Categorie archief: boeken

De salon van 1879 [ 3 ]

gelezen in Écrits sur l’art van Joris-Karl Huysmans
L’Art moderne (1883), Certains (1889) en Trois Primitifs (1905)

HuysmansDeze reeks over de salon van 1879 wordt afgesloten met zes schilders: Edouard Manet, Pierre Auguste Renoir, Pascal Dagnan-Bouveret, Jules Bastien-Lepage, Jean-François Raffaëlli en Pierre Puvis de Chavannes. In zijn verslag maakt Joris-Karl Huysmans er geen geheim van dat hij een hekel heeft aan het werk van de salonschilders. Net als Diderot ruim honderd jaar vóór hem Boucher zag als dé vertegenwoordiger van de slechte smaak (Cet homme a tout, excepté la vérité), zo was Bouguereau voor Huysmans het levende bewijs van zielloze schilderkunst. “Ni muscles, ni nerfs, ni sang.”, oordeelt hij over zijn Venus, een van de pronkstukken van de salon van 1879.

Huysmans voelt zich wel thuis bij schilders als Degas, Manet en Renoir, die tijdens de officiële salon van 1879 vertegenwoordigd zijn. Hij deelt dus de moderne smaak die de onze is geworden. Nog steeds wordt onze visie bepaald door de tegenstelling salonschilders vs. impressionisten. De salonschilders zijn dan door kunstcritici zoals Huysmans al voorzien van labels van afkeuring: gekunsteld, kitsch, fake, glossy, enz… terwijl de impressionisten hun stempel van goedkeuring hebben.

Ooit was dat precies omgekeerd en viel de impressionisten een vette R (van refusées) ten deel. De revolutie die de impressionisten ontketenden had grote gevolgen voor de schilderkunst. In de loop van de twintigste eeuw zou de academische schilderkunst neerbuigend worden behandeld. Over de weergaloze techniek van Cabanel, Gérôme of Bouguereau werd helemaal niet meer gesproken, over het schandaal des te meer. De media gingen een allesoverheersende rol spelen in ons oordeel over kunst.

Manet
Edouard Manet 1879
Dans la serre (Nationalgalerie Berlin)

Op de salon van 1879 hing een schilderij van Edouard Manet dat een van zijn bekendste werken zou worden. Ik zag het voor het eerst in 1985 in de Nationalgalerie in Berlijn, waar het een van de highlights is. Manet was in 1879 al een beroemdheid. Op de salon van 1863 had hij op de Salon des Refusées een schandaal veroorzaakt met zijn Déjeuner sur l’herbe. Hij werd de hoop van een groep jonge schilders die later de impressionisten zouden gaan heten en die zich enorm aangesproken voelden door de directheid en frisheid van zijn werk. Ook Huysmans is geraakt door de frisheid van Manet: “C’est là une oeuvre moderne très attirante, une lutte entreprise et gagnée contre le poncif appris de la lumière solaire, jamais observée sur la nature.”

Renoir
Pierre Auguste Renoir 1879
Madame Georges Charpentier en haar dochtertjes
(Metropolitan Museum New York)

Ook Pierre Auguste Renoir was in 1879 met een schilderij vertegenwoordigd in de Salon. Zijn grote portret van Mme Georges Charpentier en haar dochtertjes hangt nu in het Metropolitan Museum in New York. “En somme, c’est l’oeuvre d’un artiste qui a du talent et qui, bien que figurant au salon officiel, est un indépendant”, besluit Huysmans. Renoir was als impressionist een onafhankelijke, maar voor verkoop deed hij gewoon mee met de officiële Salon (voor veel van zijn vrienden de vijand!) In 1881 zou hij tegenover de kunsthandelaar Paul Durand-Ruel bekennen: “In heel Parijs zijn er misschien vijftien kunstliefhebbers in staat een schilder te waarderen zonder de Salon. Maar er zijn er 80.000 die niets willen kopen van een schilder die niet op de Salon tentoongesteld heeft. Dat is waarom ik mijn portretten elk jaar stuur. Mijn bijdrage aan de Salon is volledig vanuit commercieel oogpunt. Het is net als met sommige medicijnen: baat het niet, dan schaadt het niet.”

