Categorie archief: filosofie

Spengler’s onheilsprofetie

gisteren gekocht: De ondergang van het avondland (1918-1922)

Samen met Johan Huizinga en Jose Ortega y Gasset wordt Oswald Spengler gezien als een van de grondleggers van het cultuurpessimisme. Hun namen zijn vastgeklonken aan het interbellum (1919-1939). Deze interval tussen de twee wereldoorlogen was een periode van gespannen vrede tijdens de Urkatastrophe des 20. Jahrhunderts (1914-1945). Der Untergang des Abendlandes is ongetwijfeld het eerste boek waar we aan denken wanneer we over cultuurpessimisme komen te spreken. Oswald Spengler schreef het eerste deel vlak voor de Eerste Wereldoorlog, maar kon het pas in december 1918 laten verschijnen. Het tweede deel verscheen vier jaar later, toen Duitsland volledig onderuit lag. Uitgeverij Boom gaf vorig jaar een fraai uitgevoerde jubileumeditie uit in twee banden. Deze uitgave wordt begeleid door een website.

De ondergang van het avondland
De Nederlandse vertaling in een jubileumuitgave in een fraaie art deco vormgeving.

oikofobieDe zelfhaat van het avondland
Soms lijkt het dat rechts een monopolie op cultuurpessimisme heeft. Hedendaagse cultuurpessimisten als Theodore Dalrymple en Roger Scruton schrijven vanuit een conservatief en rechts georiënteerd standpunt vanwaaruit ze het al te rooskleurige maakbaarheidsideaal van de links-progressieve politiek bekritiseren. Zo wordt het begrip oikofobie (gemunt door Roger Scruton) uitgewerkt door Thierry Baudet in zijn boek Oikofobie. De angst voor het eigene. De huidige polarisatie wordt gemarkeerd door sleutelwoorden. Progressief-links verwijt zijn tegenstanders xenofobie terwijl vanuit de conservatieve hoek progressief-links oikofobie verweten wordt. Joseph Ratzinger (later paus Benedictus XVI) is er nog explicieter in en sprak over de zelfhaat van het avondland.

De meest gehoorde kritiek op cultuurpessimisten is dat het zwartkijkers zouden zijn die te weinig oog hebben voor positieve ontwikkelingen en vooral voor het positieve in de mens. Zo reageerde Beatrice de Graaf onlangs op het boek De meeste mensen deugen van Rutger Bregmans: ‘Cynici en zwartkijkers kunnen inpakken. Een heerlijk boek voor iedereen die echt realistisch wil zijn.’ Realistisch willen zijn, daar gaat het dus om. Is het glas half vol of half leeg? De realist probeert een middenpositie in te nemen, maar zal steeds weer tot de ontdekking komen dat aan zorgvuldige beschouwingen en afwegingen een optimistische of pessimistische levenshouding ten grondslag ligt.

Overigens is cultuurpessimisme van alle tijden. Dat beschavingen opkomen, blinken en verzinken was al lang voor Spengler bekend. In het laatste kwart van de achttiende eeuw publiceerde Edward Gibbons zijn monumentale The History of the Decline and Fall of the Roman Empire over het verval en de ondergang van het Romeinse Rijk. Door hun hegemonie in de wereld begonnen de Victorianen in de negentiende eeuw zich te identificeren met de romeinen. Daarnaast leefde ook sterk het besef van vergankelijkheid. Een schilder als John Martin (1789-1854) oogstte veel succes met zijn apocalyptische landschappen, een soort vanitas landschapsschilderkunst.

The course of the empire
Thomas Cole The Course of the Empire, 1833-1836

Ook de Amerikaanse schilder Thomas Cole (1801-1848) wilde zijn tijdgenoten herinneren aan de vergankelijkheid en schilderde tussen 1833-1836 een serie van vijf schilderijen die hij The Course of the Empire noemde. Hij schilderde de opkomst, bloei en ondergang van een beschaving in vijf stadia om zijn Amerikaanse tijdgenoten te waarschuwen dat een trotse beschaving, net als het Romeinse Rijk, ooit ten onder zal gaan.

