Categorie archief: Duitsland

Spengler’s onheilsprofetie

gisteren gekocht: De ondergang van het avondland (1918-1922)

Samen met Johan Huizinga en Jose Ortega y Gasset wordt Oswald Spengler gezien als een van de grondleggers van het cultuurpessimisme. Hun namen zijn vastgeklonken aan het interbellum (1919-1939). Deze interval tussen de twee wereldoorlogen was een periode van gespannen vrede tijdens de Urkatastrophe des 20. Jahrhunderts (1914-1945). Der Untergang des Abendlandes is ongetwijfeld het eerste boek waar we aan denken wanneer we over cultuurpessimisme komen te spreken. Oswald Spengler schreef het eerste deel vlak voor de Eerste Wereldoorlog, maar kon het pas in december 1918 laten verschijnen. Het tweede deel verscheen vier jaar later, toen Duitsland volledig onderuit lag. Uitgeverij Boom gaf vorig jaar een fraai uitgevoerde jubileumeditie uit in twee banden. Deze uitgave wordt begeleid door een website.

De ondergang van het avondland
De Nederlandse vertaling in een jubileumuitgave in een fraaie art deco vormgeving.

oikofobieDe zelfhaat van het avondland
Soms lijkt het dat rechts een monopolie op cultuurpessimisme heeft. Hedendaagse cultuurpessimisten als Theodore Dalrymple en Roger Scruton schrijven vanuit een conservatief en rechts georiënteerd standpunt vanwaaruit ze het al te rooskleurige maakbaarheidsideaal van de links-progressieve politiek bekritiseren. Zo wordt het begrip oikofobie (gemunt door Roger Scruton) uitgewerkt door Thierry Baudet in zijn boek Oikofobie. De angst voor het eigene. De huidige polarisatie wordt gemarkeerd door sleutelwoorden. Progressief-links verwijt zijn tegenstanders xenofobie terwijl vanuit de conservatieve hoek progressief-links oikofobie verweten wordt. Joseph Ratzinger (later paus Benedictus XVI) is er nog explicieter in en sprak over de zelfhaat van het avondland.

De meest gehoorde kritiek op cultuurpessimisten is dat het zwartkijkers zouden zijn die te weinig oog hebben voor positieve ontwikkelingen en vooral voor het positieve in de mens. Zo reageerde Beatrice de Graaf onlangs op het boek De meeste mensen deugen van Rutger Bregmans: ‘Cynici en zwartkijkers kunnen inpakken. Een heerlijk boek voor iedereen die echt realistisch wil zijn.’ Realistisch willen zijn, daar gaat het dus om. Is het glas half vol of half leeg? De realist probeert een middenpositie in te nemen, maar zal steeds weer tot de ontdekking komen dat aan zorgvuldige beschouwingen en afwegingen een optimistische of pessimistische levenshouding ten grondslag ligt.

Overigens is cultuurpessimisme van alle tijden. Dat beschavingen opkomen, blinken en verzinken was al lang voor Spengler bekend. In het laatste kwart van de achttiende eeuw publiceerde Edward Gibbons zijn monumentale The History of the Decline and Fall of the Roman Empire over het verval en de ondergang van het Romeinse Rijk. Door hun hegemonie in de wereld begonnen de Victorianen in de negentiende eeuw zich te identificeren met de romeinen. Daarnaast leefde ook sterk het besef van vergankelijkheid. Een schilder als John Martin (1789-1854) oogstte veel succes met zijn apocalyptische landschappen, een soort vanitas landschapsschilderkunst.

The course of the empire
Thomas Cole The Course of the Empire, 1833-1836

Ook de Amerikaanse schilder Thomas Cole (1801-1848) wilde zijn tijdgenoten herinneren aan de vergankelijkheid en schilderde tussen 1833-1836 een serie van vijf schilderijen die hij The Course of the Empire noemde. Hij schilderde de opkomst, bloei en ondergang van een beschaving in vijf stadia om zijn Amerikaanse tijdgenoten te waarschuwen dat een trotse beschaving, net als het Romeinse Rijk, ooit ten onder zal gaan.

