Categorie archief: 18e eeuw

Habsburg revisited

gezien op Arte: Maria Theresia (2017)

Maria TheresaMaria Theresia (1717-1780) van Oostenrijk zal waarschijnlijk nooit de sterstatus van Elisabeth van Beieren (Sissi) bereiken. Toch is zij samen met haar dochter Marie-Antoinette en keizerin Catharina de Grote (van geboorte ook al een Duitstalige prinses!) een van de meest tot de verbeelding sprekende vrouwen uit de achttiende eeuw. Haar leven werd in 1951 en 1980 al eens verfilmd. De meest ambitieuze verfilming is die van 2017 ter gelegenheid van haar 300e geboortedag. Deze miniserie (200 minuten) die voor het eerst in december 2017 in twee afleveringen werd uitgezonden in Oostenrijk, Tsjechië, Slowakije en Hongarije, is een samenwerking tussen de Österreichische Rundfunk (ORF), Beta Film, de Tsjechische televisie Česká Televize, de Slowaakse RTVS en de Hongaarse MTVA. Een echte Habsburgse productie dus.

Biopics over historische figuren uit de achttiende en negentiende eeuw sla ik zelden over. Voor mij is het vaak een geschiedenisles waarbij het verleden zich maximaal concretiseert. Natuurlijk weet ik dat historische biopics zelden betrouwbaar zijn, dus kijk ik kritisch naar kostuums en decors. Gelukkig zijn set decorators en art directors zich steeds beter aan de historische werkelijkheid gaan houden. Maar scenaristen krijgen van de producent vanuit commerciële overwegingen nog altijd de ruimte om de geschiedenis te verdraaien zodat deze beter aansluit bij de mores en wensen van onze tijd. Soms zitten er in historisch drama pertinente onjuistheden (omwille van het scenario) maar meestal vind ik de framing nog storender. In de meeste historische films kijken we naar het verleden door de bril van het heden (lees hier: de heersende opvattingen). Zo zit er in vrijwel alle biopics over historische vrouwen tegenwoordig een flinke dosis girl power gepompt. De vrouw in de hoofdrol komt vaak naar voren als een sterke persoonlijkheid die precies weet wat ze wil. De mannen die haar omringen zijn niet zelden sukkels, lui geworden door hun privileges.

In de meeste historische films kijken we naar het verleden door de bril van het heden (lees hier: de heersende opvattingen). Zo zit er in vrijwel alle biopics over historische vrouwen tegenwoordig een flinke dosis girl power gepompt.

De miniserie Maria Theresia uit 2017 zal een Midden-Europese aangelegenheid blijven. In Nederland is er geen brede belangstelling voor geschiedenis, laat staan voor de geschiedenis van de Habsburgers in de achttiende eeuw. Maar in Oostenrijk, Tsjechië, Slowakije en Hongarije ligt dit anders. De geschiedenis van de Habsburgers is daar bepalend voor de nationale identiteit. Niet alleen voor de Oostenrijkers, maar ook voor de Hongaren, Tsjechen en Slowaken, ooit minderheden binnen het Habsburgse Rijk. Nog altijd zijn hun culturen doordrenkt door het Huis Habsburg en draagt dat culturele erfgoed bij aan de nationale trots. Zo werd deze film voor een groot deel opgenomen in Valtice en Kroměříž in Tsjechië op locaties waar je je nog in het Habsburgse Rijk waant.

Valtice
Schloss Valtice in Tsjechië

Degenen die iets weten van de geschiedenis uit de eerste helft van de achttiende eeuw zal het opvallen dat Maria Theresa recht doet aan de complexiteit van de politieke situatie op dat moment. Met de Vrede van Utrecht in 1713 was in Europa een nieuwe orde gekomen. Maar deze zorgde al gauw weer voor onrust in Spanje en Polen en ook de spanningen tussen de aartsrivalen Frankrijk en Habsburg bleven. Onder Maria Theresia zou dat laatste veranderen. In 1756 zou met de zogenaamde renversement des alliances zouden Frankrijk en Oostenrijk na eeuwenlange strijd eindelijk bondgenoten worden. De film gaat niet zover en beperkt zich tot de jaren dertig en veertig van de achttiende eeuw, waarin het koninkrijk Pruisen de nieuwe vijand van Habsburg zou worden.