Wie was Oswald Spengler? [ leesspengler.nl ]

het genot een ‘ik’ te zijn

gelezen: hoofdstuk 8 (Berlijn 1811) uit Arthur Schopenhauer –
de woelige jaren van de filosofie
van Rüdiger Safranski (1988)

Arthur Schopenhauer - 
de woelige jaren van de filosofieIn de zomer van 1811 stapt Arthur Schopenhauer over van de Georg-August-Universität in Göttingen naar de Humboldt Universität in Berlijn. Zijn motivatie is simpel: aan deze in het jaar daarvoor gestichte universiteit doceert de beroemde filosoof Johann Gottlieb Fichte. Voor Safranski weer een goede reden om een ‘filosofisch toneel‘ in zijn biografie in te bouwen.

In een terugblik beschrijft Safranski wat er in de jaren negentig van de achttiende eeuw had plaatsgevonden. Fichte was zo onder indruk van de filosofie van Immanuel Kant gekomen dat hij besloot om de beroemde filosoof in 1791 in Königsberg op te zoeken. Kant heeft het echter zo druk met het ontvangen van bezoek van heinde en verre dat Fichte niet binnenkomt. Om toch de aandacht van Kant te krijgen, schrijft hij een essay om zichzelf bij de meester aan te bevelen: Versuch einer Kritik aller Offenbarung. Het werkt. Kant is zeer onder de indruk en laat het anoniem in Königsberg publiceren. Daarna wordt het in heel Duitsland besproken en als tenslotte uitkomt wie het geschreven heeft, is Johann Gottlieb Fichte de nieuwe rijzende ster aan het firmament van de Duitse filosofie.

Humboldtuniversiteit Berlin
De Humboldt Universität in Berlijn waar Schopenhauer van 1811 tot 1812 studeert.

Vanuit zijn bewondering en kritiek op Kant ontwikkelt Fichte zijn eigen filosofie van het Ich. Safranski vat dat prachtig samen. Zeker niet alles wat Safranski over Fichte schrijft, is makkelijk te begrijpen, maar als je het begrijpt, dan klopt het ook helemaal. Bijvoorbeeld: “Het ‘ik’ is iets dat wij pas in het denken voortbrengen en tegelijkertijd is die voortbrengende kracht de onvoorstelbare ik-heid in onszelf. Het denkende en het gedachte ‘ik’ zijn opgesloten in een vicieuze cirkel van activisme.”

Het ‘ik’ is iets dat wij pas in het denken voortbrengen en tegelijkertijd is die voortbrengende kracht de onvoorstelbare ik-heid in onszelf. Het denkende en het gedachte ‘ik’ zijn opgesloten in een vicieuze cirkel van activisme.

Twee bladzijden verder schrijft Safranski in zijn ‘filosofisch toneel’: “Ik ben het ‘Ding an Sich’ – het zichtbare geheim van de wereld. Dit inzicht was voor Fichte die verblindende ‘bliksem’ die zijn filosoferen bleef verhitten. Die ‘bliksem’ was afkomstig uit de geladen geestelijke sfeer van het verlangen naar emancipatie, een sfeer die tot hier was doorgedrongen vanuit de Franse Revolutie. En de invloed van Fichte vloeide niet voort uit moeilijke deducties die zeer weinig mensen begrepen, maar uit datgene waaruit meteen munt geslagen kon worden voor de wisselkoers van het tot dusver ongekende genot een ‘ik’ te zijn.”

