Categorie archief: comics

cinéma écrit

gelezen: De Slag (2018) van Ivan Gil en Frédéric Richaud
naar de gelijknamige roman uit 1997 van Patrick Rambaud

La BatailleHet in scène zetten van veldslagen uit de Napoleontische tijd is al bijna net zo oud als de historische roman zelf. (Algemeen beschouwt men Waverley uit 1814 van Walter Scott als de allereerste historische roman.) De Slag bij Waterloo (1815) was 25 jaar na dato al een onderwerp in De Kartuize van Parma (1839). In deze historische roman beschrijft Stendhal hoe zijn hoofdpersoon Fabrizio del Dongo naar het Noorden trekt om te vechten voor Napoleon en in de nasleep van de Slag bij Waterloo terecht komt. In 1839 leefden er nog genoeg veteranen die het de schrijver na konden vertellen. Dat was niet nodig omdat Stendhal kon putten uit zijn eigen oorlogservaringen en zijn doel was niet een gedetailleerd verslag van de veldslag, maar eerder een ironisch commentaar.

Nog eens ruim twintig jaar later figureerde de Slag bij Waterloo in Les Miserables (1862) van Victor Hugo. Ook Hugo pretendeerde geen uitvoerig verslag van de gevechtshandelingen, maar gebruikte Waterloo vooral als decor.

Anders is dit in Oorlog en Vrede (1869), een van de beroemdste boeken van de negentiende eeuw. Tolstoj (1828-1910) documenteerde zich minutieus om waarheidsgetrouw de veldslagen te kunnen beschrijven, want de meeste veteranen uit deze veldslagen leefden rond 1865 al niet meer. In dit geval ging het niet om de grootste nederlaag van Napoleon, maar om zijn grootste overwinning, de Slag bij Austerlitz in 1805. Nog meer aandacht besteedde Tolstoj aan de Slag bij Borodino (1812) waar hij zijn hoofdpersoon Pierre Bechozov in Oorlog en Vrede getuige van laat zijn.

BalzacIn de negentiende eeuw is er voor de romanschrijver dus al een levendige exploitatie van de Napoleontische oorlogen op gang gekomen, een trend die zich in de twintigste eeuw zou doorzetten. Daarin zijn verschillende benaderingen van elkaar te onderscheiden. De ene schrijver gebruikt de veldslag puur als decor (Hugo), de ander als spotprent (Stendhal) of als aanleiding voor filosofische beschouwingen (Tolstoi). Maar er zijn ook schrijvers die zo nauwkeurig mogelijk verslag willen doen. Dat geldt zeker voor Honoré de Balzac (1802-1850).

Tijdens een bezoek aan Wenen in 1835 had Balzac het plan opgevat een roman te schrijven waarin hij “van het eerste tot het laatste kanonsschot” verslag wilde doen van de Slag bij Aspern-Eßling op 21 en 22 mei 1809 iets ten noorden van Wenen. Hij bezocht 26 jaar na de veldslag het eiland Lobau en het Marchfeld waar op 21-22 mei en opnieuw op 5-6 juli tijdens de Slag bij Wagram verschrikkelijk gevochten werd. Vijftien jaar lang bleef het idee hem achtervolgen, maar bij zijn dood in 1850 was er nog geen regel van op papier gekomen.

Het oorspronkelijke idee van Balzac zou in 1997 eindelijk worden uitgevoerd door de Franse schrijver Patrick Rambaud. Volgens hem had Balzac zijn roman nooit kunnen schrijven omdat het medium film nog niet bestond. Balzac had namelijk de pretentie om de gevechtshandelingen realistisch in beeld te brengen en daar heb je de filmische benadering nodig met camerazwenkingen en scènewisselingen. De Fransen hebben daar een mooie term voor: cinéma écrit.