Prag 1723. Die sechsjährige Maria Theresia sieht ihren Lebensweg klar vorgezeichnet, sie wird eines Tages Franz Stephan von Lothringen heiraten und mit ihm viele Kinder bekommen. Alle warten auf den ersehnten männlichen Nachkommen von Maria Theresias Vater Karl VI., neun Jahre später ist dieser noch immer nicht geboren. Der Mediziner hat mittlerweile aufgrund des fortgeschrittenen Alters der Kaiserin Elisabeth Christine von Braunschweig-Wolfenbüttel alle Hoffnung aufgegeben, es kann nur noch um ein Wunder gebetet werden. Professor Gottfried Philipp Spannagel empfiehlt daher die Erziehung der erstgeborenen Maria Theresia zu vertiefen, um sie auf eine mögliche Regentschaft vorzubereiten.
 
Bron: de.wikipedia.org

Napoleon & Josephine

aan het lezen in: Napoleon van Adam Zamoyski (2018)
aan het herlezen: Josephine van Kate Williams (2014)

Drie weken geleden begon ik aan de biografie over Napoleon van Adam Zamoyski. Ik vergeleek deze toen alvast met de biografie van Andrew Roberts. Beide Engelse historici hebben een heel verschillende benadering van Napoleon: Roberts tilt hem op het voetstuk waar veel Fransen hem zo graag zien en noemt zijn biografie zelfs Napoleon de Grote. Zamoyski , die behalve een wereldberoemd historicus ook graaf is en stamt uit een adellijke Poolse familie, probeert Napoleon in zijn juiste proporties te zien en zoekt de mens achter de mythe.

Dit was vooral de mythe die Napoleon rond zijn eigen persoon creëerde. Met dank aan imagebuilders als Jacques-Louis David, Antoine-Jean Gros e.v.a. De snelle opkomst van Napoleon na 1796 was niet alleen te danken aan zijn militaire successen maar ook aan zijn efficiënte overdrijving daarvan. Hij zag al snel het enorme belang van propaganda. Het Directoire, het vijfkoppige bestuur van Frankrijk dat tussen november 1795 en november 1799 regeerde, had de jonge generaal evenzeer nodig als dat men hem vreesde.

Napoleon en Josephine
Drie biografieën die ik permanent naast elkaar opensla: een over Josephine van Kate Williams en twee over Napoleon van Andrew Roberts en Adam Zamoyski

Tijdens het lezen van de biografie van Zamoyski heb ik er naast de biografie van Roberts nog een tweede biografie bij gepakt. Geen biografie over Napoleon maar over Josephine en geschreven door een vrouw, de Engelse historica Kate Williams. Deze biografie las ik in het voorjaar van 2015 nadat ik in het Hermitage Amsterdam de tentoonstelling Alexander, Napoleon en Josephine gezien had.

Napoleon heeft een gigantische correspondentie nagelaten, die in Frankrijk bezorgd wordt in een voortreffelijke uitgave van 28 kloeke delen. Het zijn 22 duizend brieven. Tel je daarbij dan nog de bevelen en decreten op, dan kom je uit op een totaal van 30-35 duizend brieven. We kunnen Napoleons leven dan ook van dag tot dag volgen. Dat geldt ook voor zijn relatie met Josephine de Beauharnais. Napoleon leerde haar in het najaar van 1795 kennen tijdens een etentje bij Barras, die de twee aan elkaar probeerde te koppelen. Met succes. Napoleon was onmiddellijk verkocht, hoewel Jospehine zes jaar ouder en zeker geen schoonheid was. Maar met haar charme maakte ze op iedereen indruk.

Hippolyte CharlesIn maart trouwden ze, maar Napoleon was razend druk met het voorbereiden van zijn veldtocht naar Italië. Het huwelijk was allang geconsumeerd. Dat de eerste huwelijksnacht geen succes werd, is dus dramatischer dan het lijkt. Desondanks ging Josephine , nadat haar kersverse man als opperbevelhebber van het revolutionaire Italiëleger was vertrokken, onmiddellijk vreemd met de dandy Hippolyte Charles. Vanuit Noord-Italië schreef Napoleon haar brieven waarin hij openhartig en, weliswaar verhuld door een sluier van romantiek, schaamteloos plat zijn lust voor haar beschrijft. Thuis maakt Josephine zich met haar vriendinnen en haar minnaar vrolijk om zijn geëxalteerde taalgebruik.