FichteDe kern van de filosofie van Johann Gottlieb Fichte (1762-1814) wordt gevormd door zijn opvatting over de (menselijke) geest, het Ik. Volgens hem is de héle werkelijkheid hieruit te verklaren. Hiermee sluit hij niet aan bij Kant, die een dualisme aannam tussen de werkelijkheid zoals zij zich aan het “ik” voordoet en de onkenbare realiteit zoals zij werkelijk is. Fichte legt duidelijk de nadruk op de geest; zijn filosofie is een vorm van zuiver Idealisme en hijzelf daarmee een van de prominente vertegenwoordigers van het zogenaamde Duits Idealisme. Fichte ziet de individuele menselijke geest als een onderdeel van dat wat alles omvat, Het Absolute; hier in de vorm van het ‘absolute Ik’. Dit ‘absolute Ik’ is over alle bewustzijnen verdeeld. De diepste aard van alles wat bestaat is het goddelijke, absolute Ik. Daarachter kan men niet verder teruggaan, want het Ik “schept” of fundeert zichzelf. Het Ik schept niet alleen zichzelf, maar ook de natuur en de kosmos. Dit laatste noemt Fichte het ‘niet-Ik’, dat echter niet zelfstandig kan bestaan maar alleen in dialectische tegenstelling mét het Ik en in de ervaring als object dóór het Ik. Anders dan het Ik heeft het dus geen absolute maar slechts een relatieve werkelijkheid. Dit wordt door Fichte niet als een hypothese gezien maar als een noodzakelijke waarheid. (Bron: nl.wikipedia.org)

woelige jaren van de filosofie

gelezen: hoofdstuk 7 (1809-1811) uit Arthur Schopenhauer –
de woelige jaren van de filosofie
van Rüdiger Safranski (1988)

Arthur Schopenhauer – de woelige jaren van de filosofie was de tweede biografie die Rüdiger Safranski in 1988 schreef, nadat hij vier jaar eerder zijn eerste biografie had geschreven over E.T.A Hoffmann (1776-1822). Safranski voelt zich in de tijd rond 1800 als een vis in het water. Na zijn biografieën over Hoffmann en Schopenhauer verschenen een prachtige studie over de Duitse Romantiek en biografieën over Schiller en Goethe. Safranski mogen we internationaal rekenen tot een van de Grote Begrijpers van de zogenaamde Goethezeit, de periode 1770-1830.

Georg-August-Universität
De Georg-August-Universität in Göttingen waar Arthur Schopenhauer tussen 1809 en 1811 o.a. de filosofie van Immanuel Kant bestudeerde

Arthur Schopenhauer studierte von 1809 bis 1811 in Göttingen und besuchte vor allem historische und naturgeschichtliche Lehrveranstaltungen. Einer seiner wichtigsten Lehrer war dabei Johann Friedrich Blumenbach, der damals berühmteste Göttinger Naturforscher. Schopenhauer setzte die in Göttingen begonnenen naturwissenschaftlichen Studien auch nach der Entscheidung für eine Laufbahn als Philosoph und dem Wechsel an die neugegründete Universität in Berlin fort. Sein Interesse und seine Kenntnisse auf dem Gebiet der Naturwissenschaften und insbesondere der Physiologie sind ein wichtiger Schlüssel zum Verständnis seiner Philosophie.(Bron: univerlag.uni-goettingen.de)

Arthur Schopenhauer - de woelige jaren van de filosofieArthur Schopenhauer – de woelige jaren van de filosofie is een magistraal boek dat het uit eerbied verdient om nog eens herlezen te worden. Ik zit alweer een paar weken tot aan mijn oren in ‘de woelige jaren van de filosofie‘, bij mijn weten een term die door Safranski zelf gemunt is. Hij bedoelt hiermee de jaren 1781-1818, een iets ruimere interval dan het zo bekende tijdvak 1789-1815. De jaartallen die de woelige jaren van de filosofie begrenzen, vallen samen met het verschijnen van de Kritik der reinen Vernunft van Imanuel Kant in 1781 en Die Welt als Wille und Vorstellung van Arthur Schopenhauer in 1818. De periode daartussen was voor de filosofie net zo stormachtig als de Franse Revolutie (1789-1799) en de Napoleontische tijd (1800-1815).

