Categorie archief: comics

De schwung van Franquin [ 2 ]

herlezen: Bravo Brothers (1965) van Franquin

Hommeles in RommelgemIn 1969 verscheen het laatste avontuur van Robbedoes en Kwabbernoot dat door André Franquin getekend was. Door de enorme werkdruk had hij de reeks overgedragen aan Fournier, zodat hij zich volop op Guust Flater kon concentreren. Hommeles in Rommelgem is een verhaal van 37 platen en vult de grootste helft van het gelijknamige album dat wordt aangevuld met de 22 platen van Bravo Brothers. Eigenlijk is dit geen verhaal van Robbedoes en Kwabbernoot maar een langgerekte gag van Guust. Franquin tekende het in 1965 en het verscheen voor het eerst in Spirou/Robbedoes 1435 tot en met 1455.

Pas in 2012 publiceerde Uitgeverij Dupuis Bravo Brothers als een zelfstandig album waarbij de 22 platen werden aangevuld met een bibliografie van Franquin en enkele illustraties.

bravo brothers
Bravo Brothers verscheen voor het eerst in Spirou 1435 in 1965 (links). De omslag werd in 2012 gebruikt voor een zelfstandig album (rechts).

Franquin tekende Bravo Brothers rond zijn veertigste op het toppunt van zijn kunnen in zijn swingende stijl. In de jaren zeventig zou zijn stijl “hariger” worden door de vele dunne lijntjes die met een pen getekend zijn. Maar in het midden van de jaren zestig werkte hij nog met een penseel wat zijn stijl een solide uitstraling geeft. Hij tekende Bravo Brothers twee jaar na QRN op Bretzelburg en in de tussentijd lag zijn productie voor Robbedoes en Kwabbernoot helemaal stil.

Wat mij betreft behoren beide verhalen tot de top van wat Franquin gepresteerd heeft. Hergé vond zichzelf een erbarmelijk tekenaar vergeleken bij Franquin. Begrijpelijk als je Bravo Brothers leest. Maar Hergé is wereldberoemd geworden bij het grote publiek. Dat Franquin in zijn schaduw staat, is meer een kwestie van image (Tin Tin is kunst) en marketing. In artistiek opzicht rijst de ster van Franquin boven die van Hergé uit.

bravo brothers
Guust en de drie Bravo Brothers
Guust Flater doet Kwabbernoot drie chimpansees, de Brothers, cadeau voor diens verjaardag. De apen komen uit een circus en zetten al snel de hele redactie van het weekblad Robbedoes op stelten. Ze gebruiken vuurwapens, gooien met messen en schieten met pijl-en-boog. Meneer Demesmaeker vindt de apen wel grappig en is voor een keer zeer bereid om contracten met Kwabbernoot te tekenen. Hij krijgt echter de slappe lach en meent dat de redactie hem wil doen doodlachen.
 
Bron: nl.wikipedia.org

de Schwung van Franquin [ 1 ]

herlezen: QRN op Bretzelburg (1961-1963) van Franquin en Greg

QRN op BretzelburgIn december 1977 las ik voor het eerst QRN op Bretzelburg van Robbedoes en Kwabbernoot (Spirou et Fantasio). Ik was daar toen zo van onder de indruk dat ik mij in 1978 abonneerde op het stripblad Robbedoes in de verwachting meer van Franquin te kunnen lezen. Maar ik wist niet dat hij alweer tien jaar eerder Robbedoes en Kwabbernoot (exclusief de Marsupilami op wie hij het auteursrecht behield) had overdragen aan Fournier. Bovendien was het legendarische stripblad Robbedoes in 1978 nog slechts een schaduw van wat het ooit geweest was, zodat ik na twee jaar mijn abonnement alweer heb opgezegd.

Toen ik QRN op Bretzelburg voor het eerst las, was het alweer zo’n 15 jaar oud. André Franquin (1924-1997) tekende het tussen 1961 en 1963 met een lange onderbreking in 1962 wegens een depressie. Maar daar is niets van van te merken, integendeel, dit album is een van de hoogtepunten van de École de Marcinelle geworden. Het zit vol geslaagde grappen, heeft een prima plot en een nostalgische sfeer (Kleinstaaterei). En het is natuurlijk fantastisch, swingend getekend.

spirou 1961
De eerste aflevering van QRM sur Bretzelburg verscheen in Spirou #1205 (links) in 1961. Daarnaast Spirou #1206 en #1210.