Zowel Kate Williams en Adam Zamoyski hebben veelvuldig gebruik gemaakt van de brieven van Napoleon en Josephine. Zelf schreef ze hem niet vaak en het waren zeker geen lange brieven. Ze was vooral bezig met haar minnaar. Voor Zamoyski moeten deze brieven aan Josephine die Napoleon aan het begin van hun huwelijk en tijdens de Italiaanse veldtocht schreef, vruchtbaar materiaal zijn geweest om ‘Napoleon de Grote’ terug te brengen tot zijn ware proporties. En deze brieven zijn beslist ook voer voor psychologen.

Napoleon volgens Zamoyski

aan het lezen in: Napoleon – de man achter de mythe (2018)
van de Engels-Poolse historicus Adam Zamoyski

Napoleon - de man achter de mytheZaterdag kocht ik de nieuwe Napoleonbiografie van Adam Zamoyski. Het verbaasde mij: alweer een biografie over Napoleon? Na 2015, tweehonderd jaar na Waterloo, zou je toch verwachten dat de aandacht voor Napoleon weer verslapt en uitgevers even geen brood meer zien in nieuwe publicaties over hem, laat staan in een biografie. Toch is het ook weer niet vreemd want Napoleon is na Jezus de meest gezochte persoon op Google. Dan de schrijver. Adam Zamoyski is beslist een fenomeen. Er staan al drie dikke boeken van hem gelezen in de kast: 1812 – Napoleons fatale veldtocht naar Rusland (2005), De ondergang van Napoleon en het Congres van Wenen (2008) en De fantoomterreur (2014). Zijn uitgever Harper Collins zag daarom beslist brood in een Napoleon biografie van Mr. Zamoyski. Uitgeverij Balans die iedere nieuwe Zamoyski (bij voorbaat een bestseller!) onmiddellijk in het Nederlands laat vertalen, zal niet ontevreden zijn.

Napoleon de GroteOngetwijfeld zal Zamoyski’s biografie vaak vergeleken worden met die van Andrew Roberts. Deze Britse historicus schreef in 2014 de biografie Napoleon de Grote. Niet alleen de titel maar ook de omslag laat zien dat Roberts een heel andere visie op ‘de kleine korporaal’ heeft dan Zamoyski. Roberts sluit zich bewust aan bij het heroïsche imago dat de schilder Jacques-Louis David aan Napoleon gaf: Napoleon de Grote dus. Zamoyski wil juist de man achter de mythe zichtbaar maken. De uitgever heeft gekozen voor een onvoltooid schilderij van David. Het beeld bestaat voor het grootste deel uit onbeschilderd canvas met een lichte schets van de contouren. Alleen de kop van Napoleon is voltooid. De persoon ontdaan van het decorum.

In 2015 was er op intelligencesquared.com een debat over Napoleon tussen Adam Zamoyski en Andrew Roberts, geleid door Jeremy Paxman.

Napoleon, de peer die snel rijpte, maar zijn eigen rot niet zag [trouw.nl]
Zamoyski schetst een interessant ander perspectief over Napoleon [volkskrant.nl]

Adams, Jefferson en de Revolutie

gelezen in: John Adams (2001) door David McCullough
deel 3: John Adams als eerste vice-president van de VS

John Adams biografieIn 2001 won de Amerikaanse historicus David McCullough voor de tweede maal de Pulitzer Prize met zijn biografie over de tweede president van de Verenigde Staten: John Adams. Het is mooi vertelde geschiedenis vanuit een warm, menselijk hart. McCullough heeft er zelfs een beetje een dubbelbiografie van gemaakt, want de band tussen John Adams en zijn vrouw Abigail Smith Adams loopt als een rode draad door het boek. In 1797 werd ze de tweede First Lady van de VS en haar zoon John Quincy Adams zou na haar dood tussen 1825 en 1829 de zesde president van de Verenigde Staten zijn.