Wat was er gebeurd? Dit zou een zin van Safranski kunnen zijn. Daarna zou een zogenaamd ‘filosofisch toneel‘ volgen, een intermezzo dat Safranski’s biografieën voor mij zo bijzonder maakt. Elke biograaf zal een decor willen schetsen voor het leven van een bepaalde persoon dat hij wil beschrijven. Dat is vaak een tijdsbeeld of een geografische beschrijving. Maar het kan ook gaan om een geestelijk klimaat. Dat laatste is als decor waarschijnlijk het lastigste om te beschrijven. Maar Safranski is hier een meester in. Hij heeft het zeldzame vermogen om het ingewikkelde samen te vatten, zonder dat dit afbreuk doet aan diepte en complexiteit. Ieder die zich waagt aan het samenvatten van filosofie voor een breed publiek, bijvoorbeeld in een historisch overzicht, weet hoe zwaar het is een bevredigend evenwicht te vinden tussen toegankelijkheid/helderheid en complexiteit. Safranski heeft ook nog eens literair talent, waardoor hij schitterend proza aflevert.

Het ‘Ding an Sich’ was net een gat waardoor een verontrustende tocht binnenstroomde.

Een paar voorbeelden: “Het is alsof de onttroonde oude metafysica, eenmaal verdreven uit de onbegrensde ruimten van de kosmos, alle resterende kracht heeft vergaard en de geseculariseerde subjecten op het gemoed heeft gewerkt, waar ze danig rammelt en knelt.” Dit schrijft hij met betrekking tot de Categorische Imperatief, het centrale begrip uit de Kritik der praktischen Vernunft (1888). En met betrekking het centrale begrip uit de Kritik der reinen Vernunft (1781), het Ding an Sich, schrijft hij: “Kant liet ons een goed ingericht huis van rationele kennis na, maar het ‘Ding an Sich’ was net een gat waardoor een verontrustende tocht binnenstroomde.”

Het is precies deze ‘tocht’ die in het westerse denken een storm zou veroorzaken. Deze zou het Duitse idealisme van Fichte en Schelling, het optimisme van Hegel maar ook het pessimisme van Schopenhauer voortbrengen. We mogen daarom gerust spreken van ‘de woelige jaren van de filosofie’.

huilen met Rousseau

gelezen: Jean-Jacques Rousseau – een rusteloos genie (2012)
door Leo Damrosch

RousseauOp 28 juni 2012 was het precies 300 jaar geleden dat Jean-Jacques Rousseau in Genève geboren werd. Maarten Doorman schreef een boekje over zijn persoonlijke relatie met de vader van de moderne autobiografie (en nog wel meer) en Uitgeverij Ten Have/Veen bracht in 2012 een bijna vuistdikke vertaling van Rousseau – Restless Genius (2005) van Leo Damrosch op de markt. Een paar jaar later kwam het in de ramsj en ik kocht het om het bijna twee jaar ongelezen in de boekenkast te laten staan.

Deze zomer kwam een mooie gelegenheid om het te lezen: tijdens onze vakantie in de Jura bezochten we Môtiers, het Zwitserse bergdorpje waar Rousseau en zijn levensgezellin Thérèse tussen 1762 en 1765 in ballingschap zouden wonen. Helaas was het kleine museum gesloten, maar het was toch fijn om even op de beroemde waranda te hebben gestaan, al is in de afgelopen 250 jaar bijna alles vernieuwd.