Scenarist Greg heeft zich waarschijnlijk gebaseerd op The Mouse That Roared (1955) van Leonard Wibberley, vooral bekend geworden door de verfilming uit 1959 met Peter Sellers. Dit verhaal speelt zich af in het fictieve hertogdom van Grand Fenwick, ergens in de Alpen. Overigens had Herge in 1938 in de De scepter van Ottokar hetzelfde gegeven ook al eens gebruikt. Hij bedacht de twee rivaliserende dwergstaatjes Syldavië en Bordurië die hij ergens op de Balkan plaatste. Ook dit verhaal was mogelijk door een film geïnspireerd. The Lady Vanishes (1938) van Alfred Hitchcock speelt zich namelijk af in Bandrika, een fictief dwergstaatje in Centraal-Europa.

QRN sur Bretzelburg [ web.archive.org ]

Rik Ringers

Opnieuw gelezen: 22 avonturen van Rik Ringers (1961-1975)

PEP 1972 #51Als negenjarige maakte ik voor het eerst kennis met Rik Ringers in december 1972. In PEP nummer 51 begon het verhaal Spoken in de nacht uit 1969. Het is een sfeervol verhaal dat zich helemaal afspeelt in de sneeuw in een Frans dorpje in de Pyreneeën. Scenarist A.P.Duchateau houdt van mystery en laat zijn whodunnits vaak op het randje van het bovennatuurlijke balanceren. Spoken in de nacht hield mij wekenlang bezig en vaak uit mijn slaap. De naam Rik Ringers stond in mijn zieltje gegrift. De jaren daarop bleef ik Rik Ringers volgen in Pep en in 1974 kocht ik mijn eerste album Onderzoek in het verleden dat ik nog steeds bewaar. Inmiddels heb ik de eerste 24 albums verzameld plus nog eens zo’n 19 verhalen in Pep (1970-1975) en Kuifje (1977-1981). Afgelopen weken herlas ik 22 avonturen uit de periode 1963-1977.

Rik Ringers 1955
Rik Ringers – Wie van de drie?
Het allereerste verhaal van Rik Ringers verscheen in Kuifje 13 van 1955

Tibet (pseudoniem van Gilbert Gascard) is een groot talent. Voordat hij in 1955 samen met A.P.Duchateau zijn eerste korte verhaal (Wie van de drie?) van Rik Ringers maakte, was hij al bekend als de tekenaar van Chick Bill. Deze reeks begon hij in 1954 en tekende hij tot aan zijn dood in januari 2010. Er verschenen zeventig albums. Rik Ringers begon als reeks in 1963, liep ook tot aan 2010 en hier verschenen 78 albums van. Dus Tibet tekende in zijn lange leven (1931-2010) twee lange reeksen van in totaal bijna 150 albums. Ik ken geen andere striptekenaar die zo productief is geweest.

Rik Ringers
Rik Ringers in eigen bezit
De ontvoering – Het raadsel van Porquerolles – Rik Ringers in een doolhof – De schaduw van Kameleon – Alias Rik Ringers – De 5 onzichtbaren – Nachtmerrie voor Rik Ringers – Spoken in de nacht – Grafschrift voor Rik Ringers – Onderzoek in het verleden – Het teken van de angst – De man die ongeluk bracht

Het is aardig om de tekeningen van het eerste lange verhaal (Wie is de Kameleon?)van Rik Ringers uit 1961 te vergelijken met die van tien jaar later. Wie is de Kameleon? is getekend in de stijl van de École de Marcinelle. Je ziet invloeden van Jijé (Jan Kordaat) en de atoomstijl van Franquin. Op het eerste plaatje (zie onder) zien we Tibet’s voorliefde voor auto’s. Links verschijnt de gele Porsche van Rik voor het eerst in beeld, rechts een godin van de weg.

Rik Ringers 1961
Het eerste plaatje van Wie is de Kameleon? (1961), het eerste lange verhaal van Rik Ringers.

Aan het begin van de jaren zeventig heeft Tibet helemaal zijn eigen stijl gevonden. De nadruk ligt op de close ups van zijn personages (Tibet is een meesterlijk karikaturist) en zijn vlotte penseelvoering in dik-dun. Ook tekent hij vaak erg gedetailleerd, zeker als het om auto’s gaat. Rik’s gele Porsche of de Citroen DS kan hij vlot vanuit verschillende camerastandpunten tekenen. Ook beheerst hij uitstekend filmische perspectieven waarin hij zijn personages plaatst.

