Categorie archief: 18e eeuw

Lichtheid

Gekregen van René: Barocke Welt – Barockkunst in Schwaben und Altbayern
Van Peter Sustermeier 1966

Barocke WeltNa de vernietigende Dertigjarige Oorlog (1618-1648) kwam er in het Duitse cultuurgebied (Duitsland werd pas 150 jaar geleden een eenheidsstaat) een periode van rust waarin het land weer helemaal moest worden opgebouwd. Dit duurde 40 jaar tot de Negenjarige Oorlog (1688-1697). Vier jaar later brak alweer een volgende oorlog met Frankrijk uit, de Spaanse Successieoorlog (1701-1713). Deze werd beëindigd met de Vrede van Utrecht (1713) en voor het Duitse cultuurgebied met de Vrede van Rastatt.

Het jaar 1713 markeert een nieuw begin voor Europa en in de Duitstalige landen breekt er een ware bouwwoede los. Bekende barokke bouwwerken in Duitsland uit deze periode zijn het Zwinger in Dresden (1710-1728), Schloss Bruchsal (1720-1736) en de residentie van Würzburg (1720-1744)

De barok gaat in deze periode een transformatie door en wordt in twee opzichten lichter: lichter van kleur en lichter van gewicht. We zijn deze vernieuwde barok later rococo gaan noemen, afgeleid van het woord “rocaille” waarmee de schelpachtige motieven die deze stijl ontwikkeld heeft, worden aangeduid. Barok en rococo lopen rond 1720 in elkaar over. Dit heeft mogelijk te maken met het optimisme na de Vrede van Utrecht en Rastatt. De godsdienstoorlogen zijn voorbij en er breekt eindelijk een periode van stabiliteit aan.

Wieskirche 2016
Wieskirche detail interieur
[foto genomen in juli 2016]

De barok is de visuele uitdrukking van de Contrareformatie. De Rooms-Katholieke Kerk had tijdens het Concilie van Trente (1545-1563) gezocht naar een antwoord op de Reformatie. Met een Contrarefomatie moesten de verloren schapen voor het katholicisme worden teruggewonnen. Men besloot de Rooms-Katholieke Kerk visueel aantrekkelijker te maken.

De kunstenaars werden in feite ingezet als de creatives van de reclamejongens van de Contrareformatie. Zo vonden de kunstenaars de barok uit: Caravaggio (1571-1610) in de schilderkunst, Bernini (1598-1680) in de beeldhouwkunst en Borromini (1599-1667) in de bouwkunst. Het is geen verrassing dat Rome, het centrum van de Rooms-Katholieke Kerk, de wieg van de barok werd.

De kunstenaars werden in feite ingezet als de creatives van de reclamejongens van de Contrareformatie. Zo vonden de kunstenaars de barok uit: Caravaggio in de schilderkunst, Bernini in de beeldhouwkunst en Borromini in de bouwkunst.

Barok wil de gelovigen direct raken. Niet via leerstellingen maar rechtstreeks via de zintuigen. Alle registers worden daarbij opengetrokken om de gelovigen “kippenvel” te bezorgen. Caravaggio schilderde 3D-schilderijen, een soort kijkkasten eigenlijk met daarin heiligen van vlees en bloed. Bernini liet het marmer ademen en soms kreunen. Borromini brak de ruimte open en maakte de antieke Renaissancevormen “vloeibaar”. En dat allemaal met het doel om de beschouwer in het hart te treffen en in extase te brengen, zoals Bernini’s engel de heilige Theresia met een pijl in het hart raakt. De gewijde ruimte van het kerkinterieur wordt nu een “belevingsgebied” gericht op de persoonlijke religieuze ervaring van de beschouwer.

De barok werd dé artistieke uitdrukkingsvorm van de zeventiende eeuw. Zelfs in protestantse gebieden, zoals de Republiek, streek de barok neer. Calvinisten hielden zich met hun afkeer van het uiterlijke, uiteraard verre van de Contrareformatie. Dat de invloed van Caravaggio doordrong tot in het katholieke Utrecht was natuurlijk geen wonder. Maar ook Rembrandt in Amsterdam stond sterk onder zijn invloed en wordt gerekend tot de barok.

