Categorie archief: 19e eeuw

waar staat Ivan Toergenjev?

gelezen: Vaders en zonen (1862) van Ivan Toergenjev

Ivan ToergenewHet heeft lang geduurd voordat ik voor het eerst een boek van Ivan Toergenjev heb gelezen. Vaak staat Ivan Toergenjev (1818-1883) in de schaduw van Tolstoi (1828-1909) en Dostojewski (1821-1881). Toch was Vaders en zonen (1862) de eerste Russische roman die buiten Rusland populair werd. Het wordt wel eens gezien als de eerste moderne roman. Het psychologische thema van de innerlijke tegenstrijdigheid, zo kenmerkend voor de moderne literatuur, zou in deze roman voor het eerst uitgewerkt worden. Dostojewski en Tolstoi hebben met personages vol tegenstrijdigheden als Pierre Bezoechov (Oorlog en vrede), Anna Karenina en Raskolnikov (Misdaad en straf) een lijn voortgezet die Toergenjev met Jevgeni Vasiljevitsj Bazarov in Vaders en Zonen begon.

Hoofdpersoon Jevgeni Vasiljevitsj Bazarov is een student wetenschap én nihilist. Hij erkent geen enkele autoriteit en verzet zich tegen alles dat romantisch is of naar gevoel zweemt. Zijn vriend Arkadi Nikolajevitsj Kirsanov bewondert hem om zijn zelfverzekerdheid en zijn ferme uitspraken. Het verhaal is duidelijk in de tijd geplaatst: het begint in mei 1859 en loopt tot ergens in de zomer en eindigt met een epiloog in januari 1860. In deze periode waren er in Rusland grote maatschappelijke veranderingen die zouden leiden tot de afschaffing van het lijfeigenschap in 1861 door tsaar Alexander II (1855-1881).

Toergenjev publiceerde Vaders en Zonen in 1862. Voor hem had het grote gevolgen, want hoewel hij politiek niet geëngageerd was, werd zijn roman wel opgevat als politiek pamflet en hij kreeg zowel uit conservatieve als linkse hoek allerlei verwijten over zich heen. Omdat hij bevriend was met de anarchist Bakoenin (1814-1876) was hij voor de conservatieven al bij voorbaat verdacht. Maar links nam het hem kwalijk dat hij van zijn hoofdpersoon Bazarov een karikatuur had gemaakt, een kille rationalist waarmee de links radicalen in een ongunstig licht werden geplaatst.

Vaders en ZonenHet was Toergenjev’s tragiek dat hij een buitengewoon scherp waarnemer was, maar door zijn weifelmoedigheid geen stelling koos. Voor de conservatieven werd in Vaders en Zonen de oudere generatie te kijk wordt gezet en voor links radicalen wordt de representant van de nieuwe generatie neergezet als een vulgaire materialist. Maar Toergenjev had het goed gezien. De polarisatie in de Russische maatschappij rond 1860 eiste van Toergenjev een duidelijk standpunt. Hij was in 1862 al een groot schrijver en zelfs tsaar Alexander II las hem. De vraag was direct na het verschijnen van Vaders en Zonen in 1862: Waar staat Ivan Toergenjev?

De vraag was direct na het verschijnen van Vaders en Zonen in 1862: Waar staat Ivan Toergenjev?

Voor hemzelf was dat waarschijnlijk glashelder: in afstandelijke betrokkenheid tot zijn personages. Toergenjev werd dus ook estheticisme verweten, het wegvluchten in de kunst. Ook dat liet de Russische samenleving op dat moment niet toe. De roman mocht dan wel een kunstvorm zijn, in het tsaristische Rusland van de negentiende eeuw was literatuur zo ongeveer nog het enige dat door de censuur kon glippen. En dus kon de roman stiekem als politiek pamflet gebruikt worden. Juist daarom was debat over Vaders en Zonen destijds zo heftig. Men moest weten waar de schrijver zélf stond. Toergenjev werd het allemaal teveel en hij vluchtte naar Parijs waar hij tenslotte in 1883 stierf.