Het derde deel van de biografie begint in 1788. John Adams is dan 53 jaar. Na jarenlange diplomatieke bedrijvigheid in Europa keert hij in het voorjaar van 1788 terug naar zijn geliefde Braintree, een plaatsje dat ooit in de buurt van Boston lag, maar tegenwoordig is opgeslokt door de metropool van New England. Adams is door zijn lange verblijf in Parijs, Amsterdam en Londen een beetje vervreemd van Amerika. Of anders gezegd, Amerika is bij zijn terugkeer na 1788 erg veranderd. De voormalige dertien koloniën hebben zich losgemaakt van het moederland na een lange vrijheidsstrijd (1776-1783), de Vrede van Parijs en de betrekkingen met Engeland zijn enigszins genormaliseerd al zijn de wonden nog niet allemaal geheeld en heerst er in Engeland wantrouwen. Zullen de piepjonge Verenigde Staten alle verplichtingen nakomen die in het Verdrag van Parijs zijn vastgelegd? Van scheiden komt lijden. En de USxit was natuurlijk heel andere koek dan de Brexit.

John Adams postzegelWat ik boeiend vind is de parallelle ontwikkeling van de Verlichtingsideeën aan weerszijden van de oceaan. In Philadelphia werden ze eerder in de praktijk gebracht dan in Parijs, maar de context was totaal anders. In Amerika kon het zonder guillotine omdat het een vrijheidsstrijd was, gericht tegen het moederland. De Amerikanen hadden al genoeg zelfbewustzijn ontwikkeld om zich Amerikanen te voelen en geen Engelsen, al waren vrijwel al hun voorouders dat. Het Amerikaanse patriottisme maakte het mogelijk om de Engelsen als bezetters te zien, als vreemde mogendheid waartegen de Amerikaanse kolonisten in opstand kwamen. Dat was alleen mogelijk met steun van Frankrijk, het land dat met Engeland nog een appeltje te schillen had nadat het al zijn koloniën in Noord-Amerika verloren had zien gaan. Ook de Republiek (Noordelijke Nederlanden) schoten te hulp met leningen die voor de Amerikanen essentieel waren om de oorlog te kunnen winnen.

De Franse Revolutie kwam net als de Amerikaanse Revolutie voort uit de Verlichting maar had een heel ander karakter. De Amerikanen konden bijna op een onbeschreven blad hun democratie vestigen, maar de Fransen moesten eerst hun tradities tot op de grond afbreken. De fundamenten van vrijheid, gelijkheid en broederschap konden pas gelegd worden, als eerst het koningschap en de complete maatschappelijke structuur gesloopt werden. De meeste Amerikanen juichten de Franse Revolutie toe, maar realiseerden zich waarschijnlijk niet genoeg wat een omverwerping van de maatschappij in de praktijk betekende. Adams vanaf het begin grote twijfels over de revolutie in Frankrijk en stond op dezelfde lijn als de Ierse filosoof en politicus Edmund Burke, de grondlegger van het conservatisme.

Door zijn meer conservatieve opvattingen kwam Adams steeds meer tegenover Thomas Jefferson te staan, zijn ‘collega founding father’, die zijn politieke rivaal zou worden. Jefferson was een groot voorstander van de Franse Revolutie. Het nieuws van de bestorming van de Bastille op 14 juli 1789 bereikte Amerika pas in september. Jefferson was tijdens het uitbreken van de revolutie in Parijs maar maakte er niet zoveel van mee. Toen hij in het najaar van 1789 in Amerika terugkeerde, keurde hij de Franse Revolutie goed. Hij was ervan overtuigd dat het geweld snel zou stoppen en dat er voor Frankrijk een prachtige nieuwe dag was aangebroken. John Adams was daar veel minder hoopvol over, positiever gezegd: hij was veel minder naïef dan Jefferson en voorzag de duisternis waarin Frankrijk tijdens de Terreur in terecht zou komen. Met zijn houding stond hij overigens in goed gezelschap. Burke en Goethe dachten er precies zo over.

Chateaubriand 250

vandaag is de 250e geboortedag van François-René de Chateaubriand

Het is jammer dat er geen postzegel verschijnt ter gelegenheid van de 250e geboortedag van François-René de Chateaubriand. In 1948 verscheen ter gelegenheid van zijn 100e sterfdag nog wel een postzegel. En twintig jaar later volgde Monaco met een postzegel ter gelegenheid van de 200e geboortedag.