Môtiers
Môtiers …op de trap naar de waranda van het huis waar Rousseau na de publicatie van Emile en Le contract social in 1762 verbleef.
(Foto genomen op 11 juli 2018)

In Frankrijk zijn er nog tientallen andere “Rousseau bedevaartsplaatsen”. De meeste dateren van kort na zijn dood in 1778 toen er een Rousseaucultus ontstond. In de achttiende eeuw hoorde je in de voetsporen van Rousseau je zakdoek te pakken en enkele tranen te plengen. Ik hield het droog in Môtiers.

boekbespreking door Sebastien Valkenberg in Trouw [ trouw.nl ]

humanistisch vijftal met de rug naar God

gezien op HUMAN : de laatste aflevering van het Filosofisch Kwintet

HUMANVanmiddag was de laatste aflevering van Het Filosofisch Kwintet waarin gespreksleider Clairy Polak weer vier tafelgenoten ontving. Naast haar vaste “tafelheer”, historicus Philipp Blom, schoven er drie bekende wetenschappers aan tafel: socioloog Kim Putters, wetenschapper Robbert Dijkgraaf en filosoof en arts Marli Huijer.

Het ijkpunt voor dit humanistische vijftal was telkens de Verlichting, de tweede helft van de achttiende eeuw waarin het humanisme volwassen werd en het denken zichzelf definitief bevrijdde uit haar religieuze bedding. De Verlichting is een zelfverlossing. Maar deze ging niet vanzelf: er was een vadermoord voor nodig. De koning, die tot aan de Franse Revolutie regeerde bij de gratie Gods, moest eerst terechtgesteld worden voordat de vrije burger kon opstaan. Deze vrije burger wordt tegenwoordig het individu genoemd, ook wel consument en die consument is koning geworden. Daardoor zijn er grote milieuproblemen ontstaan waardoor we ons steeds meer bewust worden dat we de tak waarop we zitten aan het doorzagen zijn. Hoe kunnen we dit stoppen? Wat moeten we doen?

Zijn jullie optimistisch over de vraag of we het halen, voordat de doemscenario’s die we de afgelopen tijd besproken ons hebben ingehaald?

De problemen (overbevolking, groeiende ongelijkheid, klimaat en uitholling van het publieke debat) waar het filosofisch kwintet in de drie vorige afleveringen het licht op deed schijnen, hebben te maken met individualisering en het verlies van gemeenschap. Oude sociale structuren lossen op in een proces dat je zowel globalisering als individualisering kunt noemen. De oorzaak van het probleem, de mens, roept zichzelf ter verantwoording en plaatst zich voor de zogenaamde grote uitdagingen van de eenentwintigste eeuw. Het individu met zijn verlangens en angsten mag dan de oorzaak van de mondiale problemen zijn, het individu wordt ook geacht er weer de oplossing van te zijn! Zou die laatste verwachting er niet zijn, dan zou de humanist een pessimist of fatalist blijken. En de humanist is juist een optimist die gelooft dat de mens, ondanks wat “productiefouten” van de natuur, in wezen goed is.

HFK HUMAN
de website van het filosofisch kwintet

Het is begrijpelijk dat het humanisme een optimistisch mensbeeld geeft. Het humanisme heeft gebroken met een denken dat in het christendom geworteld was. Voor het humanisme ontstond, was het westerse mens- en wereldbeeld door en door christelijk. Vanuit het christelijk geloof wordt de mens niet gezien als een individu, als een “ondeelbare”, maar als een persoon, als iemand die zichzelf kan delen met de ander. In de eerste plaats kan hij persoon zijn omdat zijn Schepper een Persoon is. Ook al deelt de mens veel met het dier, hij onderscheidt zich van het dier doordat hij iemand is.

Deze dimensie van het menselijk bestaan lijkt voor Het filosofische kwintet niet te bestaan. De mens is een individu, een hoogontwikkelde primaat; de onsterfelijke ziel is een flexibel brein en God tenslotte is een concept of fantoom in de taal dat ons denken behekst. Daarover lijkt de tafel van HUMAN het unaniem eens te zijn. Philipp Blom, die een boek schreef over de filosofische salons halverwege de achttiende eeuw, moet zich zeker thuis voelen in dit gezelschap. Hij noemde dit boek ironisch “het verdorven genootschap“, een benaming die rond 1750 serieus bedoeld was, maar die hij nu, bijna strijdbaar, als geuzennaam lijkt te hanteren. In de geest van de door hem zo bewonderde Diderot, spreekt hij graag provocerend en met een brede grijns over de mens als “nieuwsgierig aapje”.