Wieskirche 2016
Wieskirche detail interieur
[foto genomen in juli 2016]

In de eerste helft van de achttiende eeuw transformeert de barok dus naar het rococo. Deze uiterlijke verandering komt echter nog steeds voort uit de oorsprong van de barok: de gelovige rechtstreeks raken via de zintuigen en daarbij alle registers open zetten. Vanaf 1720 wordt alles lichter en beweeglijker. Die beweeglijkheid wordt veroorzaakt doordat de symmetrie van barok 1.0 wordt losgelaten. Daardoor gaan ornamenten zich vrijer bewegen.

Uit de cartouches en bladmotieven ontwikkelt zich het rocaille. Een nieuwe ornamentele vormentaal ontstaat, die enigszins doet denken aan een onderwaterwereld. Het rocaille lijkt te leven en zich als anemonen aan pilaren en lijstwerk gehecht te hebben. Door de lichtheid en beweeglijkheid neemt de ervaring van vrijheid toe. Dat moet ook wel, want in de achttiende eeuw krijgt de Rooms-Katholieke Kerk na de Reformatie opnieuw tegenstand te verwerken: de Verlichting.

Wieskirche 2016
Wieskirche detail interieur
[foto genomen in juli 2016]

Hoe geef je de gelovige een gevoel van vrijheid binnen de kerk? Door hem het gevoel te geven dat hij zweeft! Meer nog dan de barok probeert het rococo de beschouwer op te tillen. De pilaren worden ranker en witter en stuwen de blik omhoog. Het plafond wordt opengebroken door een vergezicht op de Hemel, zodat de gelovige letterlijk “uit zijn dak” kan gaan. De Olympus wordt het christendom binnengehaald, maar de Griekse goden op hun berg worden nu vervangen door christelijke heiligen op de wolken.

Volgens G.K. Chesterton (1874-1936) hebben heiligen niet alleen het vermogen tot lijfelijke opheffing (levitation) maar ook het vermogen tot lichtheid (levity). De Kerk weet in haar kunstuitingen volgens hem instinctief dat engelen kunnen vliegen omdat ze niet zwaar aan zichzelf tillen.
“Angels can fly because they can take themselves lightly” – Orthodoxy, 1908)

Ze kijken daarbij niet neer op de stervelingen, maar richten hun blik naar boven. In het midden troont Christus, nu niet als een strenge Byzantijnse Pantokrator met Zijn Wetboek, maar als Triomfator in Zijn opstandingsgewaad. In veel rococo koepelfresco’s houdt Christus met één arm het Kruis vast. Dit om te benadrukken dat er geen Opstanding zonder Kruis is, geen verhoging zonder vernedering.

Met deze eenvoudige boodschap “Neem je Kruis op en volg Mij” (Matteus 6:24, Marcus 8:34, Lukas 9:23), wordt alle dogmatiek “overschreven”. De zwaarte van het eigen zondebesef lijkt als sneeuw voor de zon verdwenen. De gelovige hoeft niet meer in zijn eigen onderwereld te kijken, maar mag zich omhoog richten naar de “Zon der Gerechtigheid” die hem tot Zich roept.

Wieskirche 2016
Wieskirche detail interieur
[foto genomen in juli 2016]

Het is gemakkelijk om te schamperen over dit feel good christendom. Is dit niet gewoon een goedkope kermisattractie in plaats van een kerk? De ervaring die het interieur van een donker romaanse kerk geeft, is toch vele malen dieper en authentieker dan de ervaring van deze rococo kitsch?

Of is het allemaal toch weer een kwestie van smaak?

Als je je onbevangen aan de overdaad van het rococo kunt overgeven, geloof ik dat zelfs de grootste less-is-more-freak verrukt kan zijn over een rococojuweel als (het interieur van) de Wieskirche in Beieren. Hier is de smaak van het oneindige en de authentieke ervaring van lichtheid en speelsheid voor iedereen te vinden.