Wie was Oswald Spengler? [ leesspengler.nl ]

Donker, zwaar en vol

gekregen van Martina: Gründerzeit, Möbel und Zimmereinrichtungen
van F. Schwenke uit 1881 (facsimile uit 1985)

Ornament und verbrechenDit jaar is het honderd jaar geleden dat het Bauhaus werd opgericht. De principes van het Bauhaus zouden het gezicht van onze leefwereld in de twintigste eeuw fundamenteel veranderen. Deze principes waren formeel en braken met de historische oogopslag van de negentiende eeuw.

Het Bauhaus was niet uit de lucht komen vallen, maar na de Eerste Wereldoorlog ging het ineens hard met de verzakelijking in de grafische en industriële vormgeving en architectuur. De stroming die door het Bauhaus in gang gezet werd, kreeg in de jaren twintig haar naam: Neue Sachlichkeit. In het Engels werd deze stroming bekend onder verschillende namen: New Objectivity, New Matter-of-factness, New Resignation, New Sobriety en New Dispassion. In Nederland werd het letterlijk uit het Duits vertaald: Nieuwe Zakelijkheid. Het gaat hier dus om een zakelijke, sobere, objectiverende, afstandelijke stijl.

De breuk met het verleden werd in 1919 versterkt door de afloop van de Eerste Wereldoorlog. Men wilde afrekenen met de oude wereld en dat gold zeker in Duitsland. Het Duitse Keizerrijk (1871-1918) werd door de overwinnaars, maar ook door de socialisten en communisten in de Weimarrepubliek (1918-1933), gezien als de aanstichter van de Grote Oorlog. De laatste keizer Wilhelm II ging in ballingschap en het keizerrijk werd bij het grofvuil gezet. Alles dat herinnerde aan het opgeblazen nationalisme uit de zogenaamde Gründerzeit en Jahrhundertwende werd afgedankt.

Gründerzeit, Möbel und ZimmereinrichtungenWanneer je wilt weten wat voor spullen dat precies waren, kun je bijvoorbeeld Huis Doorn bezoeken. Wilhelm II liet in 1920 namelijk zestig treinwagons vol met spullen uit zijn paleizen in Berlijn en Potsdam naar Doorn komen.

Maar je kunt ook bladeren in Gründerzeit, Möbel und Zimmereinrichtungen (uitgegeven in twee delen in 1882 en 1884). Het is typisch een product uit de Victoriaanse tijd (Keizer Wilhelm II was overigens het oudste kleinkind van koningin Victoria van Engeland) met grote en perfect uitgevoerde staalgravures van meubelstukken. In het tweede deel uit 1884 staan zelfs enkele foto’s afgedrukt in halftoonraster, een Amerikaanse uitvinding die in 1881 door Frederic Ives in Philadelphia gepatenteerd was. Wanneer je de zware, volle en donkere Wilhelminische interieurs in Gründerzeit, Möbel und Zimmereinrichtungen langs je heen ziet gaan, begin je te begrijpen waarom het Bauhaus dit allemaal op de schroothoop van de geschiedenis heeft gegooid en waarom we het nu liever licht en ruim houden in ons interieur.

Meubel
Veel meubels uit de periode van het historisme zijn neo-renaissancistisch en doen denken aan de gevels van Italiaanse kerken, waarbij architectonische elementen in hout zijn uitgevoerd.