Dagnan-Bouveret
Pascal Dagnan-Bouveret 1879
Une noce chez un photographe

Het schilderij van Pascal Dagnan-Bouveret is een eigentijds tafereel: een bruidegom en zijn bruid laten zich fotograferen bij de plaatselijke fotograaf. De familie is meegekomen, want in 1879 was een fotografie nog iets bijzonders en de fotograaf nog een soort tovenaar. Het schilderij lijkt in zijn alledaagsheid zelf wel een kiekje, maar Huysmans merkt terecht op dat het slecht geschilderd is: “J’avoue tout d’abord que c’est médiocrement peint.”

Bastien-Lepage
Jules Bastien-Lepage 1879
Portret van Sarah Bernhardt

Het portret van de actrice Sarah Bernardt door Jules Bastien-Lepage kan Huysmans niet echt bekoren: “M. Bastien-Lepage, dont le portrait de Mlle Bernhardt semble peint à la loupe et exécuté à petites lèches sur une plaque d’ivoire, ne ferait pas mal de regarder l’oeuvre de M. Fantin-Latour.”

Raffaëlli
Jean-François Raffaëlli 1879
Voddenman

Bovenstaande aquarelle-gouache van Jean-François Raffaëlli spreekt Huysmans erg aan. “Voilà donc enfin une oeuvre qui est vraiment belle et vraiment grande!” We weten uit een interview dat Jules Huret in 1890 met J-K.Huysmans had, dat hij in zijn werkkamer een aquarel van Raffaëlli aan de muur had hangen. Na zijn kennismaking tijdens salon van 1879 met bovenstaande Chiffonnier van Raffaëlli is hij mogelijk zijn werk gaan verzamelen of is hij met deze kunstenaar bevriend geraakt.

Puvis de Chavannes
Pierre Puvis de Chavannes 1879
Drie meisjes aan het strand

Tenslotte een werk van Pierre Puvis de Chavannes. Huysmans zou in de jaren tachtig veelal geassocieerd worden met het symbolisme waarvan Puvis de Chavannes een vertegenwoordiger was. Voor Gustave Moreau en Odillon Redon zou Huysmans meer waardering hebben, maar hij geeft toe dat Puvis de Chavannes talent heeft:“ça agace, comme d’habitude, avec ses prétentions à la naïveté et son affectation du simple; et cependant, si incomplet qu’il puisse être, ce peintre-là a du talent.”

Tot zover dit drieluik over de Salon van 1879. Een volgende keer de Salon van 1880, waar Huysmans ook verslag van deed. Deze verslagen werden in 1883 gebundeld in l’Art Moderne.

de Salon van 1879 | Huysmans [ nl.wikipedia.org ]

De Salon van 1879 [ 2 ]

gelezen in Écrits sur l’art van Joris-Karl Huysmans
L’Art moderne (1883), Certains (1889) en Trois Primitifs (1905)

HuysmansJoris-Karl Huysmans had nog maar twee romans (Le Drageoir aux épices, Marthe) geschreven toen hij in 1879 verslag deed van de Salon de Paris. In zijn kunstkritieken, die in 1883 gebundeld werden in l’Art Moderne, kiest hij hartstochtelijk voor de modernen (de impressionisten en symbolisten) en keert hij zich af van de zogenaamde ‘salonschilders’, schilders die zich conformeerden aan de officiële smaak waarvan de Salon de Paris de uitdrukking was. De bijtende toon waarmee hij zijn afkeur uitspreekt, doet mij denken aan die van zijn latere alter ego Des Esseintes in zijn roman A Rebours (1884). Huysmans kon zijn walging met passie en vuur uitbraken.

In deze eerste rondgang door de Salon van 1789 zes schilders. Ze komen geen van allen in de canon van Janson voor: Ernest Duez, Léon Bonnat, Jean Béraud, Eva Gonzalez en Jules Lefebvre. William Adolphe Bouguereau is de enige schilder in het rijtje die bij breder publiek bekend is, maar voor Huysmans staat hij juist voor alles wat hij afwijst. De kunstcriticus was goed geïnformeerd. Hij kende meestal wel de beknopte bio van de betreffende schilder en wist in ieder geval door wie deze was opgeleid. Meestal brachten salonschilders weer nieuwe salonschilders voort. Bij Huysmans bemerk je een groot verlangen om uit dat salonsysteem te ontsnappen. Niet voor niets waren de impressionisten en de symbolisten zijn helden.