Wieskirche 2016
Wieskirche detail interieur
[foto genomen in juli 2016]

een boek om in te wonen

De esthetische Revolutie (2015) van Arnold Heumakers
Hoe Verlichting en Romantiek de kunst uitvonden

De esthetische revolutieSommige boeken lees ik niet alleen, in sommige boeken kan ik wonen. Anders dan in mijn fysieke woning blijken deze boeken steeds weer “kamers” te hebben die ik niet goed kende. Maar vooral ook “vensters” met nieuwe uitzichten. Een van die boeken is Romantiek een Duitse Affaire van Rüdiger Safranski. Het is nog lang niet uitgewoond, al doen de beduimelde bladzijden en talloze onderstrepingen en aantekeningen in de marge anders vermoeden. Een ander boek waar mijn geest steeds weer zijn intrek in neemt, is De esthetische Revolutie van Arnold Heumakers. Weer een boek dat (voor een groot deel) over de (Duitse) Romantiek gaat.

Dat is natuurlijk geen toeval. Het tijdvak 1760-1830 (van de Zevenjarige Oorlog tot aan de Julirevolutie) is nu eenmaal de periode waarin mijn second life zich afspeelt. Niet omdat ik in die tijd had willen leven, maar omdat toen de grondtrekken van de moderniteit zich begonnen uit te tekenen. Door het geestelijke leven in de periode 1760-1830 kan ik een beter begrip van het heden opbouwen. Want waar moeten we de uitleg bij het heden anders vinden dan in het verleden?

Wanneer ik met één been in het verleden wil gaan staan, zijn er boeken die mij daar bij helpen. Historische biografieën bijvoorbeeld. Maar ik heb een voorkeur voor boeken die omvattend een periode in beeld brengen. Zo zijn Romantiek. Een Duitse Affaire en De esthetische revolutie echt mijn lijfboeken geworden. Safranski en Heumakers hebben beiden het talent om een enorme intellectuele reikwijdte te combineren met helder, maar ook mooi taalgebruik. Er zijn uiteraard ook grote verschillen. Zo schreef Safranski zijn boek over de romantiek voor een breed publiek, terwijl Heumakers’ boek een proefschrift is, zij het dan een atypisch proefschrift omdat het niet academisch geschreven is en qua omvang bijzonder ambitieus is.

Heumakers begint met het debat over esthetica in deel I (Op weg naar esthetische autonomie) aan het einde van de zeventiende eeuw in Frankrijk, de zogenaamde Querelle des Anciens et des Modernes (Perrault, Fontenelle, Boileau) en via het debat over de kunsten in Engeland (Shaftesbury, Addison, Young) en bij de Franse Philosophes (Voltaire, Rousseau, Diderot) in de eerste helft van de achttiende eeuw, belandt hij tenslotte in Duitsland rond 1760 (Lessing, Hamann, Kant). Daar wordt het moderne kunstbegrip geboren, waarover het in De esthetische revolutie voornamelijk gaat.

Anton Reiser 1786In deel II (De uitvinding van de autonomie van de kunst) is er veel aandacht voor Karl Philipp Moritz (1756-1793) die rond 1790 de autonomie van het kunstwerk naar voren plaatst. Een prachtige passage (Het leven esthetiseren blz. 142) gaat over Moritz’ roman Anton Reiser, de eerste psychologische roman in Duitsland, die tussen 1785 en 1790 in vier delen verscheen. Heumakers verwijst hier naar een ervaring die Anton Reiser heeft op een kerkhof. Hij kijkt eerst in de afgrondelijkheid van het bestaan (‘het enge, benauwde graf’) om kort daarop een doorbraak te beleven en zich ‘aan de vernietiging te ontworstelen‘. Op dezelfde intieme wijze als Safranski analyseert Heumakers deze passage: “Wat gebeurt hier precies?” en komt tot de voorzichtige conclusie (“je zou kunnen zeggen”) dat het leven zelf geësthetiseerd wordt, diepte- en hoogtepunt samen.