De lelijke tijd
Bijna 25 jaar geleden was in het Rijksmuseum de tentoonstelling De lelijke tijd – pronkstukken van Nederlandse interieurkunst 1835-1895 te zien.

het genot een ‘ik’ te zijn

gelezen: hoofdstuk 8 (Berlijn 1811) uit Arthur Schopenhauer –
de woelige jaren van de filosofie
van Rüdiger Safranski (1988)

Arthur Schopenhauer - 
de woelige jaren van de filosofieIn de zomer van 1811 stapt Arthur Schopenhauer over van de Georg-August-Universität in Göttingen naar de Humboldt Universität in Berlijn. Zijn motivatie is simpel: aan deze in het jaar daarvoor gestichte universiteit doceert de beroemde filosoof Johann Gottlieb Fichte. Voor Safranski weer een goede reden om een ‘filosofisch toneel‘ in zijn biografie in te bouwen.

In een terugblik beschrijft Safranski wat er in de jaren negentig van de achttiende eeuw had plaatsgevonden. Fichte was zo onder indruk van de filosofie van Immanuel Kant gekomen dat hij besloot om de beroemde filosoof in 1791 in Königsberg op te zoeken. Kant heeft het echter zo druk met het ontvangen van bezoek van heinde en verre dat Fichte niet binnenkomt. Om toch de aandacht van Kant te krijgen, schrijft hij een essay om zichzelf bij de meester aan te bevelen: Versuch einer Kritik aller Offenbarung. Het werkt. Kant is zeer onder de indruk en laat het anoniem in Königsberg publiceren. Daarna wordt het in heel Duitsland besproken en als tenslotte uitkomt wie het geschreven heeft, is Johann Gottlieb Fichte de nieuwe rijzende ster aan het firmament van de Duitse filosofie.

Humboldtuniversiteit Berlin
De Humboldt Universität in Berlijn waar Schopenhauer van 1811 tot 1812 studeert.

Vanuit zijn bewondering en kritiek op Kant ontwikkelt Fichte zijn eigen filosofie van het Ich. Safranski vat dat prachtig samen. Zeker niet alles wat Safranski over Fichte schrijft, is makkelijk te begrijpen, maar als je het begrijpt, dan klopt het ook helemaal. Bijvoorbeeld: “Het ‘ik’ is iets dat wij pas in het denken voortbrengen en tegelijkertijd is die voortbrengende kracht de onvoorstelbare ik-heid in onszelf. Het denkende en het gedachte ‘ik’ zijn opgesloten in een vicieuze cirkel van activisme.”

Het ‘ik’ is iets dat wij pas in het denken voortbrengen en tegelijkertijd is die voortbrengende kracht de onvoorstelbare ik-heid in onszelf. Het denkende en het gedachte ‘ik’ zijn opgesloten in een vicieuze cirkel van activisme.

Twee bladzijden verder schrijft Safranski in zijn ‘filosofisch toneel’: “Ik ben het ‘Ding an Sich’ – het zichtbare geheim van de wereld. Dit inzicht was voor Fichte die verblindende ‘bliksem’ die zijn filosoferen bleef verhitten. Die ‘bliksem’ was afkomstig uit de geladen geestelijke sfeer van het verlangen naar emancipatie, een sfeer die tot hier was doorgedrongen vanuit de Franse Revolutie. En de invloed van Fichte vloeide niet voort uit moeilijke deducties die zeer weinig mensen begrepen, maar uit datgene waaruit meteen munt geslagen kon worden voor de wisselkoers van het tot dusver ongekende genot een ‘ik’ te zijn.”

FichteDe kern van de filosofie van Johann Gottlieb Fichte (1762-1814) wordt gevormd door zijn opvatting over de (menselijke) geest, het Ik. Volgens hem is de héle werkelijkheid hieruit te verklaren. Hiermee sluit hij niet aan bij Kant, die een dualisme aannam tussen de werkelijkheid zoals zij zich aan het “ik” voordoet en de onkenbare realiteit zoals zij werkelijk is. Fichte legt duidelijk de nadruk op de geest; zijn filosofie is een vorm van zuiver Idealisme en hijzelf daarmee een van de prominente vertegenwoordigers van het zogenaamde Duits Idealisme. Fichte ziet de individuele menselijke geest als een onderdeel van dat wat alles omvat, Het Absolute; hier in de vorm van het ‘absolute Ik’. Dit ‘absolute Ik’ is over alle bewustzijnen verdeeld. De diepste aard van alles wat bestaat is het goddelijke, absolute Ik. Daarachter kan men niet verder teruggaan, want het Ik “schept” of fundeert zichzelf. Het Ik schept niet alleen zichzelf, maar ook de natuur en de kosmos. Dit laatste noemt Fichte het ‘niet-Ik’, dat echter niet zelfstandig kan bestaan maar alleen in dialectische tegenstelling mét het Ik en in de ervaring als object dóór het Ik. Anders dan het Ik heeft het dus geen absolute maar slechts een relatieve werkelijkheid. Dit wordt door Fichte niet als een hypothese gezien maar als een noodzakelijke waarheid. (Bron: nl.wikipedia.org)

