De uitgeholde mens

Fellini’s La Dolce Vita (1960)
en de cultuurkritiek van Pim Fortuyn en Ad Verbrugge

De Gezagscrisis 2023In De verweesde samenleving (1995) en De gezagscrisis (2023) leveren resp. Pim Fortuyn en Ad Verbrugge een vergelijkbare cultuurkritiek op de postmoderne netwerksamenleving, al leggen zij verschillende accenten. Fortuyn omschreef zijn boek als “een religieus-sociologisch tractaat”, terwijl Verbrugge spreekt van een “filosofisch essay over een wankele orde”. Waar Fortuyn vooral wijst op het verdwijnen van de vaderfiguur en het daarmee samenhangende gezag, richt Verbrugge zich op de poreusheid van zowel het individu als de overheid. Het gebrek aan innerlijke stevigheid bij beide leidt volgens hen tot uiteenlopende vormen van leegte, waarbij vooral de morele leegte centraal komt te staan.

de verweesde samenleving 1995Beiden beschouwen de culturele revolutie van de jaren zestig en het proces van ontzuiling als belangrijke oorzaken van de crisis waarin de samenleving zich tegenwoordig bevindt — een crisis die Fortuyn in 1995 al scherp meende waar te nemen. In ons collectieve bewustzijn overheerst vaak het eenvoudige schema van de benauwde “spruitjeslucht” van de jaren vijftig tegenover de bevrijdende seksuele revolutie van de jaren zestig. Maar is dat beeld wel juist? Wie kijkt naar La Dolce Vita, opgenomen in de zomer van 1959, ziet dat de uitwassen van het zogenoemde autonome individu, de seksuele revolutie, het neoliberalisme en de existentiële leegte al vóór 1960 zichtbaar waren.

La Dolce Vita DVDHet episodische verhaal van Federico Fellini’s La Dolce Vita is inmiddels klassiek. Centraal staat Marcello, een jonge roddeljournalist die samen met paparazzi op vespa’s en in cabriolets door Rome jaagt op de volgende sensatie. Toch koestert hij hogere ambities: hij wil een serieus schrijver worden. Zijn boek komt echter niet van de grond, terwijl zijn privéleven wordt beheerst door een verloofde die verlangt naar de stabiliteit die hij haar niet kan bieden. Het nachtleven, de feesten en het oppervlakkige vermaak geven hem uiteindelijk geen vervulling. Rusteloos dwaalt hij met andere drifters door Rome, een stad die in Fellini’s verbeelding eerder doet denken aan de decadentie van het Romeinse keizerrijk dan aan de verhevenheid van de Eeuwige Stad.

Bij zijn vriend Steiner voelt Marcello zich tijdelijk geborgen. Steiner is intellectueel, succesvol, gelukkig getrouwd en vader van twee jonge kinderen. Voor Marcello lijkt hij de veilige haven te hebben gevonden waarnaar hij zelf verlangt. Maar onder het oppervlak schuilt een diepe existentiële angst. Wanneer Steiner zelfmoord pleegt en daarbij ook zijn kinderen doodt, verliest Marcello definitief zijn geloof in het burgerlijke gezinsleven als mogelijke uitweg. Hij zinkt steeds verder weg in nachtelijke escapades en bezit niet langer de innerlijke kracht om zijn leven een andere richting te geven. Toch eindigt de film niet volledig zonder hoop. In de slotscène kijkt een jong meisje hem liefdevol aan vanaf het strand, maar de afstand tussen hen is te groot: door het geruis van de zee kan Marcello haar niet meer verstaan.

Het leven van Marcello is een metafoor voor de postmoderne mens. Hij is van zichzelf vervreemd geraakt en door het voortdurende lawaai van de wereld nauwelijks nog in staat te luisteren naar zijn eigen innerlijke stem. In die zin belichaamt hij de “poreuze mens” uit Ad Verbrugges essay De gezagscrisis: een individu dat openstaat voor eindeloze externe prikkels en steeds minder weerstand kan bieden aan verleiding en afleiding.

In een van de episodes ontmoet Marcello zijn vader. Samen trekken zij een avond door Rome. Marcello kijkt met verwondering naar hem: een ouder wordende charmeur die nog altijd flirt alsof hij dertig is. Maar van een echte band tussen vader en zoon is nauwelijks sprake. Nadat hij zijn vader in een taxi heeft gezet, bekent Marcello aan een van de paparazzi dat hij hem eigenlijk nooit echt heeft gekend. Zijn vader was afwezig en bleef een vreemde. Daarmee ontbreekt ook de vaderfiguur die richting en gezag had kunnen geven aan zijn leven.