Zo komt Moritz met zijn romanfiguur Anton Reiser aan bij het wezen van het kunstwerk: “het esthetische beeld dat zich als het ware van het leven losmaakt om in het vervolg op afroep beschikbaar te zijn als bron van genot”. Heumakers verstaat net als Safranski de kunst om scherp te analyseren zonder daarbij kil te worden. Integendeel, hun analyses laten de innerlijke gloed in het hart juist verder opgloeien in plaats van dat louter het verstand bevredigd wordt. Laat deze “hemelvaart van de geest” nu precies het verlangen zijn dat in de (Duitse) romantiek zo krachtig tot uitdrukking komt.

Metafysische navelstreng [ W&V ]

mooie plaatjes voor aan de muur

Vijf arcadische landschappen (ca. 1780-1790) van Jurriaen Andriessen

In de de geschiedenis van de Nederlandse schilderkunst gaapte er in de twintigste eeuw een gat van bijna tweehonderd jaar. Tussen 1675 (het sterfjaar van Vermeer) en 1870 (het jaar dat de schilders van de Haagse School doorbraken) zijn er maar weinig Nederlandse schilders die in de belangstelling staan. In deze eeuw is dit gelukkig aan het veranderen.

Zo waren er in het afgelopen decennium tentoonstellingen te zien over de Nederlandse romantiek (Een romantische kijk – De collectie Jef Rademakers in het Gemeentemuseum Den Haag, 2011), de achttiende eeuw (Uit de plooi – de achttiende eeuw in beweging in het Valkhof Museum Nijmegen, 2013), de gebroeders Kruseman (Kruseman. Kunstbroeders uit de romantiek in Museum Jan Cunen in Oss, 2015), Godfried Schalken (Schalcken – Kunstenaar van het verleiden in het Dordrechts Museum, 2016) en Gerard de Lairesse (Eindelijk! De Lairrese in Rijksmuseum Twenthe, Enschede, 2016).

Een van de verklaringen voor dit hiaat in de Nederlandse schilderkunst tussen het einde van de zeventiende en het einde van de negentiende eeuw, ligt in de typische Nederlandse voorkeur voor het realisme. In de Hollandse schilderkunst van de zeventiende eeuw waarderen we vooral het realisme. En de schilders van de Haagse School waren de erfgenamen van dit realisme. Alles wat neigt naar idealisering en romantisering van de werkelijkheid, heeft in Nederland nooit zo goed gelegen. Het classicisme dat na 1675 in de mode kwam, was voor de Nederland te gepolijst en te Frans. Kortom on-Nederlands.

Toch is deze verklaring ook niet helemaal bevredigend. De geïdealiseerde wintertaferelen van Andreas Schelfhout met koek-en-zopie zijn door en door Hollands. En de landschappen van Albert Cuyp uit de Hollandse 17e eeuw zijn door en door Italiaans. En bovendien sterk geïdealiseerd.Het geïdealiseerde landschap staat haaks op het realistische Hollandse landschap, dat sinds het Ponteveer (1622) van Esaias van de Velde een uniek fenomeen is in de schilderkunst. En juist dat realisme heeft in Nederland altijd de voorkeur gehad. Daarom waren de plein air schilders van de School van Barbizon ook een voorbeeld voor Vincent van Gogh . Niet die van de romantische school, zoals Andreas Schelfhout. Die maakte mooie plaatjes en liet niet zien hoe de werkelijkheid er eigenlijk uitziet.

Mooie plaatjes maken kon men in de achttiende eeuw goed. Dat er zo veel vraag naar mooie plaatjes was, heeft alles te maken met de rijke opdrachtgevers die hun paleizen en fraaie woonhuizen decoreerden met arcadische landschappen. Landschapsschilderijen evolueerden in het galante tijdperk tot zogenaamde behangsels. Eigenlijk degradeerde de landschapsschilderkunst tot behang en de landschapsschilder werd decoratieschilder. Geen kunst met een grote K meer dus.