woelige jaren van de filosofie

gelezen: hoofdstuk 7 (1809-1811) uit Arthur Schopenhauer –
de woelige jaren van de filosofie
van Rüdiger Safranski (1988)

Arthur Schopenhauer – de woelige jaren van de filosofie was de tweede biografie die Rüdiger Safranski in 1988 schreef, nadat hij vier jaar eerder zijn eerste biografie had geschreven over E.T.A Hoffmann (1776-1822). Safranski voelt zich in de tijd rond 1800 als een vis in het water. Na zijn biografieën over Hoffmann en Schopenhauer verschenen een prachtige studie over de Duitse Romantiek en biografieën over Schiller en Goethe. Safranski mogen we internationaal rekenen tot een van de Grote Begrijpers van de zogenaamde Goethezeit, de periode 1770-1830.

Georg-August-Universität
De Georg-August-Universität in Göttingen waar Arthur Schopenhauer tussen 1809 en 1811 o.a. de filosofie van Immanuel Kant bestudeerde

Arthur Schopenhauer studierte von 1809 bis 1811 in Göttingen und besuchte vor allem historische und naturgeschichtliche Lehrveranstaltungen. Einer seiner wichtigsten Lehrer war dabei Johann Friedrich Blumenbach, der damals berühmteste Göttinger Naturforscher. Schopenhauer setzte die in Göttingen begonnenen naturwissenschaftlichen Studien auch nach der Entscheidung für eine Laufbahn als Philosoph und dem Wechsel an die neugegründete Universität in Berlin fort. Sein Interesse und seine Kenntnisse auf dem Gebiet der Naturwissenschaften und insbesondere der Physiologie sind ein wichtiger Schlüssel zum Verständnis seiner Philosophie.(Bron: univerlag.uni-goettingen.de)

Arthur Schopenhauer - de woelige jaren van de filosofieArthur Schopenhauer – de woelige jaren van de filosofie is een magistraal boek dat het uit eerbied verdient om nog eens herlezen te worden. Ik zit alweer een paar weken tot aan mijn oren in ‘de woelige jaren van de filosofie‘, bij mijn weten een term die door Safranski zelf gemunt is. Hij bedoelt hiermee de jaren 1781-1818, een iets ruimere interval dan het zo bekende tijdvak 1789-1815. De jaartallen die de woelige jaren van de filosofie begrenzen, vallen samen met het verschijnen van de Kritik der reinen Vernunft van Imanuel Kant in 1781 en Die Welt als Wille und Vorstellung van Arthur Schopenhauer in 1818. De periode daartussen was voor de filosofie net zo stormachtig als de Franse Revolutie (1789-1799) en de Napoleontische tijd (1800-1815).