Monaco 1968
Postzegel uit Monaco t.g.v. de 200e geboortedag van Chateaubriand

Chateaubriand was een voorbeeld voor schrijvers en kunstenaar uit de romantiek. In 1802 werd hij in één klap beroemd met zijn Genie du christianisme dat in 1808 al in het Nederlands vertaald werd onder de titel Schoonheden van den Roomsch-Katholijken Godsdienst. Na de afschaffing van het christendom door de Franse Revolutie keerde dit boek van Chateaubriand in Frankrijk het tij, mede doordat Napoleon het gebruikte voor zijn toenadering tot de paus. Napoleon was een opportunist die de godsdienst voor zijn eigen karretje spande. Tijdens zijn veldtocht in Egypte deed hij zich voor als verdediger van de islam. Maar als consul en later als keizer verdedigde hij juist weer het christendom. In ieder geval was de waardering van Chateaubriand voor het christendom wel oprecht. Misschien dat hij door zijn reactionaire houding in onze tijd niet meer zo in de belangstelling staat.

Combourg
Chateau de Combourg tussen Saint Malo en Rennes waar Chateaubriand is opgegroeid. Daarnaast zijn standbeeld in Combourg.

societe-chateaubriand.fr | Annee Chateaubriand [ letelegramme.fr ]

als het volk regeert …

gelezen: boek IX van Memoires van over het graf (1848)
van François-René de Chateaubriand

Memoires van over het grafWe horen het niet graag, maar populisme, demagogie en schrikbewind zijn onlosmakelijk verbonden met het ontstaan van onze democratische rechtsstaat. Als ik weer iets nieuws over de Franse Revolutie lees, gaat er meestal een beerput voor mij open. Zo ook tijdens het lezen van het ooggetuigeverslag van François-René de Chateaubriand in Boek IX van Memoires van over het graf.

Hoe konden de idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap al bij de aanvang zo vreselijk ontsporen? In Fatale zuiverheid doet Ruth Scurr een poging om Maximillien de Robespierre te begrijpen. De vergelijking met Eichmann dringt zich op: hoe kan een in zeker opzicht onberispelijk heerschap in staat zijn tot zoveel onmenselijkheid? Meer nog dan Georges Danton en Jean-Paul Marat was Robespierre het gezicht van de Terreur. En dus van de Revolutie, zou Simon Schama, eraan toevoegen. Want Schama behoort tot degenen die de Franse Revolutie gelijkstellen aan de Terreur.

Omdat Robespierre onwankelbaar was in zijn principes werd hij l’Incorruptible (de Onomkoopbare) genoemd. Hij was een strakke denker, logisch en consequent. “Deze man is gevaarlijk, want hij gelooft in alles wat hij zegt”, zei Mirabeau ooit over hem. Robespierre onderscheidde zich van andere revolutionairen ook door zijn uiterlijk. Hij bleef trouw aan zijn pruik, rokkostuum en kniebroek waardoor hij eruitzag als een aanhanger van het ancien régime en niet als een typische vrijheidsstrijder. Vergeleken met andere invloedrijke revolutionairen had Robespierre het voorkomen van een dandy. Danton en Marat zagen er eerder uit als straatvechters. Chateaubriand beschrijft ze in “een lange reeks gorgonenkoppen“:

D’après ces préséances de hideur, passait successivement, mêlée aux fantômes des Seize, une série de têtes de gorgones. L’ancien médecin des gardes du corps du comte d’Artois, l’embryon suisse Marat, les pieds nus dans des sabots ou des souliers ferrés, pérorait le premier, en vertu de ses incontestables droits. Nanti de l’office de fou à la cour du peuple, il s’écriait, avec une physionomie plate et ce demi-sourire d’une banalité de politesse que l’ancienne éducation mettait sur toutes les faces : « Peuple, il te faut couper deux cent soixante-dix mille têtes ! » À ce Caligula de carrefour succédait le cordonnier athée, Chaumette.
Bron: fr.wikisource.org