De snelheid van een kanonskogel laat zich moeilijk beschrijven en is eigenlijk ook al niet te filmen. Toch kunnen de schrijver of de cinematograaf het onzichtbare in beeld brengen door de sporen te laten zien, in dit geval het spoor van bloed dat de kanonskogel door een slagorde trekt. In de filmgeschiedenis heeft de gevechtsscène een ontwikkeling doorgemaakt. Kijk maar eens naar Ben Hur (1959) en dan naar Gladiator (2000). Het verschil wordt onmiddellijk duidelijk. Niet alleen is het geweld explicieter geworden, maar ook de cinematografie is veranderd: de camerabewegingen zijn dynamischer, de oorlogservaring (angst, desoriëntatie, chaos, waanzin) is filmisch vertaald in schokkerige of wazige beelden en de montage wordt gekenmerkt door discontinuïteit.

De Slag
Nederlandse uitgave van La Bataille als graphic novel, in 2018 verschenen bij uitgeverij Microbe

Een schrijver die een roman moet omwerken naar een beeldverhaal of film bedient zich van dezelfde termen: totaal, halftotaal, close up en de verschillende definities voor de camerahoek. Scenarist Frédéric Richaud schrijft achterin het tweede deel van La Bataille dat de roman van Patrick Rambaud zo beeldend geschreven is, dat hij eigenlijk alles al kreeg voorgeschoteld. Een roman dus als een filmscript, waarin de gezichtshoek centraal staat in de manier waarop het verhaal verteld wordt. Het moeilijkste voor scenarist Richaud was om in de wervelwind van acties de lezer niet te verliezen. Als anker in het stormachtige strijdtoneel heeft Rambaud de verhaallijn in Wenen in zijn roman geweven. Hier kan de lezer telkens even op adem komen.

Bij La Bataille moest ik soms denken aan de roman The Killer Angels van Michael Shaara dat gedetailleerd de Slag bij Gettysburg beschrijft, het keerpunt van de Amerikaanse Burgeroorlog in juli 1863. Hier worden beide partijen gevolgd, juist omdat het een burgeroorlog betreft. Zo kunnen de Amerikanen zich in The Killer Angels zich zowel met de noordelijken als de zuidelijken identificeren. In La Bataille blijven de Oostenrijkers op afstand. We zien de opperbevelhebber, aartshertog Karl slechts één keer vanuit de verte. De vijand blijft bijna abstract, al zien we op het slagveld dezelfde broedermoord als tijdens een burgeroorlog. Slechts de uniformen zijn verschillend, voor de rest zijn het allemaal dezelfde mensen van vlees en bloed.

ivangilsketchbook.blogspot.com

Slaughterhouse Aspern-Eßling

gelezen: De Slag (2018) van Ivan Gil en Frédéric Richaud
naar de gelijknamige roman uit 1997 van Patrick Rambaud

La BatailleGisteren kocht ik de graphic novel De Slag (150 pagina’s in drie delen) gebaseerd op de gelijknamige roman uit 1997 van Patrick Rambaud en getekend door de Madrileen Ivan Gil naar een scenario van Frédéric Richaud. In 1997 werd La Bataille bekroond met de Prix Goncourt, een van de belangrijkste Franse literatuurprijzen. En in de wereld van de graphic novel oogstte de bewerking van Richaud en Gil veel lof.

Vorig jaar verscheen de Nederlandse vertaling in een fraaie uitgave van de Vlaamse uitgever Microbe. De drie delen bevatten naast het verhaal ook veel aardige achtergrondinformatie. Patrick Rambaud vertelt achterin deel 1 in historische aantekeningen hoe zijn roman, naar een nooit uitgewerkt idee van Honoré de Balzac (1799-1850), tot stand kwam. Hij schotelt ons een literatuurlijst voor en een overzichtje met de leeftijd van historische personages in 1809, het jaar van de Slag bij Aspern-Eßling. Zo komen we bijvoorbeeld te weten dat Napoleon in 1809 zijn veertigste verjaardag vierde, Charles Darwin op 12 februari geboren werd en Joseph Haydn 77 was.