Wat was er gebeurd? Dit zou een zin van Safranski kunnen zijn. Daarna zou een zogenaamd ‘filosofisch toneel‘ volgen, een intermezzo dat Safranski’s biografieën voor mij zo bijzonder maakt. Elke biograaf zal een decor willen schetsen voor het leven van een bepaalde persoon dat hij wil beschrijven. Dat is vaak een tijdsbeeld of een geografische beschrijving. Maar het kan ook gaan om een geestelijk klimaat. Dat laatste is als decor waarschijnlijk het lastigste om te beschrijven. Maar Safranski is hier een meester in. Hij heeft het zeldzame vermogen om het ingewikkelde samen te vatten, zonder dat dit afbreuk doet aan diepte en complexiteit. Ieder die zich waagt aan het samenvatten van filosofie voor een breed publiek, bijvoorbeeld in een historisch overzicht, weet hoe zwaar het is een bevredigend evenwicht te vinden tussen toegankelijkheid/helderheid en complexiteit. Safranski heeft ook nog eens literair talent, waardoor hij schitterend proza aflevert.

Het ‘Ding an Sich’ was net een gat waardoor een verontrustende tocht binnenstroomde.

Een paar voorbeelden: “Het is alsof de onttroonde oude metafysica, eenmaal verdreven uit de onbegrensde ruimten van de kosmos, alle resterende kracht heeft vergaard en de geseculariseerde subjecten op het gemoed heeft gewerkt, waar ze danig rammelt en knelt.” Dit schrijft hij met betrekking tot de Categorische Imperatief, het centrale begrip uit de Kritik der praktischen Vernunft (1888). En met betrekking het centrale begrip uit de Kritik der reinen Vernunft (1781), het Ding an Sich, schrijft hij: “Kant liet ons een goed ingericht huis van rationele kennis na, maar het ‘Ding an Sich’ was net een gat waardoor een verontrustende tocht binnenstroomde.”

Het is precies deze ‘tocht’ die in het westerse denken een storm zou veroorzaken. Deze zou het Duitse idealisme van Fichte en Schelling, het optimisme van Hegel maar ook het pessimisme van Schopenhauer voortbrengen. We mogen daarom gerust spreken van ‘de woelige jaren van de filosofie’.

Berlin 1926

zondagavond gezien op ZDF: Terra-X Ein Tag in Berlin 1926

De tv-serie Babylon Berlin maakt in Duitsland veel los. Verwonderlijk is dat niet want deze Weimar Krimi bundelt twee Duitse obsessies: de misdaadfilm en de opkomst van het nationaalsocialisme. De serie die in 2018 door de betaalzender Sky 1 werd uitgezonden en in januari op de ARD werd herhaald, trekt in zijn kielzog verschillende documentaires met zich mee. Duitsers hebben nu eenmaal veel interesse voor hun nationale identiteit en het brandpunt ligt vaak op de Eerste Republiek (1919-1933) beter bekend als de Weimar Republiek. Hoe heeft het allemaal zo ver kunnen komen?

In Duitse documentaires zijn de jaren twintig al bijna net zo uitgemolken als de periode 1933-1945. Toch belicht Babylon Berlin (gebaseerd op de romancyclus van Volker Kutscher over inspecteur Gereon Rath) een nieuw aspect van de jaren twintig: de ontwikkeling van de organisatie van de recherche en sporenonderzoek. Een belangrijke vernieuwer was de legendarische hoofdinspecteur Ernst Gennat (1880-1839). In het boek Der Nasse Fisch (Schaduw over Berlijn) is hij de hoogste baas van hoofdpersoon Gereon Rath.

Alexanderplatz 1908
De Alexanderplatz in 1908 met in het midden het Polizeipräsidium (der Roten Burg). In 1929 ligt de ‘Alex’ op de schop en zal aan het begin van de jaren dertig een hypermodern aanzien krijgen.