Marat“De meest mismaakte types van deze bende hadden voorrang op het spreekgestoelte. In onze troebelen van destijds hebben gebreken van lichaam en geest absoluut een rol gespeeld; gekwetste eigendunk heeft grote revolutionairen voortgebracht. [...] Hierna passeerde, in rangorde van afschuwelijkheid, en zich mengend onder de fantomen van de Zestien, een lange reeks gorgonenkoppen de revue. De voormalige arts van de lijfwacht van de Comte d’Artois, het Zwitserse embryo Marat, zijn blote voeten gestoken in klompen of met ijzer beslagen schoenen, hield als eerste, op grond van zijn onbetwistbare rechten, een redevoering. In zijn rol van nar aan het hof des volks, schreeuwde hij, met een uitgestreken gezicht en zo’n flauw beleefdheidsglimlachje dat iedereen met een ouderwetse opvoeding destijds op zijn gezicht droeg: “Het volk moet nog 270.000 koppen afhakken!” Na deze achterbuurt-Caligula kwam de atheïstische schoenmaker Chaumette aan de beurt”.

De kop van Georges Danton is eindeloos beschreven. Een paar maanden geleden plaatste ik citaten van Jo van Ammers-Küller, Lamartine en Victor Hugo. In Memoires van over het graf las ik een vierde literaire beschrijving over Dantons beruchte lelijkheid: “De taferelen in het klooster van de Cordeliers, waarvan ik zo’n drie à vier keer getuige ben geweest, werden beheerst en voorgezeten door Danton, een soort Hun gebouwd als een Goot, met zijn platte neus, zijn wijdopen neusgaten, zijn met littekens overdekte gezicht dat het midden hield tussen dat van een politieagent en dat van een geile en wrede aanklager. [...] Danton zei: [...] Natuurlijk zijn al die priesters en edellieden niet schuldig, maar ze moeten dood, omdat ze hier niet horen, de gang van zaken belemmeren en de toekomst in de weg staan.”

Danton, Marat en Robespierre
Danton, Marat en Robespierre in Le Cabaret de la Rue du Paon (illustratie van Émile Bayard uit het boek 1793 van Victor Hugo)

In het begin van de jaren negentig van de achttiende eeuw ontstond een nieuw fenomeen: de politieke partij. De jakobijnen organiseerden zich in verschillende clubs, zoals de Société des droits de l’homme et du citoyen, kortweg de Cordeliers, genoemd naar de gebouwen van de Franciscanen in het Quartier Latin waarin zij bijeenkwamen. Bij de Cordeliers ging het er bijzonder rauw aan toe. Als het volk gaat regeren, wordt de taal van de straat gesproken. Chateaubriand schrijft:

Les orateurs, unis pour détruire, ne s’entendaient ni sur les chefs à choisir, ni sur les moyens à employer ; ils se traitaient de gueux, de filous, de voleurs, de massacreurs, à la cacophonie des sifflets et des hurlements de leurs différents groupes de diables. Les métaphores étaient prises du matériel des meurtres, empruntées des objets les plus sales de tous les genres de voirie et de fumier, ou tirées des lieux consacrés aux prostitutions des hommes et des femmes.
Bron: fr.wikisource.org

“De redenaars, bijeen om te vernietigen, waren het noch eens over de te kiezen leiders, noch over de te gebruiken middelen; onder een kakafonie van fluitconcerten en gebrul van de duivels van hun verschillende groepen aanhangers scholden ze elkaar uit voor schooiers, schandknapen, boeven, dieven, moordenaars. Ze gebruikten metaforen uit het moordenaarsjargon, dat woorden ontleent aan de smerigste objecten afkomstig uit allerlei soorten vuilnisbelten en mestvaalten, en ook uit de oorden waar mannen en vrouwen zich prostitueren. Ze maakten de beelden met hun gebaren zichtbaar; alles werd bij zijn naam genoemd met een honds cynisme, en met veel brallerig, obsceen en godslasterlijk gevloek.”

Ik moet de wijken van het volk in
en mijn oor te luisteren leggen:
zo hoor je nog eens wat.
Wat wil het volk?
Niet veel goeds, dat is zeker.