Rik Ringers
Rik Ringers in eigen bezit
De schaduw van Kameleon – Valstrik voor Rik Ringers – Gangsters op de France – Duel met de beul – Het monster van Zwartlo – Requiem voor een idool – Buitenaardse wezens vallen aan! – De lijn des doods – Het rode spoor

1. De ontvoering/Wie is de Kameleon? (1961)
2. Het raadsel van Porquerolles (1962)
3. Rik Ringers in een doolhof (1963)
4. De schaduw van Kameleon (1964)
5. Valstrik voor Rik Ringers (1965)
6. Gangsters op de France (1966)
7. Dreiging op het witte scherm (1967)
8. Oog in oog met de slang (1967)
9. Alias Rik Ringers (1968)
10. De 5 onzichtbaren (1968)
11. Nachtmerrie voor Rik Ringers (1969)
12. Spoken in de nacht (1969)
14. Duel met de beul (1970)
15. Het monster van Zwartlo (1971)
16. Requiem voor een idool (1972)
17. Grafschrift voor Rik Ringers (1972)
18. Onderzoek in het verleden (1973)
19. Het teken van de angst (1973)
20. De man die ongeluk bracht (1974)
22. Buitenaardse wezens vallen aan! (1974)
23. De lijn des doods (1975)
24. Het rode spoor (1975)

Rik Ringers [stripsuithedenenverleden.nl]

monument voor een monument

gelezen: De laatste farao (2019)

De Laatste FaraoEind juni liep ik in een boekhandel in het Franse stadje Avallon voor het eerst tegen een exemplaar van le dernier pharaon aan en ik was zeer verbaasd een Blake en Mortimer getekend te zien in een a-typische stijl, namelijk die van François Schuiten, bekend van de cyclus De duistere steden.

Vanuit de stripwereld werd er al lange tijd uitgekeken naar dit album en dat verklaart ook waarom ik begin juli in Franse boekhandels er telkens stapels van zag liggen. Ook in Nederland is het raak. In een doodgewoon Bruna-filiaal ergens in een winkelcentrum in een buitenwijk ligt een stapeltje. Het verschijnen van een nieuwe Blake en Mortimer is een happening die zelfs tot in de supermarkt doordringt. Toen een half jaar geleden De vallei der onsterfelijken verscheen, werden er in de eerste week al grote aantallen van verkocht. Meestal door grijze heren als ik die het inwendige jongetje weer willen opgraven en terugverlangen naar de rode oortjes.

Dat François Schuiten (samen met Jaco van Dormael, Thomas Gunzig en Laurent Durieux) zich ooit zou voegen in het rijtje “Blake en Mortimer tribute tekenaars” had ik nooit kunnen bedenken. De stijl die hij in de loop der decennia is gaan hanteren, met zijn vele arceringen, staat haaks op de klare lijn van de Brussels meesters Hergé en Jacobs. Het doet eerder negentiende eeuws aan. Schuiten heeft dan ook een voorliefde voor het einde van de negentiende eeuw, de periode waarin de Brusselse architect Victor Horta (1861-1947) zijn belangrijkste werk schiep.

De laatste farao is niet alleen een verhaal van Blake en Mortimer maar dompelt ons ook onder in een Schuiten-universum. Daaronder verstaan we een wereld waarin de stad Brussel een belangrijke rol speelt waarbij vooral de architectuur uit de negentiende eeuw naar voren komt. Vaak in combinaties met luchtschepen en steampunk. In De Laatste Farao lichten Schuiten en zijn scenaristen Van Dormael en Guzig er één gebouw letterlijk uit: het Justitiepaleis (1866-1883), een monsterlijk groot gebouw dat als een berg het centrum van Brussel beheerst.

Justitiepaleis Brussel
Het Justitiepaleis in Brussel aan het begin van de twintigste eeuw was een ontwerp van Henri Poelaerts

Schuiten, zoon van twee architecten, is al zijn hele leven gefascineerd door deze kolos, waarover Victor Horta ooit zei: “Cyclopische architectuur ontsproten aan de verbeelding van een dwerg, zonder kennis van de menselijke schaal.” Toen Schuiten in de nagelaten notities van Edgar P.Jacobs ontdekte dat deze ook een verhaal rond dit gebouw wilde maken, stond het voor hem vast: hij zou dat verhaal maken. Het kostte hem bijna vier jaar.