De maaiers (detail) uit 1887 door Grigori Grigorjewitsch Mjassojedow (1834–1911)
In 1861 werd door tsaar Alexander II het lijfeigenschap afgeschaft. De bevrijding van de lijfeigenen die tot dan toe slaven waren geweest, zette de Russische maatschappij op z’n kop. Vaders en Zonen speelt zich af in de zomer van 1859.

Bart Voorsluis meent uit Vaders en Zonen af te kunnen leiden waar Toergenjev zelf stond. In zijn artikel engagement of distantie (verschenen in: In de marge, 2006) schrijft hij dat Toergenjev helemaal aan het einde van de roman een politiek statement van de eerste orde zou hebben verkondigd. Volgens Voorsluis geloofde Toergenjev niet in het nieuwe Rusland waarvan Bazarov de representant was. Als we Bazarov zien als de voorloper van de bolsjewieken, zouden we Toergenjev ongelijk moeten geven, want dat nieuwe Rusland kwam er in 1917 toch. Maar we kunnen Toergenjev, als Bart Voorsluis het bij het rechte eind heeft, ook gelijk geven: het radicale socialisme heeft geen stand gehouden en Rusland is in deze nieuwe eeuw onder een nieuwe “tsaar” herrezen. En de Russisch Orthodoxe Kerk lijkt helemaal terug van weggeweest. “In de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.” Of zoals Vaders en Zonen eindigt: “ze (de bloemen) spreken ook van de eeuwige verzoening en van het oneindige leven…”

Personages in Vaders en Zonen
Jevgeni Vasiljevitsj Bazarov – Arkadi Nikolajevitsj Kirsanov – Nikolaj Petrovitsj Kirsanov – Pavel Petrovitsj Kirsanov – Fenitsjka (Fedosja) – Anna Sergejevna Odintsova – Katja Sergejevna Lokteva – Jevdoksia Koeksjina – Vasili Ivanovitsj Bazarov – Arina Vlasjevna Bazarova – Pjotr – Sitnikov

Oriëntalisme

Vorige week las ik De Graaf van Monte Cristo (1846) uit

Graaf van Monte CristoIn april begon ik aan de klassieker van Alexandre Dumas. Deze succesvolle roman-feuilleton, voor het eerst gepubliceerd in het Journal des Débats in 18 delen tussen 28 augustus 1844 tot 15 januari 1846, bevat allerlei elementen die het Franse publiek tijdens de regering van Louis-Philippe bezig hielden. Bonapartisme, effectenhandel, de opkomst van de telegraaf en spoorwegen en oriëntalisme. Het oriëntalisme heeft veel meer met West-Europa (Frankrijk in het bijzonder) te maken dan met het Midden-Oosten. Je zou dit fenomeen kunnen zien als een mengsel van romantische idealisering, volkenkunde en toerisme.

Larnaca
De Graaf van Monte Cristo op Cyprus
De Venetianen heersten van 1489 tot 1573 over Cyprus. Op de Finikoudes Boulevard in Larnaca staat een (grijnzende!) kopie van de leeuw van San Marco. Het origineel werd tijdens de Vierde Kruistocht (1202-1204) gejat uit Constantinopel en is sindsdien het symbool van La Serenissima. Een geschenk van de stad Venetië aan de stad Larnaca die sinds 2010 met elkaar een stedenband onderhouden. Het Levantijnse bezit van de voormalige zeemacht wordt met dit vriendelijke plasje alsnog afgebakend.

Dumas weeft het oriëntalisme handig door zijn roman heen door te verwijzen naar het verblijf van zijn hoofdpersoon, Edmond Dantès, in de Oriënt. Nadat hij na veertien jaar gevangenschap in het Château d’If (vlak voor de kust bij Marseille) ontsnapt is, brengt hij ongeveer tien jaar door in het Midden-Oosten alvorens hij in 1838 terugkeert naar Parijs om wraak te nemen op degenen die hem ten onrechte veroordeeld hebben tot levenslang wegkwijnen in een kerker, een straf die hij als vele malen erger beschouwt dan de doodstraf. Over die jaren schrijft Dumas niets, want hij maakt op een gegeven moment en sprong van tien jaar.

Maar als Edmond Dantès als de Graaf van Monte Cristo terugkeert in zijn land, is hij naast zijn trouwe dienaar Bertuccio, omgeven door een kleine oosterse hofhouding. Prinses Haydée is in Dumas’ roman de verpersoonlijking van het oriëntalisme.