De Slag
de drie delen van De Slag verschenen vorige jaar bij de Vlaamse uitgeverij Microbe die graphic novels van hoge kwaliteit uit het Frans en Engels naar het Nederlands laat vertalen en uitgeeft.

Voor de meeste mensen staat de Slag bij Aspern-Eßling zelfs niet in de schaduw van de veldslagen bij Austerlitz of Waterloo, maar is deze veldslag in de Vijfde Coalitieoorlog op 21-22 mei 1809 geheel onbekend. Maar iedereen met een bovengemiddelde kennis van Napoleon en zijn tijd, zal beslist van deze grote veldslag bij Wenen gehoord hebben. Het was een keerpunt in de Napoleontische oorlogen. Niet alleen omdat het de eerste veldslag was die Napoleon verloor. (Aan de Slag bij Bailén in 1808 nam hij zelf geen deel). Het was ook de eerste vernietigingsoorlog. Dat werd zes weken later nog eens bevestigd met de Slag bij Wagram op 5-6 juli 1809. De Fransen hadden hierbij een batterij van 112 kanonnen ingezet. Voor het eerst in de geschiedenis werd duidelijk dat de artillerie de cavalerie overvleugeld had. Het zou nog decennia duren voordat dit door zou dringen, maar de twee verschrikkelijke slachtingen bij Aspern-Eßling en Wagram zouden de oorlogsvoering voorgoed veranderen.

Le JeuneDe hoofdpersoon in de roman (en in de graphic novel) is Louis-François Lejeune (1775-1848), een historische figuur. Hij had een indrukwekkende staat van verdienste. Al in 1792 nam hij als 17-jarige deel aan de kanonade van Valmy. In 1800 vocht hij onder Napoleon bij Marengo waar hij bevorderd werd tot kapitein en vijf jaar later werd hij nog eens bevorderd na zijn deelname aan de Slag bij Austerliz. Tijdens het Beleg van Zaragossa (1808-1809) werd hij kolonel. In deze rang zou hij deelnemen aan de Slag bij Aspern-Eßling.

Het verhaal opent op 16 mei 1809 met een bezoek van kolonel Louis-François Lejeune aan generaal André Masséna (1758-1817). Masséna is op dat moment druk bezig om voor zichzelf een Oostenrijks paleis leeg te laten roven. Napoleon zou in zijn memoires van Sint-Héléna opmerken: Masséna a bien volé. Lejeune is verbindingsofficier en brengt Masséna het nieuws dat Napoleon wil dat er een 800 meter lange brug over de Donau wordt gebouwd. Het is de opmaat voor de veldslag van vijf dagen later.

Le JeuneVoor een verhaallijn die zich buiten het slagveld afspeelt, in het centrum van Wenen, gebruikt Rambaud een andere historische figuur: Henri Beyle, die na 1830 bekend zou worden onder de naam Stendhal. Beyle werkt in 1809 als administrateur bij het leger, maar in zijn hart is hij romanschrijver. “Een roman is een spiegel die men langs een weg laat glijden. Soms weerspiegelt het de azuurblauwe lucht. soms de modder uit de poelen in de weg”, noteert hij in zijn dagboek terwijl vijftien kilometer verderop de duizenden gewonden liggen te kreperen. Voor de inwoners van Wenen blijft de oorlog een abstractie, al horen ze in het centrum van de stad het kanongebulder en proberen ze vanaf de kades aan de rechter (zuidelijke) oever van de Donau met toneelkijkers het schouwspel gade te slaan. Maar meer dan een voorstelling wordt het niet. Eigenlijk ook niet zo vreemd, want de militaire uniformen uit die tijd wekken buiten het slagveld de indruk dat oorlog een vorm van theater is.

Maar meer dan een toneelvoorstelling wordt de oorlog voor de inwoners in Wenen niet. Eigenlijk ook niet zo vreemd, want de militaire uniformen uit die tijd wekken buiten het slagveld de indruk dat oorlog een vorm van theater is.