Zondag was bij ZDF in Terra-X de documentaire Ein Tag Im Leben des Kriminalkommissars Fritz Kiehl te zien. Anders dan in de ARD documentaire 1929 – Das Jahr Babylon werd de koppeling met de serie Babylon Berlin niet gemaakt. Waarschijnlijk heeft dat te maken met het feit dat de ARD een van de coproducenten van Babylon Berlin is en de ZDF zich niet met de serie verbonden heeft. De vele overeenkomsten tussen documentaire en tv-serie berusten beslist niet op toeval. Het jaar 1929 werd “een dag in 1926″ en de jonge inspecteur Gereon Rath werd Kriminalkommissar Fritz Kiehl. Het decor blijft ongewijzigd: Spree Chicago, der Roten Burg (Polizeipräsidium am Alexanderplatz), en Ernst Gennat. Ook wordt de titel van Kutscher’s bestseller Der Nasse Fisch verklaard. Dat was een uitdrukking van Gennat waarmee hij een onopgeloste zaak bedoelde. Overigens stond Gennat bekend om zijn ongekend hoge percentage van zaken die wel opgelost werden.

Der Spiegel | Tatort Berlin [ tagesspiegel.de ]

Boek & Film [ 1 ]

eindelijk uit: Schaduw over Berlijn (2008) van Volker Kutscher
in januari gezien: Babylon Berlin (2017)

Schaduw over BerlijnIn de eerste twee weken van januari herhaalde de ARD op de late avond de zestien episodes uit de eerste serie van Babylon Berlin (2017), een Krimi die zich afspeelt in Berlijn in mei 1929. Wanneer je een verfilmd boek leest nadat je de film al gezien hebt, worden de personages in het boek onvermijdelijk ingevuld door de acteurs uit de film. Bij Gereon Rath, Bruno Wolter en Charlotte Ritter zag ik tijdens het lezen dus de gezichten van Volker Bruch, Peter Kurth en Liv Lisa Fries. Ook herinnerde ik mij tal van scenes uit de film. Maar vooral de verschillen tussen het boek en het scenario kwamen aan het licht.

Regisseur Tom Tykwer bewerkte samen met Henk Handloegten en Achim von Borries de thriller van Volker Kutscher. Voor deze duurste Duitstalige tv-serie uit de geschiedenis moest het boek stevig omgewerkt worden. Er zijn teveel verschillen tussen boek en scenario om op te noemen. Het belangrijkste verschil is dat Charlotte Ritter samen met Gereon Rath in de film de hoofdrol speelt. In het boek is Gereon Rath op afstand de hoofdpersonage en speelt Charlotte Ritter een veel kleinere rol.

Babylon BerlinDe personage van gravin Svetlana Sorokina duikt pas op de laatste bladzijden van het boek op, terwijl ze in de tv-serie in elke episode te zien is. Dat Charlotte Ritter en Svetlana Sorokina in het verhaal zo naar voren geplaatst zijn, was ongetwijfeld een van de eisen van de filmproducent. Als je een tv-serie van veertig miljoen produceert, wil je uiteraard ook de vrouwelijke kijker kunnen bereiken. Een derde vrouw die tenslotte in de tv-serie een grote rol krijgt dan in het boek, is Elisabeth Behnke, de hospita van Gereon Rath.

Wat de plot betreft, wil ik hier niet in details treden, maar de ontknoping in het boek is totaal anders dan die in de film. Hoewel de ondergang van de slechterik in het boek al behoorlijk Wagneriaans is, heeft men er in de film toch nog een schepje bovenop gedaan met een actiescene a la James Bond. De drie scenaristen hebben nog een aantal verhaallijnen door de tv-serie geweven die niet in het boek zitten. En de achtergrond van Gereon in zijn geboortestad Keulen, die in het boek soms aangestipt wordt, is verder uitgesponnen. De film opent perspectieven op zijn katholieke geloof en zijn loopgraafervaringen tijdens de Eerste Wereldoorlog. Ook maken we kennis met zijn schoonzuster en zijn neefje en op het laatst ook met zijn dood gewaande broer Anno.

Alexanderplatz 1929
‘Der Alex’ (Alexanderplatz) in 1929
Warenhuis Tietz wordt in het boek een paar keer genoemd. De finale van het boek speelt zich af op het legendarische dakterras van de gloednieuwe Karstadt aan de Hermannplatz.