Haydée is de dochter van Ali Pasja van Ioannina en Vasiliki. Haydée wordt op driejarige leeftijd geconfronteerd met het verraad van Fernando Mondego. Haydée weet zich dit nog goed te herinneren doordat Fernando een litteken op zijn hand heeft. Tijdens de Turkse oorlog is haar vader verraden door Fernando Mondego en is zij samen met haar moeder verkocht als slavin. Op het moment dat haar moeder het hoofd van Ali op een spies ziet staan, sterft zij ter plekke en is Haydée wees. Monte Cristo heeft haar tijdens een van zijn reizen gekocht en voedt haar op alsof ze zijn eigen dochter is. Door de jaren heen is er een intieme band tussen de twee ontstaan. Bron: nl.wikipedia.org

Door de expeditie van Napoleon naar Egypte (1798-1799) waren de Fransen al sinds 1800 vertrouwd geraakt met het Midden-Oosten. Napoleon had uit Egypte zijn Mammelukse lijfwacht Roustam Raza naar Frankrijk meegenomen, en deze was tot april 1814 een van de trouwste dienaren van de Franse keizer. De Fransen raakten met zijn exotische verschijning naast Napoleon vertrouwd, doordat hij op vele schilderijen (en nog veel meer prenten) stond afgebeeld. Roustam werd in de jaren na 1815 opgevolgd door de ontelbare oosterse figuren op de schilderijen van Delacroix, Ingres, Gérôme en andere oriëntalisten.

Roustam Raza werd in Georgië geboren als zoon van een Armeense koopman en zijn Georgische echtgenote. In 1797 werd hij in Constantinopel als slaaf verkocht. Na het overlijden van zijn meester kwam hij in Caïro in het bezit van een met Napoleon bevriende sjeik. In augustus 1799, kort voor Napoleons terugkeer in Frankrijk, trad hij in zijn dienst. De volgende vijftien jaar vergezelde Roustam de consul en latere Franse keizer op al zijn krijgstochten, van Spanje tot Rusland aan toe. ‘s Nachts sliep hij direct naast Napoleons vertrek. Op 1 februari 1806 trouwde hij Alexandrine Douville, de dochter van de eerste kamerjonker, valet de chambre, van keizerin Joséphine de Beauharnais. Bron: nl.wikipedia.org

De graaf van Monte-Cristo

de eerste 40 hoofdstukken gelezen van De Graaf van Monte Cristo (1844)

De Graaf van Monte CristoDe Graaf van Monte Cristo behoort tot de beroemdste romanfiguren van de negentiende eeuw. Ik kende hem alleen nog van de film en zag dan Richard Chamberlain of Gerard Depardieu voor mij. Maar ik wilde Edmond Dantes zien zoals ik Julien Sorel, Fabrizio del Dongo, Jean Valjean of Raskolnikov kan zien: zoals Stendhal, Hugo en Dostojewsky hun personages oorspronkelijk gezien hebben. Dus besloot ik het boek toch maar eens te gaan lezen. Weliswaar veertig jaar te laat, want de roman van Alexandre Dumas is eigenlijk een jongensboek dat je op je vijftiende zou moeten lezen. Dumas schrijft met een sneltreinvaart en neemt geen tijd voor filosofische bespiegelingen zoals Hugo of voor fijne psychologische observaties zoals Stendhal en Dostojewsky. Het is geschreven met een behangerskwast.

Veel Franse romans uit de negentiende eeuw nemen hun aanvang bij Napoleon. De Kartuize van Parma (1839) begint met de intocht van Napoleon in Milaan op 15 mei 1796, Les Miserables (1862) begint in 1815. Ook De Graaf van Monte Cristo begint in 1815 en wel op 27 februari, vlak voor de landing van Napoleon in de Golfe-Juan op 1 maart 1815. Dumas gebruikt de geschiedenis als decor en lijkt daarin meer op Stendhal dan op Hugo. Hij probeert de geschiedenis niet te begrijpen en schetst in een paar streken de situatie. De graaf van Monte Cristo treedt pas veertien jaar na de aanvang van het verhaal naar buiten, waardoor het meeste zich eigenlijk pas na 1829 afspeelt. Maar je hoort Dumas niet over Louis-Philippe (1830-1848) of de politieke situatie in zijn land.