Naast deze twee historische figuren, die niet toevallig allebei kunstenaar zijn (Lejeune was een getalenteerd schilder en introduceerde in Frankrijk de lithografie die hij tijdens de campagne in Beieren bij Louis Senefelder (1771-1834) had leren kennen), introduceert Rambaud twee fictieve personages: de cynische en gewelddadige kurassier Fayolle en Anna Krauss, het Oostenrijkse liefje van Lejeune. In de roman zullen deze personages veel meer reliëf krijgen dan in de graphic novel, maar gezien de beperkingen van een beeldverhaal (150 pagina’s met voornamelijk beeld) is dat ook niet zo vreemd. Scenarist Frédéric Richaud maakte een bewerking die vooral het filmische karakter van de roman goed overbrengt.

Matho Tonga

De klassieker Matho Tonga (1948-1954) van Hans Georg Kresse
verscheen opnieuw in stripweekblad PEP (1 t/m 29) van 1970

Matho TongaAf en toe blader ik weer eens door de PEP’s uit de jaren zeventig. Het jeugdsentiment ben ik dan meestal ver voorbij. PEP is een schatkamer van Nederlandse stripmakers. Een van de nog levende meesters Dick Matena (Den Haag, 1943) tekende al vanaf 1968 voor PEP. Eerst De Argonautjes (1968-1973) en Ridder Roodhart (1969-1971) naar scenario’s van Lo Hartog van Banda. Tussen 1971 en 1975 tekende en schreef hij de strip Grote Pyr. Na 1970 werd PEP uitgebreid van 32 naar 48 pagina’s en verschenen nog meer strips van Nederlandse makelij. Hans G. Kresse (1921-1992) tekende vanaf 1966 voor PEP. In 1970 verscheen zijn klassieker Matho Tonga – de laatste der Mandan’s met nieuwe belettering opnieuw in PEP.

Kresse tekende verschillende verhalen van Matho Tonga. Het derde verhaal, het geheim van dr. Dorian, verscheen in Nederland in 1955 in Jaargang 58 van De Wereldkroniek.

Matho Tonga
plaatje uit Matho Tonga (pagina 59)

Het aantrekkelijke van Matho Tongha is dat deze strip niet ingekleurd is. Het fenomenale tekenwerk komt zo veel beter tot zijn recht. In 1970 zou Hans G. Kresse starten met zijn indianenstrips. PEP publiceert daarvan de eerste verhalen: De wraak van Minimic [#36 1970], Mangas Coloradas – Woestijn van wraak [#43 1971 t/m #9 1972] en Wetamo – De heks van Pocasset [#40 1972 t/m #8 40 1973]. Deze strips zijn wel ingekleurd waardoor het tekenwerk lang niet meer zo mooi uitkomt.

Matho Tonga
laatste pagina van Matho Tonga in PEP
Matho Tonga
plaatje uit Matho Tonga (pagina 59)
Matho Tonga
In 1977 verscheen bij Uitgeverij Oberon een fraai album in zwart-wit van Matho Tonga – de laatste der Mandan’s. Daarna verscheen nog het tweede deel De strijd in de Zwarte Bergen

Matho Tonga [ depepsite.nl ] | Matho Tonga [ vlaamsstripcentrum.be ]

vivre libre ou mourir

gelezen: Cette histoire qui a fait l’Alsace tome 9
Allons, enfants… (de 1792 à 1815)

histoire l'alsaceDe meeste boeken over de Franse Revolutie in het Nederlandse taalgebied concentreren zich op Parijs. De Zonnekoning had van Frankrijk de meest gecentraliseerde staat van Europa gemaakt waarbij hijzelf in het middelpunt stond. Het revolutionaire Frankrijk centraliseerde nog verder, de oude regio’s werden vervangen door departementen, er werd een agressieve taalpolitiek in de regio gevoerd en Parijs werd nog meer het administratieve centrum dan het al was. Toch is Frankrijk veel meer dan Parijs. Neem de Elzas, een gebied dat Lodewijk XIV in 1681 op het Duitse Rijk veroverde en wat cultuur betreft (nog altijd!) veel beter aansluit bij de Rijnlandse dan bij de Franse cultuur.