Andriessen behangsels
de opstelling in het Rijksmuseum Twenthe

In 2017 kocht de Vereniging Rembrandt vijf arcadische landschappen aan van Jurriaen Andriessen (1742-1819). Deze bevinden zich nu in het Rijksmuseum Twenthe waar ze zijn ondergebracht in een kabinet. Het is jammer dat de opstelling niet optimaal is. In de kleine ruimte staan een paar vitrines die het vrije zicht op de behangsels belemmeren.

Andriessen behangsels
Twee arcadische landschappen

Liever had ik gezien dat het museum de ruimte zo had ingericht, dat je je in een herenhuis uit de achttiende eeuw waant met vrij zicht op het werk van Andriessen. De beroemde cyclus The Progress of Love van Fragonard in The Fragonard Room in de Frick Collection in New York hebben wel de opstelling gekregen die ze verdienen. Waarom niet die van Jurriaen Andriessen, die wat mij betreft een hoogtepunt vormen van de behangsels in de Nederlandse schilderkunst van de achttiende eeuw.

Andriessen behangsels
Twee arcadische landschappen

Er zijn slechts enkele interieurs met ensembles van Jurriaen Andriessen overgebleven. In Museum Van Loon worden doeken tentoongesteld die oorspronkelijk uit Kasteel Drakensteyn komen. In de tuinkamer van Het Grachtenhuis is een ensemble te zien dat Andriessen in 1776 vervaardigde in opdracht van Gillis Alewijn.

Vijf arcadische landschappen [ verenigingrembrandt.nl ]

Vedute di Roma [ 5 ]

Charles Louis Clerisseau (1721-1820)

Lang voordat de eerste ansichtkaart verscheen, ergens in de jaren zeventig van de negentiende eeuw, bestonden er al prentjes voor toeristen. In Italië, het land waar het toerisme ontstaan is, konden kunstschilders vaak goed verdienen met het produceren van vedute, meestal stadsgezichten, maar soms ook landelijke taferelen. De eerste toeristen waren vaak rijke Engelsen die halverwege de achttiende eeuw hun Grand Tour door Italië maakten.

Canaletto (1697-1768) was misschien de beroemdste veduteschilder uit de achttiende eeuw. Een minder bekende veduteschilder uit de achttiende eeuw is Giovanni Paolo Pannini (1691-1765). En de bekendste vervaardiger van de ansichtkaart avant la lettre is Giovanni Battista Piranesi (1720-1778). Zijn etsen konden in oplagen verspreid worden en vonden zo ook hun weg naar Engeland, waar de Engelse toeristen bij thuiskomst van hun Grand Tour deze vedute lieten zien, als illustratie bij hun reisverhalen.

Terwijl Canaletto topografisch verantwoorde schilderijen produceerde, namen Pannini en Piranesi het niet zo nauw met de werkelijkheid. Daarom is het woord veduta (een topografisch betrouwbaar stadsgezicht of landschap) bij hen vaak niet van toepassing. Ze gebruikten daarom het woord capriccio. Deze onderscheidt zich van de veduta doordat het een fantasiestuk is. Een schilder van een capriccio kan helemaal los gaan in zijn fantasie, maar baseert zich wel op bestaande antieke bouwwerken. Hij kan de triomfboog van Septimus Sevrus groter maken of combineren met andere ruïnes die niet op het Forum Romanum staan.

Het capriccio bestond al in de zestiende en zeventiende eeuw. Vorig jaar liet ik werk zien van Marco Ricci (1676-1730) die aan het begin van de achttiende eeuw werkzaam was. Hij schilderde zijn capricci met gouache.

clerisseau
Charles Louis Clerisseau and the genesis of Neoclassicism

Afgelopen week ontdekte ik het werk van Charles Louis Clerisseau (1721-1820). Deze architect en schilder maakte voor Catharina II van Rusland een serie capricci die zich nu in het Hermitage bevinden. Evenals Ricci werkte Clerisseau graag met gouache. Omdat dekverf alleen het oppervlaktelicht weerkaatst, ziet het werk er direct en fris uit.