Duez
Ernest Duez 1879
De heilige Cuthbert (middenpaneel van een drieluik)

Het bovenstaande schilderij van Ernest Duez laat op het middenpaneel een episode uit het leven van de heilige Cuthbert zien. Huysmans merkt op dat deze schilder altijd hedendaagse voorstellingen had geschilderd, maar dat hij nu eens het religieuze genre heeft uitgeprobeerd. Hij zou daarvoor naar Gent en Brugge zijn gereisd om Van Eyck en Memling te bestuderen. Huysmans betreurt dat en besluit met: “Passons donc sur cet anachronisme sans doute motivé par un désir de médaille ou de commande; mais, de grâce ! que M. Duez revienne bien vite aux jolies parisiennes dont il a parfois rendu les élégances!”

Leon Bonnat
Léon Bonnat 1879
portret van Victor Hugo

Toen Léon Bonnat in 1879 dit portret schilderde, was Victor Hugo 77 jaar oud. Het is duidelijk bedoeld als een officieel portret van een gigant (Hugo zou in 1885 onder groot eerbetoon bijgezet worden in het Panthéon). We zien hem hier drie jaar nadat Ettiene Carjat de bekende foto van hem maakte met zijn handen op de knieën. De pose waarin Bonnat zijn model heeft geplaatst, is allesbehalve zo informeel als de foto uit 1876. Huysmans schrijft: “La pose elle-même est banale ; le coude appuyé sur un volume d’Homère donne une idée de l’esprit du peintre.”

Béraud
Jean Béraud 1879
De Hallen in Parijs

Met zijn impressie van De Hallen laat Jean Béraud een eigentijds straatgezicht zien. Het is geen impressionistisch schilderij dat plein air geschilderd is maar een atelierstuk. Huysmans lijkt dat te betreuren en is geen liefhebber van dit schilderij: “j’apprécie peu, oh ! très peu, sa Vue des Halles”.

Gonzalez
Eva Gonzalez 1879
Une logo aux Italiens

Dan komen we bij een schilderij van Eva Gonzalez en we denken onmiddellijk: Manet! Dat is natuurlijk ook niet vreemd want Gonzalez was een leerling van Manet en is dicht bij de stijl van haar leermeester gebleven. Het boeket links lijkt gejat uit de handen van de zwarte bediende van Olympia. Huysmans is opgetogen over het schilderij, al staat de donkere tint van de achtergrond hem tegen: “Cette toile, dérivé des Manet, a une certaine saveur amère et rêche qui nous console des écoeurantes sucreries auxquelles nous venons de goûter. C’est, en somme, une oeuvre qui, malgré sa teinte déplaisante, possède une belle tournure.”

Lefebvre
Jules Lefebvre 1879
Diana en nimfen

Het is niet verrassend dat Huysmans het schilderij van Jules Lefebvre afkeurt. Zijn voorstelling van Diane is representatief voor de smaak van de Salon. Al was het Tweede Keizerrijk in 1879 alweer 9 jaar ter ziele, de smaak van Napoleon III was niet van de ene op de andere dag verdwenen. “Comme peinture creuse et vide, ce n’est pas inférieur à du Bouguereau.” oordeelt de criticus.

Bouguereau
William Adolphe Bouguereau 1879
De geboorte van Venus

Bij la Naissance de Venus van William Adolphe Bouguereau kan Huysmans losbarsten: “De concert avec M. Cabanel, il a inventé la peinture gazeuse, la pièce soufflée. Ce n’est même plus de la porcelaine, c’est du léché flasque.” Dit is het toppunt van salonschilderkunst en dus valse schijn. Huysmans heeft totaal geen oog meer voor de fabelachtige techniek van Bouguereau. het enige wat hij ziet is nep, nep en nog eens nep. Het lichaam van Venus doet hem denken aan een opgeblazen ballon. “Ni muscles, ni nerfs, ni sang.” Huysmans lijkt zijn afkeer te overdrijven en beweegt met zijn kritiek zelfs in de richting van razernij wanneer hij schrijft: “C’est à hurler de rage quand on songe que ce peintre qui, dans la hiérarchie du médiocre, est maître, est chef d’école, et que cette école, si l’on n’y prend garde, deviendra tout simplement la négation la plus absolue de l’art!”

