station Moskva Beloroesskaja is een van de negen kopstations in Moskou en verbindt de Russische hoofdstad via Smolensk, Brest en Warschau met Berlijn. Het neo-classicistische station werd in 1912 voltooid, nadat in 1910 de rechtervleugel al in gebruik genomen was. Tijdens de Tweede Wereldoorlog speelde het een cruciale rol bij de bevoorrading van het Rode Leger.
Joeri Gagarin is niet alleen de eerste mens in de ruimte maar waarschijnlijk ook de meest afgebeelde mens op een postzegel. (Na de koningin van Engeland dan, maar daar kan niemand tegenop.) In de jaren zestig en zeventig konden de Sovjet Unie en talloze postzegelstaatjes maar geen genoeg van hem krijgen. En nu, vijftig jaar na zijn historische vlucht met de Vostok, is hij weer even helemaal terug op de postzegel. In Rusland én in Wit-Rusland, want Joeri werd geboren in de Oblast Smolensk.



Amerikaans melodrama wordt in ons nuchtere landje al gauw sentimenteel gevonden. Maar Russisch melodrama doet er nog een schepje bovenop. Op iedere wang één traan. In de Russische film Жестокий романс van Eldar Ryazanov zingt Larisa Guzeyeva het gedicht А напоследок я скажу van de Russische dichteres Bella Akhmadullina. En tenslotte zal ik zeggen…
De serene visie van Ludwig Mies van der Rohe en de geile blik van Hugh Hefner gaan zo de andere kant op dat ze elkaar eigenlijk niet kunnen kruisen. Maar even buiten Los Angeles is het wonder geschied en lijken Bauhaus en Playboy even met elkaar versmolten. Hier ligt het walhalla van het sexy modernisme. Het icoon van deze architectuur is waarschijnlijk het Stahl House, in 1959 gebouwd en na ruim een halve eeuw het decor van ontelbare films en photoshoots. Natuurlijk ontbreekt het ook niet op de covers van Taschen, ook zo’ n typisch kruispunt tussen Duits en Amerikaans, tussen stijlvol en sexy. Overigens woont uitgever Benedikt Taschen zelf in een andere icoon van modernistische architectuur: Chemosphere van John Lautner.


Ik vind het wel belangrijk om als filosoof buiten een discussie te kunnen stappen. Standpunten lijken vaak maar twee kanten te hebben: voor en tegen. Vervolgens worden de posities geframed, en hebben de voor- en tegenstanders zich ingegraven. Ik wil als Denker des Vaderlands in publieke debatten verschillende posities duidelijk maken, en vervolgens onzeker maken wat schijnzeker leek. Die zekerheid tref ik ook in mijn eigen milieu aan. Bij lezingen, die altijd door een bepaald publiek bezocht worden, krijg ik nu al een jaar of drie de vraag: wat vindt u van Wilders? Ik proef bij de aanwezigen op zo’n moment een moreel onbehagen, waarop ik heel makkelijk kan inspelen. Doe ik dat, dan knikt iedereen en zijn we het fijn eens. Dat lijkt me geen taak voor de Denker des Vaderlands.Hans Achterhuis
Naar aanleiding van de heiligverklaring van de Bulgaarse nieuwe martelaren op zondag 3 april j.l. heb ik mij weer eens verdiept in de Russisch-Turkse oorlog van 1877-1878 die het directe gevolg was van de gruwelijke Ottomaanse onderdrukking op de Balkan. Al zoekend op het web kwam ik de sovjetfilm Герои Шипки uit 1954 tegen. Het is een heroïsche propagandafilm waarin de eigenlijk helden de Russen (lees: de sovjets!) zijn, die hun lijdende slavische broeders in Bulgarije te hulp schieten. Het 19e eeuwse panslavisme, een mix van nationalisme en orthodox christendom, werd in 1954 vertaald in communisme en humanisme. Want in de Sovjet Unie was de rol van de Orthodoxe Kerk gemarginaliseerd. De film begint met de Ottomaanse onderdrukking waarbij de Bulgaarse christenen trouw moesten zweren aan de sultan (en aan de islam!). Bij weigering werden ze genadeloos vermoord. Tijdens het Filmfestival van Cannes in 1955 werd de film onderscheiden met de prijs voor de beste regisseur (Sergei Vasilyev).