Vedute di Roma [ 1 ] | Vedute di Roma [ 2 ] | Vedute di Roma [ 3 ] | Vedute di Roma [ 4 ]

Tischbein

gezien op 17 december: Tischbein en de ontdekking van het gevoel
in het Rijksmuseum Twenthe – nog tot 19 januari 2020

catalogusHet Rijksmuseum Twenthe is in enkele jaren een van mijn favoriete musea voor schilderkunst geworden. Het museum verdient lof vanwege uitstekend verzorgde tentoonstellingen van schilders voor 1800. Precies drie jaar geleden zag ik Eindelijk, Lairesse! met een groots overzicht van deze schilder uit de late zeventiende eeuw. Door zijn classicistische glamour wordt er soms een beetje op hem neergekeken. Rembrandt ervaren we, als erfgenamen van Rousseau, als authentiek, maar de gepolijste schilderkunst in het laatste kwart van de zeventiende eeuw zijn we toch geneigd te beschouwen als kunstmatig en dus niet authentiek.

In het voorjaar van 2015 zag ik in het Rijksmuseum Twenthe Alexander Roslin. Portrettist van de aristocratie. Ook hier werd een schilder gepresenteerd die zich helemaal de gladde, Franse manier van schilderen had aangemeten. Alweer een schilder dus uit een periode in de schilderkunst die we vaak ten onrechte overslaan. Als een museum een tentoonstelling maakt over een schilder uit de achttiende eeuw, weet het al bij voorbaat dat het voor een select publiek is. Het is moedig dat het Rijksmuseum Twenthe telkens zijn neus durft uit te steken voor schilders uit de achttiende eeuw en vanwege mijn voorliefde voor de periode 1750-1850 heb ik veel waardering voor dit museum gekregen.

Op 17 december zag ik Tischbein en de ontdekking van het gevoel over de Hessische portretschilder Johann Friedrich August Tischbein (1750-1812). Tischbein liep vooruit op de romantiek. Je zou ook kunnen zeggen dat hij een van de eerste portretschilders was die onder invloed kwam van Jean-Jacques Rousseau. Zijn portretten tonen een groot verschil met die van de eerder genoemde Alexander Roslin (1718-1793). Roslin was van de generatie voor Tischbein en hoewel deze een tijdgenoot van Rousseau (1712-1778) was, zijn de opvattingen van Rousseau nooit bij Roslin doorgedrongen. Hij heeft ze in ieder geval nooit in de praktijk gebracht. Roslin was een schilder van het ancien regime, een van de schilderende lakeien van Versailles.

Tischbein brak met het formele portret zoals dat in de periode van het rococo gebruikelijk was. Rond 1780 begon hij grote opdrachten aan te nemen. In de jaren zeventig had hij veel gereisd, o.a. naar Parijs en Rome. In Rome ontmoette hij bijvoorbeeld de virtuoze schilder en zijn landgenoot Anton Raphael Mengs (1728-1779). Maar ook kwam hij in aanraking met Engelse portretschilders die in Rome waren neergestreken om er rijke Engelsen te portretteren op hun grand tour. Deze schilders werkten met een veel vrijere en lossere penseelstreek dan hofschilders als Alexander Roslin. Tischbein zal tijdens zijn verblijf in Rome zeker onder invloed zijn gekomen van de manier van schilderen van de Engelse portretschilders.

Deze grotere vrijheid hing samen met de nieuwe wind die er vanaf 1770 was gaan waaien. Europa was namelijk in de ban gekomen van Jean-Jacques Rousseau, de meest invloedrijke schrijver van de achttiende eeuw. Aan het begin van de jaren zestig had hij drie boeken geschreven, die bovenin de top tien staan van meest gelezen boeken van de achttiende eeuw: Julie, ou la nouvelle Héloïse (1761), Émile, ou De l’éducation (1762) en Du contrat social (1762). Rousseau stelde dat de mens van nature goed was maar dat de cultuur hem verdorven had gemaakt. Daarom zou de mens weer terug moeten keren naar de natuur. Natuur was het sleutelbegrip van Rousseau en werd dat ook van de Sturm und Drang en de Romantiek die daaruit voortkwam. Deze bewegingen waren, net als het sentimentalisme in de literatuur, een reactie op het rationalisme van de Verlichting.