In het derde en laatste deel tenslotte nog zes schilders: Edouard Manet, Pierre Auguste Renoir, Pascal Dagnan-Bouveret, Jules Bastien-Lepage, Jean-François Raffaëlli en Pierre Puvis de Chavannes.

de Salon van 1879 | Huysmans [ nl.wikipedia.org ]

De Salon van 1879 [ 1 ]

gelezen in Écrits sur l’art van Joris-Karl Huysmans
L’Art moderne (1883), Certains (1889) en Trois Primitifs (1905)

Een van de aangename aspecten van de verleden tijd is voor mij de overzichtelijkheid. Het verleden lijkt tot stilstand gekomen en blijft onbeweeglijk voor mij liggen zodat ik het kan onderzoeken. Het ordenen en archiveren hebben anderen al voor mij gedaan. Daarbij is bijna alles onder de oppervlakte verdwenen en “vergeten”. Slechts een deel van de ontelbare namen uit het verleden is boven komen drijven, de rest is weggezakt in vergetelheid. De tijd heeft de bekende namen van de naamlozen geschift.

Toen ik in de jaren tachtig op de kunstacademie zat, gebruikten we bij kunstgeschiedenis A History of Art uit 1962 van H.W.Janson als naslagwerk. Dit boek presenteert een canon, een selectie van kunst en kunstenaars uit het verleden die in 1962 relevant of representatief werden gevonden voor historische periodes. De reikwijdte van mijn historische kennis en mijn visie op schilderkunst zijn in die jaren sterk door de canon van Janson bepaald. Toen Janson in 1962 zijn overzicht publiceerde, heerste er nog een utopisch modernisme dat werd gezien als het eindpunt van een lineaire historische ontwikkeling. Een specifieke groep schilders uit de negentiende eeuw werd door Janson vooral gezien als wegbereider van de moderne kunst. Doordat hij door de bril van het modernisme naar het verleden keek, werden de kunstenaars uit de negentiende eeuw vooral beoordeeld op hun vernieuwende kwaliteiten.

Janson 1962
mijn Nederlandstalige uitgave van A History of Art van H.W. Janson kocht ik in 1986
Toen Janson in 1962 zijn overzicht publiceerde, heerste er nog een utopisch modernisme dat werd gezien als het eindpunt van een lineaire historische ontwikkeling.

Zo kwam er een scheiding tussen salonkunst en moderne kunst, waarbij de salonkunst gezien werd als de gevestigde orde die door een avant garde omvergeworpen moest worden. De impressionisten waren (en zijn nog altijd) helden vanuit de opvatting dat moderne schilderkunst nieuwe visies moet openbaren. Van het impressionisme werd het spoor tot in de eerste helft van de negentiende eeuw terug gevolgd. Turner, Corot en Jongkind zouden wegbereiders zijn geweest van een revolutie in de schilderkunst. En vanuit dat impressionisme werden lijnen doorgetrokken tot in de eerste decennia van de twintigste eeuw. Het expressionisme en tenslotte ook de abstracte schilderkunst zouden uit het impressionisme zijn voortgekomen.

Het internet heeft de laatste twintig jaar mijn uitzicht (en daarmee inzicht) op de historische schilderkunst enorm vergroot. Ik ontdekte tientallen schilders die in de canon van Janson ontbreken. En ik ontdekte hoe het werkt: laat een gezaghebbend instituut een selectie van namen maken, zodat dit merknamen worden en laat deze vervolgens door de industrie eindeloos rouleren: in kunstboeken, op reproducties, boekenleggers, placemats, kussenslopen, koffiemokken, enz… Het vermarkten van kunst is al zo oud als de kunst zelf, maar wat nieuw is in de moderne tijd, is de technische reproduceerbaarheid van het kunstwerk. In onze massacultuur is het kunstwerk een onderdeel van de massacultuur geworden.