Op de Shipka Pas werden vier veldslagen uitgevochten tussen het Turkse en het Russische leger. Het laatste werd gesteund door Bulgaarse vrijwilligers en het Roemeense leger. Ook vocht een groot contingent Finse soldaten mee.

Vorig jaar ontdekte ik de blog americangardenhistory over 18e eeuws tuinieren in Amerika van blogger Barbara. Ze blijkt nog vier historische weblogs onder haar beheer te hebben, waaronder haar persoonlijke blog It’s About Time.

Als historica met een indrukwekkend blikveld in de Amerikaanse schilderkunst verbindt ze schilderijen, prenten en foto’s vaak aan een thema uit het alledaagse leven. Op deze blog is een schat aan afbeeldingen van (vooral ook minder bekende) Amerikaanse schilders en fotografen te vinden.


Vorige week verscheen in de Verenigde Staten de DVD box van het vierde seizoen Mad Men. Hier moeten we nog wachten tot 28 mei voordat de DVD box door distributeur A-Film wordt uitgebracht. Mad Men kun je kijken als een kroniek van de vroege jaren ‘60. Net als in de serie Heimat of de Italiaanse film La meglio gioventù breken historische gebeurtenissen telkens door in het dagelijks leven van de hoofdfiguren. Ik vind dit een prettige manier om naar geschiedenis te kijken. Want vanuit onze persoonlijke beleving is de grote geschiedenis altijd ingebed in ons levensverhaal en niet omgekeerd.
Op de fansite madmenshow.com vond ik een tijdsbalk van vier seizoenen Mad Men, lopend van begin 1960 tot augustus 1965. De eerste historische gebeurtenis is de beroemde Volkswagen Lemon Ad van 11 april 1960 en de laatste historische gebeurtenis is het Beatlesconcert van 15 augustus 1965 in het Shea Stadium in New York. Het jaar 1961 wordt in de serie overgeslagen. En natuurlijk weten we nu ook waar Don Draper was toen president Kennedy vermoord werd.
Gisteren zijn in de Aleksandr Nevsky kathedraal in Sofia de slachtoffers van Batak door de Bulgaars Orthodoxe Kerk heilig verklaard. Batak is het Srebrenica (of het Katyn) van Bulgarije, maar bij ons is deze genocide nauwelijks bekend.
In april 1876 was het Zuid-Bulgaarse dorpje Batak het toneel van wreedheden. Zeker vijfduizend inwoners werden op gruwelijke wijze door de Ottomaanse bezetter vermoord. Voor het Russische broedervolk werd een militaire interventie noodzakelijk. De massamoord in Batak betekende in zekere zin het begin van de Russisch-Turkse oorlog. Zeven jaar geleden maakte ik met een vriendin uit Sofia een rondreis door haar land en we bezochten verschillende plaatsen die een rol hebben gespeeld in deze oorlog (1877-1878). In februari 1878 maakte de Vrede van San Stefano een eind aan de oorlog. Bulgarije kreeg na eeuwenlange Ottomaanse overheersing eindelijk zelfbestuur. Drie maanden later werd de Vrede van San Stefano tijdens het Congres van Berlijn herzien. Pas in 1908 zou Bulgarije een zelfstandig koninkrijk worden.
Voor Engeland lagen de Ottomaanse wreedheden van 1876 gevoelig. In de tweede helft van de negentiende eeuw stonden de Europese grootmachten in een gespannen verhouding met elkaar. Engeland en Frankrijk visten in de koloniale vijver en kwamen elkaar op onverwachte plekken in de wereld tegen. Het Duitse Keizerrijk mengde zich daar vanaf 1880 ook tussen. En dan had je Oostenrijk en Rusland die dezelfde belangen hadden op de Balkan. Rusland breidde zich steeds meer uit naar het Zuid-Westen en werd daardoor een bedreiging voor de Engelsen. In de Krimoorlog steunden Engeland en Frankrijk het Ottomaanse Rijk omdat ze doodsbang waren dat het van oorsprong christelijke Constantinopel in Russische handen zou vallen, zodat voor de Russische vloot de weg naar de Middellandse zee open zou komen te liggen. Nadat de Krimoorlog door Rusland verloren was, bleef met name Engeland goede betrekkingen met het Ottomaanse Rijk houden. Vooral de conservatieven koesterden de Ottomanen als bondgenoot tegen de Russen.