Alexandre Dumas (1802-1870) is niet geïnteresseerd in de sociale misstanden van zijn tijd zoals zijn leeftijdsgenoten Victor Hugo (1802-1885) en Eugène Sue (1803-1857). Hij houdt er meer van om de extravagante levensstijl van zijn hoofdpersonage, de graaf van Monte Cristo, te beschrijven. Ongetwijfeld een alter ego van zichzelf. De succesvolle Dumas liet voor zichzelf een kasteeltje bouwen, het Château de Monte-Cristo. Zijn fantasie was een beetje werkelijkheid geworden. Uiteindelijk zou hij door zijn roekeloosheid alles weer verliezen.

De graaf van Monte Cristo [ nl.wikipedia.org ]

Urban gothic

aan het lezen in Les Mystères de Paris (1842) van Eugène Sue

Os Misterios de Lisboa (1854) van de Portugese schrijver Camilo Branco (1825-1890) was een van de vele roman-feuilletons halverwege de negentiende eeuw die gebaseerd waren op Les Mystères de Paris van Eugène Sue (1804-1857). In 1842-43 was dit feuilleton een enorm succes. Beïnvloed door de socialistische ideeën van zijn tijd beschreef Sue de dagelijkse ellende van de onderste klasse in Parijs. Twintig jaar later zou Victor Hugo met Les Miserables het feuilleton van Sue in bekendheid nog eens overtreffen.

gravure uit 1851
illustratie Les Mystères de Paris 1851

Les Mystères de Paris vond ook navolging in Engeland. In 1844 schreef George W.M. Reynolds de Mysteries of London. In de jaren veertig van de negentiende eeuw waren London en Parijs de grootste steden ter wereld en boden dus enorm veel stof voor verhalen over de sociale ellende van die tijd. Ook Dostojevski en Multatuli lieten zich inspireren door het sociaal-realisme van Eugène Sue.

Urban Gothic romans uit het City Mysterie genre
 
Les Vrais Mysteres des Paris by Eugene Vidocq
The Mysteries of London by G. W. M. Reynolds
The Mysteries of Lisbon by Camilo Branco
The Slums of St. Petersburg by Vsevolod Krestovsky
The Mysteries of New York by Ned Buntline

Les Mystères de Paris [ gallica.bnf.fr ]

het genot een ‘ik’ te zijn

gelezen: hoofdstuk 8 (Berlijn 1811) uit Arthur Schopenhauer –
de woelige jaren van de filosofie
van Rüdiger Safranski (1988)

Arthur Schopenhauer - 
de woelige jaren van de filosofieIn de zomer van 1811 stapt Arthur Schopenhauer over van de Georg-August-Universität in Göttingen naar de Humboldt Universität in Berlijn. Zijn motivatie is simpel: aan deze in het jaar daarvoor gestichte universiteit doceert de beroemde filosoof Johann Gottlieb Fichte. Voor Safranski weer een goede reden om een ‘filosofisch toneel‘ in zijn biografie in te bouwen.

In een terugblik beschrijft Safranski wat er in de jaren negentig van de achttiende eeuw had plaatsgevonden. Fichte was zo onder indruk van de filosofie van Immanuel Kant gekomen dat hij besloot om de beroemde filosoof in 1791 in Königsberg op te zoeken. Kant heeft het echter zo druk met het ontvangen van bezoek van heinde en verre dat Fichte niet binnenkomt. Om toch de aandacht van Kant te krijgen, schrijft hij een essay om zichzelf bij de meester aan te bevelen: Versuch einer Kritik aller Offenbarung. Het werkt. Kant is zeer onder de indruk en laat het anoniem in Königsberg publiceren. Daarna wordt het in heel Duitsland besproken en als tenslotte uitkomt wie het geschreven heeft, is Johann Gottlieb Fichte de nieuwe rijzende ster aan het firmament van de Duitse filosofie.

Humboldtuniversiteit Berlin
De Humboldt Universität in Berlijn waar Schopenhauer van 1811 tot 1812 studeert.