Gerard Reve

De woorden democratie en populisme hebben beide dezelfde wortel. Demos is het Griekse woord en populus is het Latijnse woord voor volk. Toch heeft het eerste woord meestal een positieve klank en het laatste woord een negatieve klank. Maar als we naar de Franse Revolutie kijken, dan ging de geboorte van de moderne democratie gepaard met gebral en demagogie. Het huidige recht-voor-z’n-raap-populisme steekt daar fatsoenlijk bij af.

een misdadig volkje

aan het lezen in: Memoires van over het graf (1848)
van François-René de Chateaubriand

Memoires van over het grafWanneer je zoals ik alles wilt weten over de Franse Revolutie en meer nog, jezelf zou willen verplaatsen naar het hart van de Franse Revolutie, Parijs in het begin van de jaren negentig van de achttiende eeuw, dan lees je bij voorkeur getuigenverslagen. Het is mooi om Edmund Burke te lezen of het dagboek van Goethe dat hij bijhield tijdens de Pruisische veldtocht in Noord-Frankrijk in september 1792. Maar wat François-René de Chateaubriand in het negende boek van Memoires van over het graf over de Franse Revolutie schrijft, overtreft voor mij alles.

Toen Chateaubriand 22 jaar oud was, dreef zijn avontuurlijke geest hem naar de Nieuwe Wereld. In het zesde, zevende en achtste boek schrijft hij over zijn verblijf in de piepjonge Verenigde Staten en Canada. Maar dan valt in het najaar van 1791 zijn oog op een vette kop in een Engelse krant: Flight of the King. Daaronder leest hij over de vlucht van Lodewijk XVI naar Varennes in juni 1791. Hij schrijft:“Er vond op slag een ommekeer in mij plaats (…) Dit was meteen het einde van mijn tocht. Ik zei bij mijzelf: terug naar Frankrijk!”

In het voorjaar van 1792 is hij weer terug in Frankrijk, nadat zijn schip vlak voor de kust van Bretagne bijna vergaan is. De Franse Revolutie is in de zomer van 1792 drie jaar oud en heeft wortel geschoten. Hij beschrijft de grimmige sfeer: “Parijs bood in 1792 een geheel andere aanblik dan in 1789 en 1790; de revolutie stond niet meer in de kinderschoenen, dit was een volk dat in een roes zijn lot tegemoet marcheerde, dwars door afgronden en langs dwaalwegen. Het volk had niet meer dat rumoerige, nieuwsgierige, geestdriftige over zich; het had iets onheilspellends gekregen. Op straat zag je alleen nog maar bange of schuwe gezichten, van mensen die vlak langs de muren van huizen slopen, om maar niet op te vallen, maar je had er ook die juist op zoek waren naar een prooi: er waren angstige en neergeslagen blikken die zich van je afwendden, of juist felle blikken die je fixeerden en je trachtten te doorgronden en te doorboren.”

Het verbranden van de troon in 1792
Het verbranden van de troon in 1792 was de opmaat naar de koningsmoord in 1793

Meer nog dan een film plaatsen zijn woorden mij in een tijdcapsule. In een film zijn de beelden gegeven en is er geen ruimte meer voor de verbeelding. Wanneer je het verslag van Chateaubriand leest, word je een voorbijganger in de straten van Parijs. Dan schrijft hij: “Onder de Parijse bevolking had zich een uitheemse bevolking gemengd van ongure types uit Zuid-Frankrijk; dat was de voorhoede van de Marseillanen, die Danton naar de hoofdstad haalde voor de dag van de tiende augustus en de Septemberbloedbaden, een volkje dat herkenbaar was aan zijn lompen, zijn gebruinde gelaatskleur, zijn laffe, misdadige uiterlijk, maar dan wel een misdadigheid die gerijpt was onder een andere zon: in vultu vitium, in het gezicht de slechtheid.”

…een volkje dat herkenbaar was aan zijn lompen, zijn gebruinde gelaatskleur, zijn laffe, misdadige uiterlijk, maar dan wel een misdadigheid die gerijpt was onder een andere zon: in vultu vitium, in het gezicht de slechtheid.

Dergelijke notities zouden tegenwoordig discriminerend, ja zelfs racistisch genoemd worden. Maar Chateaubriand heeft het scherp gezien. Simon Schama bevestigt het in Citizens: “Hoe groot de verleiding ook is voor een historicus om (…) het geweld af te doen als een minder prettig ‘aspect’ van de Revolutie dat niet mag afleiden van de verworvenheden ervan, het zou naïef zijn om dat te doen. Vanaf het allereerste begin – de zomer van 1789 – was geweld de motor van de Revolutie.”

Mémoires d’outre-tombe [ fr.wikisource.org ]
Memoirs from beyond the tomb [ books.google.nl ]