Dan is het aardig om eens terug te gaan naar de jaren waarin het impressionisme, het zaadje van de moderne kunst, ontkiemde: de jaren zeventig van de negentiende eeuw. De gevestigde kunst hield vanaf 1834 (behalve 1858 en 1871) jaarlijks zijn feestje: de Salon de Paris. Wilde je als kunstenaar carrière maken, dan was de Salon de Paris dé plek waar je moest exposeren. Aanvankelijk was de selectie streng maar na de revolutie van 1848 was er een liberaler beleid en werden er minder kunstenaars geweigerd. Geweigerde kunstwerken werden gemerkt met een stempel met de letter R (van refusé). Wanneer een werk geweigerd was, was het voor een kunstenaar bijna onmogelijk om nog elders te exposeren. Om aan deze kunstenaars tegemoet te komen, werd in 1863 de Salon des Refusées in het leven geroepen. Daar vierden de impressionisten vanaf 1874 hun eigen feestje en werden ze wegbereiders van de moderne schilderkunst.

Huysmans - Écrits sur l'artDe Franse schrijver Joris-Karl Huysmans (1848-1907) was begin dertig toen hij zijn kritieken schreef over de Salons van 1879, 1880 en 1881. Deze werden in 1883 gebundeld onder de naam l’art moderne. Ook zijn verslaggeving van de Exposition des Indépendants van 1880 en 1881 (vanaf 1884 de Salon des Indépendants) is in Écrits sur l’art opgenomen. Zijn kritieken verschenen tussen 1879 en 1881 in le Voltaire, la Réforme en la Revue littéraire et artistique.

Voor de Salon van 1879 werden 5.895 kunstwerken ingezonden. De Salon was ook ‘s avonds geopend, dankzij de elektrische verlichting (voor de eerste maal). Huysmans doet in tien paragrafen verslag van deze tentoonstelling. Hij kwam zelf uit een familie van kunstschilders en was daardoor geïnteresseerd in schilderkunst. Als schrijver zou hij in 1884 doorbreken met zijn roman A Rebours dat een belangrijke betekenis zou krijgen voor de symbolisten en het l’art pour l’art aan het einde van de negentiende eeuw.

Huysmans a publié trois ouvrages de critique d’art : L’Art moderne (1883), Certains (1889) et Trois Primitifs (1905), composés à partir d’articles parus dans la presse. Après s’être essayé, dans L’Art moderne, au compte rendu de la visite des salons officiels et des expositions impressionnistes, il propose, dans Certains, l’inventaire de ses goûts personnels, en s’attachant à l’étude de peintres – Pierre Puvis de Chavannes, Gustave Moreau, Odilon Redon, Félicien Rops… – et de thèmes particuliers : ‘ Le fer ‘, ‘ Le monstre ‘, etc. Dans Trois Primitifs, enfin, il s’attarde sur des artistes jusque-là négligés : constitué d’une monographie de Mathias Grünewald et du récit de la visite de l’Institut Staedel de Francfort, ce texte apparaît comme un retour sur l’origine même de son intérêt pour les arts plastiques. Souvent ironiques et pleins de verve – ‘ Il peint à la bile, comme d’autres à la gouache, à l’encaustique ou au pastel ‘, écrivait Charles Maurras -, ces écrits présentent un double intérêt : outre qu’on y découvre les peintres de prédilection de Huysmans, de Degas à Caillebotte, en passant par Renoir, Monet et Hokusai, ils éclairent aussi, par ricochet, les romans de l’auteur et la fonction singulière qu’y assument les œuvres d’art.

In de volgende afleveringen wil ik samen met Huysmans gaan kijken naar een aantal schilderijen die op de salon van 1879 te zien waren. Een paar namen (Manet, Renoir, Puvis de Chavannes) zijn gecanoniseerd, de anderen zijn (tamelijk) onbekend.

de Salon van 1879