MortimerDe Brusselse striptekenaar Edgar P. Jacobs publiceert zijn eerste avontuur van Blake en Mortimer in 1946, in het weekblad Kuifje. Het Mysterie van de Grote Piramide volgt in 1950. De uitgeverijen Blake en Mortimer en Dargaud Benelux, eigenaars van de beroemde Britse helden, dachten al lang aan een apart deel in de rand van de traditionele reeks. Dit album zou geënt worden op de persoonlijke kijk van een auteur met een grote bewondering voor het werk van Jacobs. De keuze van de uitgever ging als vanzelf naar een andere Brusselaar, François Schuiten. Dat is ook de man die, samen met Benoît Peeters, nieuw leven blies in het Autrique Huis. Onze vereniging moest dus wel de originele platen van De Laatste Farao huisvesten. François Schuiten werkte niet alleen. Hij omringde zich met cineast Jaco Van Dormael en romanschrijver Thomas Gunzig om het scenario van dit uitzonderlijk avontuur van Blake en Mortimer uit te werken en fijn te stellen. Laurent Durieux zorgde voor de prachtige inkleuring. Het is geen eerbetoon, geen nostalgische terugblik, ergens tussen de Gizeh-vlakte en de heuvels van Brussel, maar De Laatste Farao geeft wel een andere zienswijze op de mythe die Edgar P. Jacobs creëerde. (Bron: autrique.be)

De Laatste Farao – persbericht [ PDF ]
interview met Francois Schuiten door Thijs Demeulemeester [ tijd.be ]
Poelaerts, de Schieven Architek [ W&V ]

Mister Blueberry [ 3 ]

gelezen: Mister Blueberry (1995), Schaduw over Tombstone (1997),
Geronimo de Apache (1999), OK Corral (2003) en Dust (2005)

Mister Blueberry is een verhalencyclus van 252 pagina’s, verdeeld over vijf albums. Giraud werkte er met tussenpozen tien jaar aan. Het is een tamelijk complex verhaal, vooral ook omdat er minstens twee verhalen door elkaar lopen: 1.het actuele verhaal dat zich afspeelt in Tombstone en waarbij het legendarische duel bij de OK Corral het hoogtepunt is. 2. Het verhaal dat Blueberry vertelt aan de journalist Campbell over zijn diensttijd in Fort Mescalero in Arizona niet ver van de Mexicaanse grens. Giraud weeft dat laatste verhaal in de vorm van flash backs door het eerste verhaal. Dan zit er eigenlijk nog een derde verhaal in rond Johnny Ringo, een huurmoordenaar en psychopaat die zich uitleeft in Tombstone.

Mister Blueberry
OK Corral (2003) en Dust (2005)

Mogelijk hebben twee films uit de jaren negentig Giraud beïnvloed tijdens het schrijven van het scenario. Ten eerste de western Tombstone uit 1993. Hierin spelen zeker zes historische figuren die Giraud ook opvoert in Mister Blueberry. En ik vermoed dat ook Silence of the Lambs een inspiratiebron is geweest. Johnny Ringo is een soort Hannibal Lecter van het Wilde Westen, een psychopaat die op scalpen jaagt en zijn slachtoffers ritueel vermoordt.

Giraud voert in Mister Bluebbery heel veel personages op. Om het de lezer wat makkelijker te maken, was het geen overbodige luxe geweest wanneer de uitgever achterin de albums een Dramatis Personae had opgenomen. Daarom heb ik er zelf maar een gemaakt. (Het eerste deel is te vinden onder het vorige stukje.)