Vanuit zijn bewondering en kritiek op Kant ontwikkelt Fichte zijn eigen filosofie van het Ich. Safranski vat dat prachtig samen. Zeker niet alles wat Safranski over Fichte schrijft, is makkelijk te begrijpen, maar als je het begrijpt, dan klopt het ook helemaal. Bijvoorbeeld: “Het ‘ik’ is iets dat wij pas in het denken voortbrengen en tegelijkertijd is die voortbrengende kracht de onvoorstelbare ik-heid in onszelf. Het denkende en het gedachte ‘ik’ zijn opgesloten in een vicieuze cirkel van activisme.”

Het ‘ik’ is iets dat wij pas in het denken voortbrengen en tegelijkertijd is die voortbrengende kracht de onvoorstelbare ik-heid in onszelf. Het denkende en het gedachte ‘ik’ zijn opgesloten in een vicieuze cirkel van activisme.

Twee bladzijden verder schrijft Safranski in zijn ‘filosofisch toneel’: “Ik ben het ‘Ding an Sich’ – het zichtbare geheim van de wereld. Dit inzicht was voor Fichte die verblindende ‘bliksem’ die zijn filosoferen bleef verhitten. Die ‘bliksem’ was afkomstig uit de geladen geestelijke sfeer van het verlangen naar emancipatie, een sfeer die tot hier was doorgedrongen vanuit de Franse Revolutie. En de invloed van Fichte vloeide niet voort uit moeilijke deducties die zeer weinig mensen begrepen, maar uit datgene waaruit meteen munt geslagen kon worden voor de wisselkoers van het tot dusver ongekende genot een ‘ik’ te zijn.”

FichteDe kern van de filosofie van Johann Gottlieb Fichte (1762-1814) wordt gevormd door zijn opvatting over de (menselijke) geest, het Ik. Volgens hem is de héle werkelijkheid hieruit te verklaren. Hiermee sluit hij niet aan bij Kant, die een dualisme aannam tussen de werkelijkheid zoals zij zich aan het “ik” voordoet en de onkenbare realiteit zoals zij werkelijk is. Fichte legt duidelijk de nadruk op de geest; zijn filosofie is een vorm van zuiver Idealisme en hijzelf daarmee een van de prominente vertegenwoordigers van het zogenaamde Duits Idealisme. Fichte ziet de individuele menselijke geest als een onderdeel van dat wat alles omvat, Het Absolute; hier in de vorm van het ‘absolute Ik’. Dit ‘absolute Ik’ is over alle bewustzijnen verdeeld. De diepste aard van alles wat bestaat is het goddelijke, absolute Ik. Daarachter kan men niet verder teruggaan, want het Ik “schept” of fundeert zichzelf. Het Ik schept niet alleen zichzelf, maar ook de natuur en de kosmos. Dit laatste noemt Fichte het ‘niet-Ik’, dat echter niet zelfstandig kan bestaan maar alleen in dialectische tegenstelling mét het Ik en in de ervaring als object dóór het Ik. Anders dan het Ik heeft het dus geen absolute maar slechts een relatieve werkelijkheid. Dit wordt door Fichte niet als een hypothese gezien maar als een noodzakelijke waarheid. (Bron: nl.wikipedia.org)

woelige jaren van de filosofie

gelezen: hoofdstuk 7 (1809-1811) uit Arthur Schopenhauer –
de woelige jaren van de filosofie
van Rüdiger Safranski (1988)

Arthur Schopenhauer – de woelige jaren van de filosofie was de tweede biografie die Rüdiger Safranski in 1988 schreef, nadat hij vier jaar eerder zijn eerste biografie had geschreven over E.T.A Hoffmann (1776-1822). Safranski voelt zich in de tijd rond 1800 als een vis in het water. Na zijn biografieën over Hoffmann en Schopenhauer verschenen een prachtige studie over de Duitse Romantiek en biografieën over Schiller en Goethe. Safranski mogen we internationaal rekenen tot een van de Grote Begrijpers van de zogenaamde Goethezeit, de periode 1770-1830.