Marcello heeft zich daarom vooral laten leiden door zijn eigen impulsen en oppervlakkige verlangens. Net als zijn vader bewoog hij zich moeiteloos mee op de wind van welvaart en verleiding. Hier raakt Fellini aan de analyse van Pim Fortuyn in De verweesde samenleving: het verdwijnen van de vaderfiguur betekent uiteindelijk ook het verdwijnen van gezag en zelfdiscipline. De moderne consumptiemens hoeft slechts “zichzelf te zijn” en heeft de wind (welvaart) in de rug. Maar juist die grenzeloze vrijheid maakt hem kwetsbaar voor verslaving.

De film bevat meerdere iconische scènes die een vaste plaats in de filmgeschiedenis hebben gekregen. Een van de bekendste is de openingsscène, waarin een enorm Christusbeeld per helikopter over Rome wordt gevlogen. De armen van Christus zijn gespreid: het beeld van de goede herder die zich over zijn kudde ontfermt. Terwijl het beeld boven de stad zweeft, zien we jonge vrouwen in badkleding op een dakterras zonnen. Ze springen op, lachen en zwaaien enthousiast. “Daar heb je Jezus!” roept een van hen. Fellini toont hier hoe de christelijke symboliek wordt opgenomen in de opkomende massacultuur. Het religieuze beeld verwordt tot spektakel: esthetisch indrukwekkend, maar tegelijk leeg en kitscherig. Juist daarin schuilt de paradoxale diepgang van de scène.

Niet alleen de moderne mens wordt uitgehold door massaconsumptie; ook religieuze autoriteit dreigt tot theater te worden gereduceerd. Fellini, meester van het groteske en carnavaleske, brengt dat scherp in beeld. Tegelijk roept de film een ongemakkelijke vraag op: was het ooit anders? Was er werkelijk ooit sprake van diepte, inhoud en betekenis, of kijken we altijd al naar façades? Achter die façades lijkt een leegte te schuilen die doet denken aan de “sluier van Maya” uit het hindoeïsme: de gedachte dat de zichtbare werkelijkheid uiteindelijk illusoir is. Achter de sluier gaapt dan niet alleen leegte, maar ook verveling en dood.

Toen de film verscheen, was het existentialisme de dominante intellectuele stroming in Europa. Dat wereldbeeld was allesbehalve optimistisch en bestond in merkwaardige spanning naast het naoorlogse vooruitgangsgeloof. Terwijl Europa zich economisch herstelde en de welvaart explosief groeide, bleef het existentialisme benadrukken dat de mens fundamenteel met zinloosheid en leegte geconfronteerd wordt. Hoe moest die filosofie zich verhouden tot een samenleving van groeiende consumptie en overvloed? Een voor de hand liggend antwoord was: carpe diem. Geniet van het moment. La dolce vita.

Marcello jaagt van de ene piekervaring naar de andere, terwijl hij zich van binnen steeds leger voelt worden. Ruim vijfendertig jaar later zou het internet deze dynamiek versterken en versnellen.

Maar existentiële leegte laat zich niet werkelijk vullen; zij kan hoogstens tijdelijk worden afgedekt door amusement en consumptie. De consument verliest zich aan de oppervlakte van het leven. Dat biedt kortstondige bevrediging, maar leidt uiteindelijk tot innerlijke uitholling. Marcello belichaamt precies die tragiek: hij jaagt van de ene piekervaring naar de andere, terwijl hij zich van binnen steeds leger voelt worden.

Ruim vijfendertig jaar later zou het internet deze dynamiek versterken en versnellen. Wat Marcello door de straten van Rome deed, gebeurt vandaag digitaal: eindeloos surfen van de ene prikkel naar de volgende. De moderne mens wordt surfer, drifter, een poreus zelf dat voortdurend vatbaar is voor afleiding en verleiding.

De bevrijding van het individu die in de jaren zestig werd ingezet, begon als een belofte van autonomie. Maar zonder innerlijk gezag kan het gemakkelijk omslaan in allerlei vormen van verslaving. Want als het individu slechts “zichzelf” hoeft te zijn, wie leert hem dan nog discipline, begrenzing en verantwoordelijkheid? Juist hier klapt volgens de cultuurpsychologische diagnoses van Fortuyn en Verbrugge de val dicht. De belofte van het liberalisme (vrijheid en autonomie) loopt in werkelijkheid uit op een verzwakte mens en overheid. Things fall apart. The center cannot hold.