De massamoord in Batak bracht Engeland in grote verlegenheid tegenover zijn Ottomaanse bondgenoot. Eerst probeerden de conservatieven onder Disraeli de feiten te bagatelliseren, maar de liberalen onder Gladstone loeiden van verontwaardiging. Maanden later, op 22 augustus 1876, verscheen er in de Londense Daily News een stuk van de Amerikaanse journalist Januarius MacGahan, getiteld The Turkish Atrocities in Bulgaria: Horrible Scenes at Batak. Tot in de details beschrijft hij na een bezoek aan de onheilsplek en aan de hand van ooggetuigeverslagen wat er in Batak precies gebeurd is. Batak is in omvang het Srebrenica van de late negentiende eeuw, maar qua misdaad nog barbaarser, omdat vrouwen en kinderen en zelfs baby’s niet werden ‘ontzien’.
J.A. MacGahan in the Daily News
The advantage of killing children is that it can be done without danger, and that a child counts for as much as an armed man. Here in Batak the Bashi-Bazouks, in order to swell the count, ripped open pregnant women, and killed the unborn infants. As we approached the middle of the town, bones, skeletons, and skulls became more numerous. There was not a house beneath the ruins of which we did not perceive human remains, and the street besides was strewn with them. Before many of the doorways women were walking up and down wailing their funeral chant. One of them caught me by the arm and led me inside of the walls, and there in one corner, half covered with stones und mortar, were the remains of another young girl, with her long hair flowing wildly about among the stones and dust. And the mother fairly shrieked with agony, and beat her head madly against the wall. I could only turn round and walk out sick at heart, leaving her alone with her skeleton. A few steps further on sat a woman on a doorstep, rocking herself to and fro, and uttering moans heartrending beyond anything I could have imagined. Her head was buried in her hands, while her fingers were unconsciously twisting and tearing her hair as she gazed into her lap, where lay three little skulls with the hair still clinging to them.
Januarius MacGahan was assigned as a war correspondent for the Daily News, and, thanks to his friendship with General Skobelev, the Russian commander, rode with the first units of the Russian Army as it crossed the Danube into Bulgaria. He covered all the major battles of the Russian-Turkish War, including the siege of Plevna and Shipka Pass. He reported on the final defeat of the Turkish armies, and was present at the signing of the treaty of San Stefano, which ended the war. He was in Istanbul, preparing to travel to Berlin for the conference that determined the final borders of Bulgaria, when he caught typhoid fever. He died on June 9, 1878, and was buried in the Greek cemetery, in the presence of diplomats, war correspondents, and General Skobelev. His body was five years later returned to the United States and reburied in New Lexington, and a statue was erected in his honor by a society of Bulgarian-Americans. MacGahan is still remembered in Bulgaria for his role in winning Bulgarian independence. A street in the capital, Sofia, is named for MacGahan, as is a square in the city of Plovdiv, and streets and squares in several other towns.
Bron: en.wikipedia.org
The Turkish Atrocities In Bulgaria [ The Bronx Times ]
Batak Massacre [ en.wikipedia.org ]
Eerder in deze serie liet ik al iets zien over de productie van visuele oorlogsverslaggeving in Harper’s Weekly tijdens de Civil War. Twee van de belangrijkste kunstenaars die je met de Amerikaanse Burgeroorlog kunt verbinden, zijn de fotograaf Mathew Brady en de illustrator en schilder Winslow Homer. Bij het uitbreken van de oorlog in 1861 was Homer in dienst bij Harper’s Weekly waar hij aan de hand van Brady’s foto’s schetsen maakte en overbracht op houten blokken. Van de graveur werd geen artisticiteit of persoonlijke interpretatie verwacht. Maar voor de jonge Homer bleek dit reproductieve werk later een vruchtbaar begin van zijn carrière. Op de onderstaande voorpagina staat de eerste prent die hij in 1861 voor Harper’s Weekly produceerde.