Toen de Franse Revolutie op 14 juli 1789 en definitief op 10 augustus 1792 doorbrak, hoorde de Elzas ruim honderd jaar bij Frankrijk. Maar de bevolking sprak hoofdzakelijk nog een Duits dialect en de gebruiken waren voornamelijk Duits. De Straatsburgse vrouwen droegen bijvoorbeeld een Schneppenhauben, een verzilverde of vergulde kam in het haar. In oktober 1793 toen de Jakobijnen in de Elzas een anti-Duitse koers gingen volgen, moesten alle vrouwen deze inleveren omdat het als nationalistisch symbool werd gezien. De onderstaande (anonieme) prent werd door tekenaar Francis Keller gebruikt voor de omslag van het educatieve stripboek.

Schneppenhauben
Les Strasbourgeoises déposent leurs bonnets d’or et d’argent, “les Schneppenhauben”, comme dons patriotiques.[credits: Musée Carnavalet, Histoire de Paris]

Het is interessant te lezen hoe de Revolutie in de Elzas verliep. De Elzas is altijd een grensgebied geweest met een uitwisseling tussen de Duitse en Franse cultuur. Het was overwegend katholiek maar na de Reformatie waren er ook protestante enclaves ontstaan, bijvoorbeeld binnen de zogenaamde Tienstedenbond (décapolis), tien vrije rijkssteden die van 1354 tot 1648 deel uitmaakten van het heilige Duitse Roomse Rijk. Kort na het uitbreken van de Revolutie vluchtten veel ci-devants (aristocraten) de Rijn over naar Duitsland waar ze zich voorlopig vestigden in de hoop dat de Franse Revolutie een mislukt project zou blijken. De Duitstalige bevolking van de Elzas werd vanaf de linker Rijnoever (Baaden) gevoed met politieke (royalistische!) geschriften om een contrarevolutie te ontketenen. vanuit Parijs werd dit keihard bestreden, want het vaderland heette nu eenmaal “één en ondeelbaar”.

Van de Franse Revolutie in de Elzas kunnen we leren wat de veerkracht van de regio en de traditie kan zijn.

In 1793 werd de guillotine ook in de Elzas geïntroduceerd. De Duitse Franciscaan en hoogleraar Euloge Schneider werd in Straatsburg openbaar aanklager en hij is een van de vele voorbeelden van de revolutionair die anderen naar het schavot verwees maar tenslotte ook zélf “gekopt” werd. Op 25 maart was er in Molsheim een royalistische opstand waarbij luidkeels “vive le roi” werd geroepen. De leiders van deze opstand werden terechtgesteld; het was de eerste keer dat in de Elzas de guillotine gebruikt werd. Het grootseminarie van Straatsburg werd in het voorjaar van 1793 tot gevangenis omgebouwd. Toen op 17 september 1793 in heel Frankrijk de Loi des Suspects werd doorgevoerd, konden gevangenen zonder proces tot de guillotine veroordeeld worden. De terreur, en dus de guillotine, zou daarna op volle toeren gaan draaien.

Op 12 september 1793 gaat het revolutionaire Frankrijk aan de Rijn in de aanval. Kehl (aan de overkant van Straatsburg) en Breisach worden allebei onder vuur genomen omdat daar Oostenrijkse troepen liggen. Ook al wordt Breisach in as gelegd, de Oostenrijkers worden niet verdreven. De Oostenrijkse veldmaarschalk Würmser valt via Wissembourg in het Noorden de Elzas binnen en rukt op naar de hoofdstad Straatsburg. De revolutionairen zijn zich bewust van de vijfde colonne die zich op dat moment nog binnen de stadsmuren bevinden en kondigen een ultimatum af op 15 november. Alle ci-devants (lees: royalisten) moeten onmiddellijk de stad verlaten.