Stiamo sbagliando tutti

gezien: La dolce vita (1960) van Frederico Fellini
Een van de beste films ooit gemaakt

La Dolce VitaIn de iconische nachtscène bij de Trevifontein verleidt Silvia (Anita Ekberg) haar metgezel Marcello (Marcello Mastroianni) om bij haar in het water te komen. Marcello zit eerst betoverd op een bankje naar haar te kijken, met een glas melk in zijn hand, en stapt uiteindelijk zelf de fontein in. Dan mompelt hij: “Ma sì, ha ragione lei: sto sbagliando tutto! Stiamo sbagliando tutti.” (“Maar ja, ze heeft gelijk: ik doe het helemaal verkeerd! We doen het allemaal verkeerd.”)

Met zijn visuele pracht schept La Dolce Vita zoveel open ruimte dat talloze interpretaties mogelijk zijn. Filmcritici wijzen vaak op de existentialistische onderstroom. Achter Fellini’s oogverblindende eye-candy – de voluptueuze waternimf met haar goddelijke profiel in het kletterende water – schuilt een diepe leegte en verveling.

Marcello prikt in eerste instantie door haar verschijning heen. Hij vindt haar “net een grote pop”, de zoveelste vulgaire platina blondine. In de jaren vijftig waren Jayne Mansfield, Mamie Van Doren en in Engeland Diana Dors het prototype; daaraan voegde zich de Zweedse Anita Ekberg, die in La Dolce Vita eigenlijk vooral zichzelf speelt. Ook al vindt Marcello haar maar oppervlakkig, toch is het juist de oppervlakkigheid die hem betovert.

De nachtelijke scène bij de Trevifontein laat zich lezen als een moderne zondeval. Marcello is verloofd met Emma, maar heeft zich laten verleiden door de vulgaire actrice Silvia. Het is de oogverblindende schijn die hem bekoort, meer is er niet nodig. Hij weet dat het verkeerd is en geeft dat ook toe: sto sbagliando tutto. Ik doe het helemaal verkeerd.

ik doe het helemaal verkeerd!
We doen het allemaal verkeerd.

Wanneer hij in het water bij haar staat, tast hij niet haar lichaam af, maar haar aura. Daarmee benadrukt Fellini dat haar aantrekkingskracht als een magnetisch veld rond haar hangt. Silvia is eigenlijk meer een verschijning dan een lichaam. Om aan te kunnen blijven trekken moet ze voor Marcello onbereikbaar blijven, de godin van het witte doek die ze voor de toeschouwer is.

La Dolce Vita
Sylvia, ma chi sei? (Silvia, wie ben jij?)

Ook al kust hij haar niet, hij is toch gevallen door de fontein in te lopen en heeft hij daardoor een hap van de verboden vrucht genomen. Hij had ook toeschouwer kunnen blijven op het bankje tegenover de fontein, bij zijn glas melk, symbool van zuiverheid in een nacht vol alcohol. Of toch niet? Had hij dat glas melk niet juist voor Silvia gehaald, omdat ze een straatkatje melk wilde geven. Deed hij al niet alles voor haar? Was het glas melk de opmaat naar zijn doop in de zonde van de fontein?

De katholieke interpretatie spreekt mij meer aan dan de existentialistische. Fellini heeft de christelijke symboliek bewust in de film verweven – dat wordt al meteen duidelijk in de theatrale openingsscène. Daarin wordt een Christusbeeld met gespreide armen onder een helikopter over Rome gevlogen. Het begint met religieuze bombast. Rome is de stad van de barok maar ook van de decadentie. Het Christusbeeld is net zo nep als de voluptueuze, rondborstige pop in de Trevifontein. Is alles dan slechts façade? En schuilt er achter die façade werkelijk niets anders dan leegte? En tenslotte het zwarte gat van de dood?

Het Christusbeeld is net zo nep als de voluptueuze, rondborstige pop in de fontein. Is alles dan slechts façade? En schuilt er achter die façade werkelijk niets anders dan leegte? En tenslotte het zwarte gat van de dood?