Georg-August-Universität
De Georg-August-Universität in Göttingen waar Arthur Schopenhauer tussen 1809 en 1811 o.a. de filosofie van Immanuel Kant bestudeerde

Arthur Schopenhauer studierte von 1809 bis 1811 in Göttingen und besuchte vor allem historische und naturgeschichtliche Lehrveranstaltungen. Einer seiner wichtigsten Lehrer war dabei Johann Friedrich Blumenbach, der damals berühmteste Göttinger Naturforscher. Schopenhauer setzte die in Göttingen begonnenen naturwissenschaftlichen Studien auch nach der Entscheidung für eine Laufbahn als Philosoph und dem Wechsel an die neugegründete Universität in Berlin fort. Sein Interesse und seine Kenntnisse auf dem Gebiet der Naturwissenschaften und insbesondere der Physiologie sind ein wichtiger Schlüssel zum Verständnis seiner Philosophie.(Bron: univerlag.uni-goettingen.de)

Arthur Schopenhauer - de woelige jaren van de filosofieArthur Schopenhauer – de woelige jaren van de filosofie is een magistraal boek dat het uit eerbied verdient om nog eens herlezen te worden. Ik zit alweer een paar weken tot aan mijn oren in ‘de woelige jaren van de filosofie‘, bij mijn weten een term die door Safranski zelf gemunt is. Hij bedoelt hiermee de jaren 1781-1818, een iets ruimere interval dan het zo bekende tijdvak 1789-1815. De jaartallen die de woelige jaren van de filosofie begrenzen, vallen samen met het verschijnen van de Kritik der reinen Vernunft van Imanuel Kant in 1781 en Die Welt als Wille und Vorstellung van Arthur Schopenhauer in 1818. De periode daartussen was voor de filosofie net zo stormachtig als de Franse Revolutie (1789-1799) en de Napoleontische tijd (1800-1815).

Wat was er gebeurd? Dit zou een zin van Safranski kunnen zijn. Daarna zou een zogenaamd ‘filosofisch toneel‘ volgen, een intermezzo dat Safranski’s biografieën voor mij zo bijzonder maakt. Elke biograaf zal een decor willen schetsen voor het leven van een bepaalde persoon dat hij wil beschrijven. Dat is vaak een tijdsbeeld of een geografische beschrijving. Maar het kan ook gaan om een geestelijk klimaat. Dat laatste is als decor waarschijnlijk het lastigste om te beschrijven. Maar Safranski is hier een meester in. Hij heeft het zeldzame vermogen om het ingewikkelde samen te vatten, zonder dat dit afbreuk doet aan diepte en complexiteit. Ieder die zich waagt aan het samenvatten van filosofie voor een breed publiek, bijvoorbeeld in een historisch overzicht, weet hoe zwaar het is een bevredigend evenwicht te vinden tussen toegankelijkheid/helderheid en complexiteit. Safranski heeft ook nog eens literair talent, waardoor hij schitterend proza aflevert.

Het ‘Ding an Sich’ was net een gat waardoor een verontrustende tocht binnenstroomde.

Een paar voorbeelden: “Het is alsof de onttroonde oude metafysica, eenmaal verdreven uit de onbegrensde ruimten van de kosmos, alle resterende kracht heeft vergaard en de geseculariseerde subjecten op het gemoed heeft gewerkt, waar ze danig rammelt en knelt.” Dit schrijft hij met betrekking tot de Categorische Imperatief, het centrale begrip uit de Kritik der praktischen Vernunft (1888). En met betrekking het centrale begrip uit de Kritik der reinen Vernunft (1781), het Ding an Sich, schrijft hij: “Kant liet ons een goed ingericht huis van rationele kennis na, maar het ‘Ding an Sich’ was net een gat waardoor een verontrustende tocht binnenstroomde.”

Het is precies deze ‘tocht’ die in het westerse denken een storm zou veroorzaken. Deze zou het Duitse idealisme van Fichte en Schelling, het optimisme van Hegel maar ook het pessimisme van Schopenhauer voortbrengen. We mogen daarom gerust spreken van ‘de woelige jaren van de filosofie’.