De revolutionairen weten het tij te keren. Dan radicaliseert het. Net als de Notre Dame in Parijs wordt de kathedraal van Straatsburg omgedoopt tot de tempel van de Rede. Religieuze beelden en schilderijen worden vernietigd tijdens een jakobijnse beeldenstorm. Ook in Colmar wordt veel christelijk erfgoed kapotgemaakt. De Revolutie toont zijn meest intolerante gezicht: vivre libre ou mourir. In Hitzbach wordt een Mariabeeld rood-wit-blauw opgeschilderd en mag daarom blijven staan. In december 1793 worden straatnamen omgedoopt. De Rue Saint Louis heet voortaan Rue Guillotine en de Quai Saint Nicolas is nu de Quai de Bonnet Rouge .

Tempel van de Rede
Monument élevé à la Nature dans le Temple de la Raison à Strasbourg la 3.me décade de Brumaire l’an 2 de la République

De Franse Revolutie houdt de huidige tijd een spiegel voor. Ook nu zijn er weer krachten werkzaam die straatnamen willen veranderen en die tolerantie en diversiteit prediken, maar in werkelijkheid intolerant zijn en uniformiteit eisen. Van de Franse Revolutie in de Elzas kunnen we leren wat de veerkracht van de regio en de traditie kan zijn.

En 23 ans se succèdent la République révolutionnaire, le Directoire, le Consulat, le Premier Empire, la Première Restauration, les Cent-Jours et le début de la Seconde Restauration ! Chaque changement politique apporte son cortège de revirements, d’épurations et de remaniements. L’Alsace où, à l’époque, très peu de gens savent le français, est pour cette raison souvent suspecte aux autorités parisiennes, surtout après la Grande Fuite de 1793. Pourtant, les départements du Rhin ne sont pas en reste sur les autres pour ce qui est du civisme ! Beaucoup d’alsaciens figurent parmi les généraux de la République et de l’Empire. L’épopée napoléonienne marquera durablement les esprits.
Bron: babelio.com

de wolven van Wyoming

gelezen: Comanche van Hermann en Greg: De wolven van Wyoming (1974)
en De hemel is rood boven Laramie (1975)

In het begin van de jaren zeventig ben ik opgegroeid met het stripweekblad PEP (por Dios, wat een blad!). Daarin stond de westernstrip Blueberry van het duo Charlier (scenario) en Giraud (tekeningen). Volgers van deze blog kennen mijn bewondering voor het werk van de Franse tekenaar Jean Giraud (Moebius). Tussen 2009 en 2013 schreef ik een reeks artikelen over Blueberry. Charlier overleed in 1988 en Giraud in 2012.

Eind 1972 maakte ik als negenjarige kennis met Blueberry door het verhaal Generaal Geelkop. Maar ik was nog te jong voor de rauw realistische cowboyverhalen van Charlier en Giraud. Toen ik een jaar of zestien was, was ik rijp geworden voor Blueberry. Dat geldt ook voor die andere westernstrip uit PEP: Comanche. Deze verscheen voor het eerst in 1974 in een zwart-wit bijlage van PEP. Ik heb ze allemaal bewaard, maar pas na veertig jaar ben ik ze werkelijk gaan lezen. Afgelopen week las ik De wolven van Wyoming een verhaal dat in het voorjaar van 1975 in PEP stond (zie onder).

comanche in PEP 1975
PEP #11 en #26 uit 1975 met Comanche op de cover

Hermann is een meesterlijk tekenaar. Ik plaatste zijn werk altijd onder dat van Giraud, maar dat is niet terecht. Hermann tekent in een filmische stijl en wisselt schijnbaar moeiteloos van perspectief. Op het ene plaatje plaatst hij “de camera” op de grond, een andere keer laat hij “de camera” in de lucht hangen. Het is ongelooflijk knap hoe alles vanuit zijn verbeelding perspectivisch klopt. Hermann heeft een zeldzame gave hiervoor. Bovendien heeft hij een groot gevoel voor compositie. Kleinere plaatjes worden afgewisseld met grotere afbeeldingen met de kwaliteit van landschapsschilderijen.