Dat is precies de kwellende vraag van de moderne mens: is alles een sluier waarachter alleen de leegte wacht? Marcello kiest voor de schijnwereld vol hedonisme en offert zijn diepere verlangens op. Eigenlijk wilde hij een serieus schrijver worden, maar hij verkoos een snelle baan bij de boulevardpers. De oppervlakkigheid zuigt hem langzaam leeg.

De slotscène draagt een onmiskenbaar religieuze lading. Na een nachtelijke orgie strompelen de feestgangers in het vroege ochtendlicht naar het strand. Vissers hebben een monsterlijk grote rog gevangen. Marcello bekijkt het beest met een scheve, dronken blik. Het monster staart terug met één oog. Zo ziet het uitgeholde bestaan eruit: een groot oog dat je wezenloos aanstaart vanuit een vormeloze massa.

La Dolce Vita
Marcello maakt een gebaar van “jammer dan, niets aan te doen” en keert dan het meisje (zijn beschermengel?) de rug toe.

Toch eindigt La Dolce Vita met een zweem van hoop. Marcello keert zich af van het gezelschap en ziet verderop op het strand een meisje dat hij kent. Ze maakt gebaren en roept iets, maar hij kan haar niet verstaan. Uiteindelijk haalt hij zijn schouders op, draait zich om en sluit zich weer aan bij de anderen. Het meisje kijkt hem na. Ze lijkt op een Umbrisch engeltje: haar blik is liefdevol en zonder oordeel.

La Dolce Vita
Het meisje kijkt Marcello na en daarna draait haar blik langzaam recht in de camera. De wakkere toeschouwer zou kunnen denken: “Marcello, dat ben ik!”

Zo eindigt de bittere ironie van “het zoete leven” in de liefdevolle en vergevende blik van dat meisje. De liefde, de onschuld en het niet-oordelen blijken sterker dan onze zonden en onze uitgestelde wanhoop via het oppervlakkige vermaak. In La Dolce Vita hebben we dat in een bonte stoet aan ons voorbij zien trekken. Maar we zijn ook gewaarschuwd. Tijdens de orgie zegt een van de travestieten: “Nel ’65 sarà tutto una depravazione completa. Ah, no? Mamma mia, che schifezza ne verrà fuori!” (“In 1965 zal alles volkomen verdorven zijn. Jemig, wat zal dat een puinzooi worden!”)

Film noirs op YouTube [ 70 ]

gezien op YouTube: Outside the law (1956)

Eigenlijk hou ik helemaal niet van misdaadfilms maar voor film noir heb ik een groot zwak. De zwartwit-cinematografie, belichting en het tijdsbeeld zuigen me altijd weer een nieuwe noir binnen. In het public domain staan honderden films waarvan het copyright om verschillende redenen niet verlengd is en die dus legaal via het internet getoond mogen worden, zoals op het YouTube-kanalen Full Moon Matinee en Cult Cinema Classics. In april keek ik naar vijffilm noirs en neo noirs uit de periode 1946-1956. Vandaag: Outside the law van Jack Arnold.

Outside the law is een typische B-film noir uit de jaren ‘50 van Universal. Het is efficiënt en strak geregisseerd. De focus ligt op procedureel onderzoek door de autoriteiten, aangevuld met persoonlijke drama’s. Hoofdrolspeler Ray Danton was voor mij nog onbekend. Zijn tegenspeelster Leigh Snowden had slechts een korte filmcarrière (1954-1961). Ze deed film- (Kiss me deadly, 1955) en tv-werk (episode in The Line Up, 1959).

Outside the law 1956Johnny Salvo (Ray Danton), een ex-gevangene met een verleden als jeugdcrimineel, heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog in het leger gediend. Na zijn terugkeer krijgt hij de kans om zijn strafblad definitief schoon te vegen. Hij moet undercover gaan voor de Amerikaanse schatkistdienst (Treasury Department) om een internationale valsemunterij (counterfeiting ring) op te rollen.
De zaak krijgt een persoonlijke lading omdat: Een oude legerkameraad van hem in Berlijn is vermoord, waarschijnlijk omdat hij te veel wist over de bende. De leidinggevende agent op de zaak niemand minder is dan Johnny’s eigen vader (Onslow Stevens), met wie hij een gespannen relatie heeft. Johnny moet zich in de kringen van de valsemunters begeven, contact leggen met de weduwe van zijn vermoorde vriend (Leigh Snowden) en tegelijkertijd omgaan met de vijandigheid en het wantrouwen binnen de operatie. De film combineert een klassieke undercover-missie met vader-zoon-conflicten, romantiek en spannende confrontaties.