Tischbein plaatste de geportretteerde graag buiten in de natuur, in gemakkelijke kleding en een ongedwongen houding. Dit informele portret was iets nieuws. Opdrachtgevers waren meestal mensen van aanzien die graag ook zo gezien wilden worden. Hun portretten zagen er altijd formeel en nogal plechtig uit. Maar op de portretten van Tischbein vanaf 1780 zien we ontspannen en vooral natuurlijke mensen. Rousseau bekritiseerde de cultuur en idealiseerde de natuur en zijn boodschap was ook bij de rijke burgerij aangekomen. Deze moest weinig hebben van de stijve etiquette van het ancien regime en wilde juist graag gezien worden als gewone, natuurlijke mensen. De ongedwongen portretten van Tischbein waren een groot succes, vooral onder de rijke burgers van Amsterdam waar hij aan het einde van de jaren tachtig was neergestreken.

echtpaarBoode1791
Johann Friedrich August Tischbein (1750-1812)
Jacob Hendrik Boode en zijn vrouw Catharina Antoinette Martin, 1791

Een van de mooiste portretten op de tentoonstelling is het dubbelportret van Jacob Hendrik Boode (1763-1826) en Catharina Antoinette Martin (1767-1848) uit 1791. Tischbein laat het jonge echtpaar zien alsof je ze met elkaar betrapt. Ze poseren niet, maar beleven eerder een intiem moment met elkaar. Dit dubbelportret demonstreert ook een ideaal uit de Verlichting, namelijk de gelijkheid tussen man en vrouw. Het echtpaar Boode is een modern echtpaar, ook al beleeft de Republiek in 1791 zijn laatste jaren onder Stadhouder Willem V (1751-1795) en de daarmee verbonden ouderwetse standenmaatschappij van de achttiende eeuw.

Dit dubbelportret deed mij onmiddellijk denken aan het beroemde dubbelportret van Monsieur et Madame Lavoisier in 1788 geschilderd door Jacques Louis David. Ook hier de ongedwongen, natuurlijke houding en het ideaal van gelijkheid tussen man en vrouw.

Echtpaar Lavoisier 1788
Jacques Louis David (1748-1825)
Monsieur et Madame Lavoisier, 1788
Echtpaar Boode 1791
Boode en zijn vrouw (detail)
Echtpaar 
 Lavoisier 1788
Monsieur et Madame Lavoisier (detail)

rijksmuseumtwenthe.nl

Pruikentijd op Prime Time

gezien op ZDF: Terra X – Ein Tag in Paris 1775 Ein Tag im Leben
des Perückenmachers Léonard Minet van Jochen Ruderer en Sigrun Laste

MinetHoewel Robespierre na 1789 een pruik bleef dragen, maakte de Franse Revolutie abrupt een einde aan de pruikentijd. De pruik gold voor het revolutionaire Frankrijk als hét symbool van het decadente ancien régime. Een florerende bedrijfstak, met name in Parijs (rond 1775 waren er meer dan 800 ateliers waar pruiken gefabriceerd werden), ging na 1789 vrijwel geheel verloren. Het docudrama Ein Tag in Paris 1775 – Ein Tag im Leben des Perückenmachers Léonard Minet dat het Duitse ZDF in februari van dit jaar uitzond, draait de klok terug naar 1775. We volgen een dag lang de fictieve pruikenmaker Léonard Minet.

