Baudelaire schreef dat het de machtigste list van de duivel is ons te laten geloven dat hij niet bestaat. Sinds de Verlichting hebben we de duivel samen met heksen en weerwolven verbannen naar het domein van de verbeelding en de gothic novel. In de literatuur en in de film keert de duivel telkens weer terug, maar slechts als zinnebeeld van het Kwaad in de wereld. Alleen dogmatici geloven nog in de duivel als een realiteit en niet als “de mascotte van het Kwaad”. Dat is zo ongeveer de situatie in de 21e eeuw.

Credulity, Superstition, and Fanatism (1762)
onder de prent staat gegraveerd: “Believe not every Spirit, but try the Spirits whether they are of God: because many false Prophets are gone out into the World.” (1 Johannes 4:1)
Philip C. Almond, emeritus hoogleraar Religie aan de Universiteit van Queensland in Australië, schrijft in zijn boek De duivel. Een biografie over Credulity, Superstition, and Fanatism:
uit: De duivel. Een biografie, 2015 (blz. 231)

Op de prent is een jezuïet te zien, verkleed als methodist, die preekt over de tekst 2 Korinthiërs 11:22 – ‘ik spreek als een dwaas’. Onder zijn klerikale gewaad draagt hij een harlekijnspak.

Rechtsonder op de prent staat een soort religieuze thermometer met daarop de schaal van de emotionele staat van het brein (of de hartstochten). Vanuit een nulgraad in het midden gaat er een glijdende schaal omhoog via lust, extase naar waanzin. Het kan in het hart ook vriezen en dan gaat het van verdriet, pijn en wanhoop tenslotte naar zelfmoord.


In Leven na de genadeklap beschrijft Arie de Rover het proces van een christen die opnieuw geboren wordt nadat hij de genade heeft ontdekt. En daarbij schuwt hij de confrontatie niet: “De christelijke wereld hangt van lievigheid aan elkaar, maar echte liefde is ontzettend zwaar. Het vraagt om overgave en vertrouwen; het vraagt om een leven waarin je alle zekerheden uit handen geeft.”