Wat in de tweede helft van de achttiende eeuw maatschappelijk veroordeeld werd als een geheime bijeenkomst van “ongodisten”, is in de eenentwintigste eeuw mainstream geworden: debatteren met de rug naar God toe. Voor de humanisten die op filosofisch niveau van gedachten wisselen over wereldproblematiek is dit net zo vanzelfsprekend als ademhalen. De humanist ziet de mens als maat van alle dingen en erkent geen bovenmenselijk gezag, dus zeker geen Verlosser, laat staan een Wetgever boven de mens. De mens staat er in de kosmos alleen voor. Ondanks al zijn slechtheid waarmee hij zijn medemens, zijn leefmilieu en uiteindelijk zichzelf benadeelt, is hij toch in staat het goede te doen. Dat is het ongegronde optimisme van het humanisme.

HUMAN
tweet van de directeur van het CPB als signaal naar de politiek

De christelijke opvatting dat de mens tot alle kwaad geneigd is en zelfs als hij het goede wil daar toch niet in slaagt, is uiteraard pessimistisch, maar kan wel tot een specifieke inkeer komen, waarbij de mens zijn zoonschap herontdekt en daarmee zijn hemelse Vader (die de Verlichting juist had opgeruimd!) Als voor de humanist het christelijk geloof een wensdenken is, dan is voor de christen het humanisme op zijn minst een krampachtig geloof in de maakbaarheid, waarbij een mensheid die steeds dieper in het moeras wegzakt zich aan zijn eigen haren weer omhoog trekt.

Het debat eindigde aan de buitenkant met eenzelfde vertrouwen als een gesprek tussen evangelicalen, alleen was de hoop niet gevestigd op Jezus, maar op “het flexibele brein” dat mens heet. Door “vreedzaam te vechten” (Huijer) of “een nieuwe voorhoede te vormen die ons kan leiden” (Putter) kan “het flexibele brein” de uitdagingen van de eenentwintigste eeuw wel aan…

Het Filosofisch Kwintet [ human.nl ]

over the top

gelezen: Trump and truthful hyperbole

The art of the dealOp de blog Talking Philosophy las ik Trump & Truthful Hyperbole. In zijn boek The Art of the Deal (1987) legt Donald Trump uit wat hij met dit begrip bedoelt. Hoewel “de eerlijke overdrijving” net als bijvoorbeeld “het radicale midden” vanuit de logica een onmogelijkheid is, kan het een retorische stijlfiguur zijn waarmee je iets kunt promoten. Reclametaal zit eigenlijk vol hyperbolen en een marketinggenie als Trump weet dat deze door de consument als truthful ervaren worden. Ook al weten we dat een overdrijving per definitie een leugen is, we kunnen er ook van genieten en enthousiast over zijn.

cup noodles times squareZo herinner ik mij het gigantische beker noodles boven op een van de reclametotems rond Times Square in New York. De hyperbool was perfect uitgevoerd: uit de huizenhoge beker met noodles steeg een eveneens huizenhoge damp op, mogelijk van de stadsverwarming. Een geslaagde truthful hyperbole omdat het beeld klopte en de illusie compleet was. Een dampende beker noodles, maar dan wel duizend maten te groot.

Trump weet zoals elke reclamejongen dat de moderne mens geconditioneerd is als een consument en dus reageert als een consument. Marketing behandelt de consument als een verwende koning en zorgt voor vermaak. Heeft hij reusachtige dorst? Dan krijgt hij ook een reusachtige fles Coca Cola. Ook al weet iedereen dat die reusachtige fles een uitvergroting is en dus niet bestaat, we reageren er wél op. Zoals ik ook reageerde op het gigantische beker noodles op Times Square. Wow! En nog warm ook!