Boek en film moeten op eigen kwaliteiten beoordeeld worden. Ik begrijp de teleurstelling van sommigen die eerst de thriller gelezen hebben en daarna pas de tv-serie zagen. De scenaristen hebben voor de productie veel concessies moeten doen waardoor de film een zeer vrije bewerking van het boek is geworden. Omdat er voor iedere aflevering een cliffhanger moest komen, heeft de plot een heel ander ritme gekregen. Veel is toegevoegd en vaak is dat gedaan vanuit commercieel oogpunt. Het oorspronkelijke verhaal is echt iets anders dan de film. Volker Kutscher schrijft in de stijl van de hard boiled en Gereon Rath is soms een Duitse Sam Spade of Philip Marlowe. Preciezer gezegd: een Keulenaar in Berlijn met de hoed van Philip Marlowe op. Het film noir aspect uit het boek heeft Tom Tykwer uiteraard dankbaar uitgebuit.

Duitsers zijn gek op Krimi’s. Elke avond worden er op de verschillende Duitse zenders meerdere uitgezonden en het totaal aantal Duitstalige Krimi’s is meer dan vijftig series. Er zijn komische Krimi’s, regionale Krimi’s, vakantie Krimi’s en er is zelfs een Amsterdam Krimi (met Fedja van Huet). Babylon Berlin voegt aan al deze series weer een nieuw element toe: de brisante politieke situatie in Berlijn vlak voor de Beurskrach van 1929 en de nationaalsocialistische dreiging. Twee Duitse obsessies worden zo gebundeld.

Der nasse Fisch. Gereon Raths erster Fall [de.wikipedia.org]

Orlacs Hände, Veidts Antlitz

gezien: Orlacs Hände (1924) van Robert Wiene

Orlacs HändeDe Duitse filmpionier Robert Wiene is vooral bekend van de expressionistische film Das Cabinet des Dr. Caligari uit 1920. Maar dit was niet zijn enige klassieker. Ook Orlacs Hände (1924) is een een verfilmd griezelverhaal en schitterend voorbeeld van (laat)expressionisme op het witte doek. De film is gebaseerd op de roman Les mains d’Orlac (1920) van Maurice Renard.

De hoofdrol wordt gespeeld door filmlegende Conrad Veidt (1893-1943), die in Das Cabinet des Dr. Caligari bekend geworden was in de rol van Cesare. In de jaren veertig zou hij zijn filmcarrière in de Verenigde Staten beëindigen met o.a. Casablanca (1942) en het Technicolorwonder The Thief of Bagdad (1940). Wat mij betreft is Veidt de koning van het Duitse expressionisme in de cinema. Wanneer Gloria Swanson in Sunset Boulevard (1950) uitroept We had faces then, dan denk ik eerst aan Cesare en Orlac. Met zijn fabelachtige mimiek, geaccentueerde ogen en mond was Conrad Veidt een tovenaar van de gezichtsuitdrukking. Alleen met digitale morphing nog te overtreffen.

Conrad Veidt
Conrad Veidt als Orlac, de koning van het Duitse expressionisme in de cinema
Wanneer Gloria Swanson in Sunset Boulevard uitroept ‘We had faces then!’ dan denk ik eerst aan Cesare en Orlac.
Nur knapp überlebt der berühmte Konzertpianist Paul Orlac ein schweres Zugunglück. Eine Notoperation rettet sein Leben, doch nicht seine Hände. Orlacs Frau fleht den Arzt an, eine Lösung zu finden, bedeuten dem Virtuosen diese Hände doch „mehr als sein Leben“. So transplantiert man Orlac die Hände eines kürzlich Verstorbenen – eines Mannes namens Vasseur, der als Mörder für eine grausame Tat hingerichtet wurde. Operation und Heilung verlaufen reibungslos. Doch als Orlac erfährt, dass er die Hände eines Verbrechers trägt, wird er von der quälenden Vorstellung heimgesucht, unter Vasseurs unheilvollem Einfluss zu stehen.
 
Bron: arte.tv

Orlacs Hände [ imdb.com ]