Paris in 1775
still uit Ein Tag in Paris 1775 – Ein Tag im Leben des Perückenmachers Léonard Minet in februari 2019 uitgezonden op het ZDF

Historici, antropologen én pruikenmakers geven daarbij commentaar zodat we een prima indruk krijgen van de pruikenmakersbranche aan de vooravond van de Franse Revolutie. De makers hebben waarschijnlijk bewust voor het jaar 1775 gekozen. Lodewijk XVI was het jaar daarvoor zijn grootvader Lodewijk XV opgevolgd als koning van Frankrijk. Hij resideerde net als zijn voorgangers in het Château de Versailles. De hofcultuur had daar een graad van decadentie bereikt, die zich rond 1775 vooral zou uiten in de extravagante dameskapsels.

Ein Tag in Paris 1775

Der Terra X-Film Ein Tag in Paris 1775 schildert den Alltag des jungen Perückenmachers Léonard Minet, der gegen das starre Klassendenken rebelliert und heimlich Damenfrisuren kreiert. Zur Zeit des Ancien Régime gilt es selbst in der Modestadt Paris für einen Friseur als unschicklich, einer Frau die Haare zu machen. Den talentierten Léonard Minet (Max Hegewald) kümmert das nicht. Der Film erzählt, wie es ihm gelingt, Hoffriseur von Versailles zu werden. (Bron: crush.de)

Ein Tag in Paris 1775 [zdf.de/dokumentation/terra-x]

Marco Ricci

De Venetiaanse schilder Marco Ricci (1676-1730)

De Italiaanse schilder Marco Ricci wordt meestal samen genoemd met zijn oom, de schilder Sebastiano Ricci (1659-1734). Beiden kwamen uit Venetië en stonden dus in een indrukwekkende schilderkunstige traditie. De Venetiaanse schilderkunst zou na de zestiende eeuw in de achttiende eeuw opnieuw een bloeiperiode meemaken met de frescoschilder Giovanni Battista Tiepolo (1696-1770), de veduteschilders Canaletto (1697-1768) en Fransesco Guardi(1712-1793) en de graficus Giovanni Battista Piranesi (1720-1778).

Marco Ricci
De Franse graveur François Vivares (1709-1780) maakte een ets naar een schilderij van Marco Ricci die je zo voor een Piranesi zou kunnen aanzien.

De Ricci‘s zijn wat minder bekend maar hadden toch veel invloed, met name Marco Ricci die met zijn capricci vooruit zou lopen op Piranesi. Zijn schilderijen tonen qua coloriet verwantschap met Tiepolo. Na 1720 zou de barok in twee opzichten lichter worden: lichtzinniger maar ook lichter van kleur. Bij Marco Ricci is deze overgang duidelijk te zien. Dat komt mede doordat hij vaak met gouache (op geprepareerde geitenhuid als drager) werkte, een verf die vergelijkbaar is met tempera. Het is niet voor niets dat hij in zijn kleurgebruik dezelfde helderheid wist te bereiken als Tiepolo, want met gouache kun je geen vloeiende overgangen maken zoals in olieverf, maar de frisheid van gouache is uniek.

Marco Ricci
capriccio van Marco Ricci (gouache)
Marco Ricci
capriccio van Marco Ricci (gouache)
Marco Ricci is known to have begun painting ruins quite early in his career and it has been argued that his conception of ruins depends upon direct experience of Rome and its monuments. No trip to Rome is documented, although Marco may have gone there during his youth or less likely around 1720. Like his uncle’s in history painting, Marco’s accomplishments were important in the subsequent development of eighteenth-century Venetian landscape and capriccio painting. Painters such as Canaletto (1697-1768) and the Guardi drew upon his subtle and varied light effects and his masterful combination of real and imaginary elements.
 
Bron: nga.gov
Marco Ricci
De poëzie van zijn grote en mysterieuze stadgenoot Giorgioni is zichtbaar in dit landschap van Marco Ricci met twee monniken (detail van een gouache)
Marco Ricci
In ander detail uit hetzelfde landschap is zijn virtuoze beheersing van gouache goed zichtbaar.

Marco Ricci [ en.wikipedia.org ]