Amerikanen hebben met het duo consumentisme en big, bigger, biggest een langere geschiedenis als Europeanen. Al in de negentiende eeuw stonden de Verenigde Staten erom bekend dat alles er groter was dan in de oude de wereld. Ook de superhelden die sinds de jaren dertig verschenen zijn hyperbolen. Ze zijn beslist niet geloofwaardig, maar belichamen toch de truthful hyperbole omdat ze opkomen voor de waarheid en voor gerechtigheid. Amerikanen hebben dus een lange traditie met de overdrijving en ze weten dat het werkt. En daarbij komen we bij een typisch Amerikaans fenomeen: het pragmatisme. Het gaat er niet om of het waar is (want wat is waarheid?), maar of het werkt!

Marketing behandelt de consument als een verwende koning en zorgt voor vermaak. Heeft hij reusachtige dorst? Dan krijgt hij ook een reusachtige fles Coca Cola.
One way to help determine the ethical boundaries of hyperbole is to consider the second concern, namely whether the hyperbole (untruth) is harmless or not. Trump is right to claim there can be innocent forms of exaggeration. This can be taken as exaggeration that is morally acceptable and can be used as a basis to distinguish such hyperbole from lying.
 
Bron: blog.talkingphilosophy.com

Natuurlijk is de eerlijke overdrijving geen Amerikaanse uitvinding en ook geen uitvinding van marketeers. Het bestaat al zolang er propaganda is. Iets mooier maken dan het is of iets overdrijven zijn machtige stijlmiddelen in de propaganda. In de traditionele schilderkunst vinden we vele voorbeelden van de truthful hyperbole. Een van de duidelijkste is het beroemde portret van Napoleon door David. Dit is zo over the top (letterlijk!) en David moet het geweten hebben, ook al is het niet waar, het werkt wél!

David
Jacques-Louis David 1801
Napoleon trekt over de Alpen

Bijna een halve eeuw later schilderde zijn landgenoot Paul Delaroche een portret van Napoleon dat de waarheid veel dichter benadert. Napoleon stak namelijk de Sint Bernardpas over op een ezeltje. David moet dat ook geweten hebben. Maar hij wist ook dat Napoleon zichzelf niet zo wilde zien. Dus blies hij zijn opdrachtgever op tot mythische proporties: we zien een steigerende hengst, die door de wereldgeest in bedwang gehouden wordt.

Delaroche
Paul Delaroche 1850
Napoleon trekt over de Alpen

vergeten radicalen [ 4 ]

gelezen: het hoofdstuk J.J.Rousseau in Het verdorven genootschap
De vergeten radicalen van de Verlichting
van Philipp Blom

Het verdorven genootschapAl in de inleiding van Het verdorven genootschap bekent Philipp Blom dat hij een afkeer heeft van Jean-Jacques Rousseau (1712-1778). Dat is begrijpelijk, want Blom is een bewonderaar van Denis Diderot (1713-1784) en het gedachtegoed van deze twee Franse denkers ligt wijd uit elkaar. Oorspronkelijk waren Diderot en Rousseau dik met elkaar bevriend. Blom schrijft daar soms ontroerend over. Ze deelden dezelfde achtergrond en trokken rond hun twintigste naar Parijs. Maar na hun dertigste begonnen ze uit elkaar te groeien. Diderot stelde zich steeds verzoenlijk op maar Rousseau zonk steeds verder weg in een diep wantrouwen. Rond hun vijftigste was de breuk definitief geworden.