Mister Bluebbery – Dramatis Personae II

Dolly (Gertrud) … prostituee in de Dunhill
Anne-Belle … prostituee in de Dunhill
Handsome Harry … outlaw en stalker van Doree Malone
Johnny Ringo … Strawfield’s huurmoordenaar en gevaarlijke psychopaat (lid van de sekte van de Rode Draak, scalpjager)
Stomme H … Strawfield’s huurmoordenaar uit Dodge City in de hinderlaag bij O.K. Corral
Don Clark … Strawfield’s huurmoordenaar uit Dodge City in de hinderlaag bij O.K. Corral
Marshal Kelly Straub … Strawfield’s huurmoordenaar in de hinderlaag bij O.K. Corral
Norris … burgemeester van Tombstone
Stanley Earl Barretts … bankier uit Tombstone
Julius Skinney … voorzitter van “Law en Order”
Kapitein Noonan … hoofdofficier in Fort Mescalero
Sgt. Potter … cavaleriesergeant in Fort Mescalero
dominee Younger … dominee uit het Oosten die de Apachen wil bekeren
Caroline … dochter van dominee Younger en onderwijzeres in weeshuis
Dust (Natcheh) … zoon van Geronimo Apache

Mister Blueberry [ 2 ]

gelezen: Mister Blueberry (1995), Schaduw over Tombstone (1997),
Geronimo de Apache (1999), OK Corral (2003) en Dust (2005)

Tussen 1995 en 2005 tekende Jean Giraud (1938-2012) de laatste vijf albums van Blueberry. De schepper van deze anti-held, scenarist Michel Charlier was in 1989 overleden en Giraud zette de reeks in zijn eentje voort. Hij verloste de cavalerieluitenant uit het Amerikaanse leger en gunde Mister Blueberry een nieuw leven als gokker in Tombstone, het Sodom en Gomorra van het Wilde Westen.

Mister Blueberrry
Mister Blueberry (1995), Schaduw over Tombstone (1997) en Geronimo de Apache (1999)

De reeks Blueberry bestaat niet uit afgesloten verhalen van 46 pagina’s. Elk album vormt een episode in een lang avontuur. Daardoor kunnen er veel personages opgevoerd worden en zijn er ook steeds plotwisselingen. Deze traditie die scenarist Charlier had opgebouwd, zet Giraud voort met zijn reeks Mister Blueberry. Een opvallend nieuw element in het scenario van Giraud is een speciaal gevoel voor humor, dat je nog het beste als burlesque kunt omschrijven. Dat komt vooral in de tekeningen tot uitdrukking. Hier schemert de hand van Moebius door, de “parallelle tekenaar” die Giraud sinds het midden van de jaren zeventig ook was.

Giraud-Moebius – De tekenaar met de twee handen
Giraud is voor een van de geniaalste tekenaars aller tijden. Hij kan zowel rauw met penseel als sereen met een pen werken. Als Giraud beheerst hij net als Velazquez de snelle reflex met het penseel. Als Moebius weet hij net als Ingres de juiste contour te treffen. In 1972 maakte ik voor het eerst kennis met zijn werk via Generaal Geelkop in het legendarische stripblad PEP. Ik was nog iets te jong voor zijn rauw realistische werk, maar rond 1980 ontdekte ik zijn dubbelleven als Moebius. Arzach, dat voor het eerst verscheen in 1975 in het Franse stripblad Metal Hurlant, maakte verpletterende indruk op mij. Begin jaren tachtig begon ik ook zijn Blueberry verhalen vanaf 1963 allemaal te lezen. In 1986 werd door Charlier en Giraud na 13 jaar de uit de hand gelopen dollarstrilogie eindelijk afgerond.

Het vijfluik Mister Bluebbery heeft Giraud geschreven rondom een van de beroemdste vuurgevechten van het Wilde Westen, de O.K. Corral op 26 oktober 1881 in Tombstone. Dit legendarische duel werd al vaker opgevoerd in boeken en films. Omdat er zoveel verdichtsel is, kunnen schrijvers eindeloos speculeren hoe het in werkelijkheid gegaan zou zijn. Er kan dankbaar gebruik gemaakt worden van iconische figuren als Wyatt Earp en Doc Holliday. Giraud voert ook de broers van Wyatt Earp op die betrokken waren bij het duel in de O.K. Corral: Virgil Earp en Simon Earp. In werkelijkheid, heette de jongste broer niet Simon maar Morgan Earp.