Saudade [ 3 ]

opnieuw gezien: Os misterios de Lisboa (2010) van Raul Ruiz

Camilo Castelo BrancoVan Simon Vestdijk wordt wel eens gezegd dat hij niet geleefd maar geschreven heeft. Zijn literaire productie was zo buitengewoon groot dat er voor het echte leven maar weinig tijd overbleef. Bij de Portugese schrijver Camilo Castelo Branco (1825-1890) kun je dat moeilijk zeggen. Ook hij produceerde enorm veel (honderden romans, toneelstukken en essays) maar had daarnaast een veelbewogen leven. Os misterios de Lisboa, een van zijn bekendste romans, die oorspronkelijk in 1853 als feuilleton verscheen in een dagblad in Porto, liet al zien dat Branco ‘kleinmenselijk’ drama van binnenuit kende.

Met deze roman vestigde hij op 29-jarige leven zijn reputatie als romancier en had toen al een dramatisch verleden achter de rug. Op zijn vierentwintigste werd hij gearresteerd omdat hij zijn overleden jonge vrouw had opgegraven. Het zou niet de laatste keer zijn dat hij in de gevangenis belandde. Later werd hij opnieuw, en nu voor langere tijd, opgesloten omdat hij een affaire had met een getrouwde vrouw. Tijdens zijn tweede verblijf in de gevangenis schreef hij in 1861 Amor de perdição (Noodlottige Liefde), een van zijn bekendste romans. Samen met Eça de Queiroz (1845-1900) is hij de grootste Portugese auteur uit de 19e eeuw. Nog altijd is literatuur minnend Portugal verdeeld in twee kampen. Je bent Camiliaan of Eça-fanaat. Als je van de een houdt, hou je meestal niet van het werk van de ander. Branco is dan ook een verplicht nummer, vergelijkbaar met Multatuli in Nederland.

In 2010 werd Mistérios de Lisboa (1854) verfilmd door Raul Ruiz. Het is een weergaloze film geworden met adembenemende fotografie, met een heel eigen visie en superieur aan het gemiddelde kostuumdrama dat je op televisie ziet dat weliswaar degelijk gemaakt is, maar toch productiewerk is. Ruiz vertelt zijn verhaal rustig en is zeer spaarzaam met takes en camerabewegingen. Zo ontstaat een contemplatieve sfeer die bijzonder goed past in de laat-romantische traditie waarin Branco schreef en de vroege negentiende eeuw waarin de verhalen van Os misterios de Lisboa zich afspelen.

Os misterios de Lisboa
Angela en Pedro, de ouders van de jonge edelman die in Os Misterios de Lisboa op zoek gaat naar zijn identiteit en in een web van vervlochten levens verstrikt blijkt te zijn.
Raul Ruiz plaatst in navolging van Kubrick zijn acteurs vaak in bevroren poses in lange statische takes en vermijdt in dialogen close ups. Zo worden zijn beelden tableau vivants.

Toen ik deze film vier jaar geleden voor de eerste keer zag, moest ik al vaak denken aan Barry Lyndon (1975) het meesterlijke ‘kostuumdrama’ van Stanley Kubrick. Raul Ruiz plaatst in navolging van Kubrick zijn acteurs vaak in bevroren poses in lange statische takes en vermijdt in dialogen close ups. Zo worden zijn beelden tableau vivants. Maar omdat het film is, wrikken de acteurs zich langzaam los uit het “schilderij” waarin ze zich bevinden. Film op het randje van de schilderkunst. Wie van dynamiek houdt, zal deze statische beelden oervervelend vinden. Maar in onze tijd van hyper bewegelijke (virtuele) camera’s vind ik deze contemplatieve benadering een verademing. Laten we onze ogen weer eens echt gaan gebruiken en ons oefenen in ‘langzaam kijken‘.

Veel werk publiceerde Camilo Castelo Branco alleen om de rekeningen te betalen, maar hij bleef altijd origineel. Hij maakte sterke personages en Portugese types, waaronder de “brasileiro” (een teruggekeerde Portugese emigrant die rijk was geworden in Brazilië), de oude Fidalgo (een edelman uit het noorden van Portugal) en de priester uit Minho. Als gevolg van syphilis werd Branco blind en leed hij aan een chronische zenuwziekte. Op 1 juni 1890 pleegde hij zelfmoord met een revolver, terwijl hij in zijn beroemde houten schommelstoel zat. (Bron: nl.wikipedia.org)

Saudade [1] | Saudade [2]