Veel tijd voor vriendschappen had Diderot trouwens niet meer want vanaf 1751 zat hij tot over zijn oren in het werk. De Encyclopédie was een enorm ambitieus project en Diderot zou er 25 jaar druk mee zijn. Rousseau was na het verschijnen van Julie (1761), Émile, ou De l’éducation (1762) en Du contrat social (1762) een ster geworden, niet alleen in Frankrijk maar ook daarbuiten. Wellicht is zijn briefroman Julie ou la nouvelle Héloïse het meest gelezen boek van de achttiende eeuw, nog vóór Robinson Crusoe (1719) of Die Leiden des jungen Werthers (1774). De invloed van Rousseau met deze drie boeken was veel groter dan de invloed van Diderot met zijn Encyclopédie.

RousseauToch zou Diderot‘s tijd ook nog komen. Rond 1850 had in Europa het materialisme het idealisme eindelijk “drooggelegd” en was er weer volop belangstelling voor de radicale Verlichting waar Diderot zo’n groot voorstander van was. Hij vond dat de mens alleen op zijn verstand moet afgaan en dat de wetenschap de enige betrouwbare gids is die zijn licht in de duisternis van onwetendheid en bijgeloof werpt. Voor Diderot volgde Rousseau met zijn contra-Verlichting, die uiteindelijk zou uitgroeien tot de Romantiek, een religieuze weg.

Diderot en zijn vrienden van de radicale Verlichting hadden een enorme hekel aan het christendom. Ze zagen Rousseau als een pseudo-christen. Ook al had Rousseau zelf niets meer met het christelijk geloof, zijn tegenstanders irriteerde het dat hij nog steeds in God en in de onsterfelijke ziel geloofde, in hun ogen niets meer dan restanten van het christendom. Voor de radicale Verlichting is de mens enkel materie, een wonderbaarlijke “machine van vlees”, en heeft deze helemaal geen ziel. Als je Wij zijn ons brein gelezen hebt, zal je dat bekend voorkomen.

Voor de radicale Verlichting is de mens enkel materie, een wonderbaarlijke “machine van vlees”, en heeft deze helemaal geen ziel. Iedereen die Wij zijn ons brein gelezen heeft, komt dat bekend voor.

Philipp Blom schrijft mooi, maar zijn vooringenomenheid is hinderlijk en soms lachwekkend. Omdat hij zo dweept met zijn helden Diderot en baron d’Holbach en zo openlijk zijn afkeer van Rousseau etaleert, laat hij de lezer geen ruimte om er het zijne van te denken. Het verdorven genootschap kun je lezen als een pleidooi voor de voltooiing van de Verlichting, die volgens Blom nog altijd gedwarsboomd wordt door de invloedrijke erfenis van Rousseau. Volgens de auteur zou er definitief afgerekend moeten worden met God en de ziel en hij ziet deze als de laatste hardnekkige restanten van het christendom.

Keer op keer beukt hij met zijn sloophamer in op het christelijke geloof, en omdat hij daar een karikatuur van maakt, lijken zijn sloopwerkzaamheden redelijk. De Kerk zou niets anders zijn dan een machtsinstituut dat met sprookjes en angstbeelden het volk onderdrukt. Het is een cliché dat rechtstreeks van de radicale Verlichters komt en dat zich al ruim twee eeuwen in ons bewustzijn genesteld heeft.

Above us only skyNet als bij “Imagine there’s no heaven, It’s easy if you try, No hell below us, Above us only sky” van John Lennon vraag ik mij af in welke tijd Blom meent te leven. De laatste vijftig jaar is het christendom in West-Europa gemarginaliseerd en in een hemel en een hel wordt praktisch niet meer geloofd. We hebben helemaal geen imaginatie nodig om ons voor te stellen dat er geen hemel en hel zijn. Het ontbreekt juist aan verbeeldingskracht en geloof om ons wél voor te stellen dat er ook een “geestelijke topografie” is waarin een hemel en een hel wel degelijk plaatsen zijn. Het materialisme van de radicale Verlichting waar Blom zo hartstochtelijk voor pleit, heeft de weg naar onze hoofden allang gevonden.

Vergeten radicalen 3 | Vergeten radicalen 2 | Vergeten radicalen 1