Mister Blueberrry
OK Corral (2003) en Dust (2005)

Mister Bluebbery – Dramatis Personae I

Mike S. Blueberry … voormalig cavalerie luitenant, gokker in Tombstone
Doree Malone … zangeres in de Dunhill en verpleegster van Blueberry
John Meredith Campbell … journalist uit Boston die biografie over Blueberry wil schrijven
William (Billy) Parker … assistent-journalist uit Boston
Tom Dorsey … directeur van de “Tombstone Epitaph”
Tommy Boone … zoon van pa Boone
Butch … Boone’s huurmoordenaar
Doc Holliday … tandarts en gokker
Mr. Prescott … eigenaar van de Dunhill
Mr. Strawfield … eigenaar van zilvermijn en bankier
Wyatt Earp … sheriff van Tombstone en gokker
Virgil Earp … sheriff van Tombstone en gokker
Simon Earp … jongste broer en hulpsheriff
Ike Clanton … outlaw
Billy Clanton … outlaw
Ma Clanton … moeder van Billy Clanton
Clayborne … jongste lid van de Clanton clan
Geronimo … leider van de Chiricahua-Apaches

Mister Blueberry [ 1 ]

aan het lezen in Mister Blueberry van Jean Giraud

Toen de Belgische scenarist Jean-Michel Charlier (1924-1989) overleed, stond tekenaar Jean Giraud (1938-2012) voor dezelfde keus als Albert Uderzo bij de dood van René Goscinny twaalf jaar eerder. Zou hij de succesvolle reeks die hij samen met zijn scenarist gecreëerd had definitief stoppen of in zijn eentje voortzetten? Nu was Blueberry op dat moment al een van de populairste Franse strips, door een miljoenenpubliek over de hele wereld gelezen. Dus volgde Giraud zijn collega Uderzo en nam hij voortaan ook het scenario op zich. Uderzo schreef nieuwe verhalen in de geest van Goscinny en Giraud deed dat in de geest van Charlier.

Mister Blueberry
Mister Blueberry

Anders dan bij Asterix, waarbij de verhalen altijd op zichzelf staan, vormen de verhalen van Blueberry al sinds 1963 een veelluik. Het magnum opus van Giraud en Charlier is een uit een hand gelopen drieluik, geïnspireerd door de dollarstrilogie, drie beroemde spaghettiwesterns van Sergio Leone uit de jaren zestig. Oorspronkelijk vormden de albums Chihuahua Pearl, De man die $500.000 waard was en Ballade voor een doodskist een gesloten verhaal, maar doordat de hoofdpersoon voortvluchtig was, volgde een reeks verhalen waarin Mike Blueberry achterna gezeten werd door een hele reeks vijanden. Charlier en Giraud werkten meer dan dertien jaar (1973-1986) aan deze cyclus van tien verhalen. Het laatste verhaal heette toepasselijk Het einde van de lange rit. Drie jaar later overleed Charlier.

In 1995 startte Giraud een nieuwe verhalencyclus die tenslotte uit vijf albums zou bestaan: Mister Blueberry (1995), Schaduw over Tombstone (1997), Geronimo de Apache (1999), OK Corral (2003) en Dust (2005). Scenarist Giraud liet Blueberry definitief het leger de rug toekeren en een nieuw leven beginnen in het legendarische westernstadje Tombstone in Arizona. Vandaar Mister Blueberry in plaats van Lieutenant Bluebbery.

Mister Blueberrry
Mister Blueberry (1995), Schaduw over Tombstone (1997) en Geronimo de Apache (1999)

Na het einde van de Amerikaanse Burgeroorlog schuift de frontier zich door de ontwikkeling van de spoorwegen razendsnel westwaarts. Het Wilde Westen is bijna ten einde gekomen. Aan de Oostkunst realiseert men zich dit ook en schrijvers en journalisten uit Boston, New York of Philedelphia trekken naar het Westen om verhalen op te kunnen tekenen uit de mond van levende legendes, want het publiek in de grote steden is daar gek op. En zo arriveert de schrijver Campbell met zijn assistent Billy in juli 1881 in Tombstone om de levende legende Mike S. Blueberry te ontmoeten.

Vanuit dit gegeven weeft Giraud een verhaal met flashbacks uit het leven van Blueberry en een legendarische gebeurtenis uit 1881, het vuurgevecht bij de O.K. Corral. Zo kan hij ook een aantal historische figuren ten tonele voeren: Wyatt Earp en zijn broers Morgan en Virgil, Doc Holliday en Billy Clanton.

Mister Blueberry (1995)
Schaduw over Tombstone (1997)
Geronimo de Apache (1999)
OK Corral (2003)
Dust (2005)

alles over Blueberry op deze blog