alle posts uit deze reeks | Winslow Homer in HW [ sonofthesouth.net ]
Afgelopen week schreef ik hier iets over de marionettenkeizer Maximiliaan I van Mexico. In 1857 trouwde hij met Charlotte van België, de dochter van koning Leopold I. Haar leven is niet minder tragisch dan dat van haar echtgenoot die op 19 juni 1867 door Benito Juarez ter dood was gebracht. Drie jaar eerder waren Maximiliaan en Charlotte in Mexico aangekomen, waar ze als keizerlijk echtpaar gingen wonen in het paleis van Chapultepec. Omdat ze geen kinderen konden krijgen, adopteerden ze uit tactische overwegingen Agustín de Iturbide y Green, de kleinzoon van de Mexicaanse keizer Agustín I (1822-1823), als zoon en opvolger. Charlotte en Maximiliaan waren door Mexicaanse monarchisten op de troon gezet maar hadden nauwelijks of geen contact met het gewone volk. Carlota, zoals ze in Mexico werd genoemd, hield zich vooral bezig met de hofhouding en het organiseren van bals. Ook wilde zij graag de oude grandeur van Mexico herstellen door Centraal-Amerika te heroveren. Toen de republikein Juarez met wapenleveranties van de Verenigde Staten in 1865 een tegenoffensief begon, moesten de Fransen hun interventie staken en in 1866 trokken zij zich definitief terug uit Mexico. Charlotte reisde naar Europa waar ze wanhopig probeerde steun te krijgen voor de Mexicaanse zaak, maar geen grootmacht wilde zijn vingers hieraan branden. Tenslotte ging ze zelfs bij Paus Pius IX langs. Het wilde allemaal niet baten en voor Charlotte werd het allemaal teveel. Ze kreeg een inzinking en werd opgevangen in kasteel Miramar bij Triëst waar ze haar eerste huwelijksjaren met Maximiliaan had doorgebracht.

De pas 27-jarige Charlotte belandde in de waanzin. Aan de muur had ze haar bruidsjurk opgehangen en een gevederd Mexicaans afgodsbeeld. Er wordt gezegd dat ze een levensgrote pop had aangekleed in een keizerlijk gewaad en deze aansprak met ‘Max‘. Ze beweerde dat deze pop het hart van haar gefusilleerde echtgenoot bezat. Je zou haar ook Carlota la Loca kunnen noemen, want de overeenkomst met Johanna van Castilië (Juana la Loca) is frapant. Vanaf 1879 leidde ze een leven in afzondering op kasteel Boechout dat haar broer Leopold II voor haar gekocht had. Charlotte overleefde zelfs haar zwager Franz Jozef I van Oostenrijk en stierf in 1927 op 86-jarige leeftijd.

Marcel Wick maakte een paar jaar geleden de musical a serpentine crown over het leven van keizerin Carlota. Over deze musical en de historische achtergronden is een uitgebreide website gemaakt. Naast een musical werd ook een theaterstuk over haar geschreven: Zotte Charlotte van Patrick Bernauw.
John Steinbeck beschouwde East of Eden (1952) zelf als zijn belangrijkste roman. Het is ongetwijfeld zijn meest ambitieuze, met een aaneenschakeling van grote thema’s : identiteit, vrijheid, rechtvaardigheid, liefde, jaloezie en haat. De titel is gebaseerd op Genesis 4:16 “En Kaïn ging uit van het aangezicht des Heeren; en hij woonde in het land Nod, ten oosten van Eden.” Kort na het verschijnen van de roman volgde de verfilming van Elia Kazan. De film werd legendarisch door de eerste grote rol van James Dean als Caleb Trask. De roman is complexer dan de film, die maar een deel van het verhaal toont: de rivaliteit tussen Caleb en Aaron, de tweelingzonen van Adam Trask. Caleb is het zwarte schaap van de familie en probeert de liefde van zijn vader te kopen.
Genesis 4:16
East of Eden speelt zich af in de vruchtbare vallei van Salinas (Californië) waar Steinbeck zelf is opgegroeid. Het is ook de plaats waar James Dean in september 1955 in zijn Porsche Spyder verongelukte. In 1955 werd hij posthuum genomineerd voor een oscar voor de beste mannelijke acteur. Ruim een halve eeuw later komt deze film nogal bombastisch over, maar ik heb daar toch niet zoveel problemen mee. Een paar maanden geleden keek ik nog naar Gone with the wind een ander melodrama in Technicolor met kamerbrede muziek. Eigenlijk vind ik het heel mooi als film film is. Kunstwerkelijkheid. Uitvergroting. Het mag best gekunsteld, gedramatiseerd en overdreven zijn. East of Eden hoort thuis in die categorie melodrama’s waarbij de emoties en filmscore zwaar zijn aangezet. Elia Kazan was hier een meester in en John Steinbeck was zeer tevreden over het resultaat.
John Steinbeck