Net als zijn collega Charlier schakelt scenarist Greg verhalen aan elkaar. De wolven van Wyoming en De hemel is rood boven Laramie vormen een tweeluik. Greg schrijft goed. Zowel plot als dialogen staan op hoog niveau. Het is jammer dat de strip Comanche niet de plaats krijgt die het verdient: gewoon naast Kuifje en wat mij betreft dus wereldberoemd. Hermann Huppen is een van de laatste levende legendes van het beeldverhaal en hoopt in juli tachtig jaar te worden.

comanche
De wolven van Wyoming
en De hemel is rood boven Laramie
De wolven van Wyoming
Rond het middaguur wordt een postkoets overvallen door bandieten, de gebroeders Dobbs. Aan boord bevinden zich een prediker en een kluis met daarin het geld van de bond van veefokkers. Nadat de mannen van de “Triple-six” ranch tussenbeide zijn gekomen, legt de koetsier uit dat hij als lokaas voor de bandieten diende. Het geld wordt namelijk vervoerd door de sheriff van Greenstone Falls, een beruchte dronkelap. Comanche begrijpt de ernst van de situatie en besluit Pharaon Colorado te begeleiden, maar daarvoor moeten eerst de gebroeders Dobbs worden gevonden …

Comanche – Hermann en Greg
Red Dust (1972)
Wanhoop en dood op de prairie (1974)
De wolven van Wyoming (1974)
De hemel is rood boven Laramie (1975)
Nacht over de woestijn (1976)
De opstand (1976)
Duivelsvinger (1977)
De sheriffs (1980)
En de duivel brulde van vreugde (1981)
Het lijk van Algernon Brown (1983)

Les loups du Wyoming | Le ciel est rouge sur Laramie

Hermann

gelezen in Jeremiah van de Belgische striptekenaar Hermann

In 1973 maakte ik via het stripblad PEP kennis met het werk van twee meesters in het genre van de westernstripverhaal: De Franse tekenaar Giraud en zijn Belgische collega Hermann. Generaal Geelkop van Blueberry, Verschroeide aarde van Bernard Prince en Comanche waren de eerste verhalen die ik als tienjarige begon te lezen. Later ging ik alle verhalen van Blueberry verzamelen. Er staan zo’n dertig albums in de kast. Vorige maand kocht ik in één keer de serie Jeremiah van Hermann, inmiddels ook al zo’n dertig albums.

Hermann Huppen
still uit de video Hermann at work

Giraud en Hermann tekenen beiden in een realistische stijl met heel veel lijntjes. De lijnvoering van Giraud is steviger en dynamischer. Hermann tekent standaard met het puntje van zijn penseel. Sinds de jaren negentig heeft zijn werk een belangrijke stijlverandering ondergaan. Doordat hij met aquarel alles rechtstreeks inkleurt met een nadruk op volume en belichting, zijn de plaatjes eigenlijk stuk voor stuk schilderijtjes. Dat paart hij aan zijn zeldzame talent voor filmische standpunten.

Hermann behoort tot de oude meesters van het beeldverhaal en hoopt volgend jaar zijn 80e verjaardag te vieren.

hermannhuppen.com

de lucht van 40 jaar geleden

stripbladen van 40 jaar geleden

In mijn jeugd bestonden computergames nog niet. Strips waren toen nog populair onder jongeren. In het voorjaar van 1977 werd ik veertien en las drie stripbladen per week: Eppo, Robbedoes en Kuifje. Ik heb mijn strips allemaal bewaard en keek er laatst weer eens in. Het is ook een aardig zelfonderzoek. Van welke strips hield ik toen en wat zeggen die mij nu? Ik snuif de lucht van oud papier op maar weet dat het verleden niet zo ruikt. In de lente van 1977 rook het vooral naar de fris gewassen kleren van mijn buurmeisje.

Eppo, Robbedoes en Kuifje
Eppo 15, Robbedoes 2035 en Kuifje 15 van 1977