Categorie archief: religie

Weltgeist zu Pferde

gelezen in Duitse Filosofie 1760-1860 van Terry Pinkard
de systeemfilosofie van Georg Friedrich Wilhelm Hegel

In de geschiedenis van de filosofie is het historische feit al ontelbare malen genoemd. Karl Vorländer is er in zijn Geschichte der Philosophie (1908) kort over. Hij besteedt er slechts één bijzin aan: -in Napoleon hatte er den “Weltgeist zu Pferde” bewundert-. En Joachim Störig schrijft in zijn Kleine Weltgeschichte der Philosophie (1959) : “Hij had Napoleon gezien. “Het is inderdaad een wonderlijke ervaring zulk een individu te zien, dat, hier in één punt geconcentreerd, op een paard zittend, in de wereld ingrijpt en haar beheerst.” Het gaat hier natuurlijk over Georg Friedrich Wilhelm Hegel, de onbetwiste krachtpatser van het Duitse idealisme.

Napoleon trekt over de Alpen
David schilderde Napoleon in 1801 als Wereldgeest te paard. Rond 1850 schilderde Paul Delaroche een minder heldhaftig beeld van Napoleon.

Wereldgeest te paard. Sinds we niet meer kunnen geloven dat God op een ezeltje zijn intocht in Jeruzalem maakte, is er een breuk tussen hemel en aarde, en deze is zo dramatisch dat de hemel nu aan scherven op straat ligt. Het is bijna een nostalgisch plaatje, zo’n wereldgeest te paard. Het hoogste woord dat vlees geworden is, zoals het in die goeie ouwe tijd gewoon nog kon. Hegel’s Weltgeist is in deze tijd eigenlijk niet meer zonder ironie te verstaan. Voor Hegel had zijn “ontmoeting” met Napoleon een religieuze dimensie. In de kleine korporaal op zijn witte paard zag hij werkelijk de Absolute Geest die in en door de wereldgeschiedenis werkzaam is. Hij bewonderde Napoleon ook als zodanig, niet als persoon of om zijn strategische talent, maar omdat volgens hem in Napoleon de Weltgeist zijn uitdrukking had gevonden.

Hegel zou in de jaren twintig van de negentiende eeuw school maken in Berlijn zoals nog nooit een filosoof school had gemaakt, zelfs Kant niet. Hegel’s systeemfilosofie werd de officiële staatsfilosofie van Pruisen. Talloze studenten hebben college van hem gehad. Wanneer je zijn systeem niet volgde, kon je een leerstoel in de filosofie wel vergeten. Dat verklaart ook waarom de eerste druk van Die Welt als Wille und Vorstellung van Arthur Schopenhauer in 1819 op de plank bleef liggen. Er was in Pruisen gewoon geen ruimte voor een andere filosofie dan de filosofie van Hegel. Zeker niet voor de pessimistische filosofie van Schopenhauer. Hegel regeerde vanuit Berlijn als alleenheerser over het Duitse denken. Daarbij speelde de politiek van de Restauratie geen onbelangrijke rol.

Terry PinkardEigenlijk nam de systeemfilosofie van Hegel tijdens de Vormärz dezelfde positie in als het systeem Leibniz-Wolff in de eerste helft van de achttiende eeuw: het rechtvaardigde de staat. Zoals de theodicee van Leibniz (“God heeft de beste wereld van alle mogelijke werelden geschapen.”) in Duitsland de verlichte despoten in het zadel hield, zo steunde de centrale gedachte van het systeem van Hegel (“het werkelijke is redelijk en het redelijke is werkelijk.”) de Restauratie. De staatsfilosoof zag dat het goed was. Pas na de maartrevolutie van 1848 was het met de hegemonie van Hegel aan de Duitse universiteiten gedaan en begon men open te staan voor de pessimistische filosofie van Schopenhauer. Deze was na dertig jaar wachten op erkenning zo verzuurd geraakt, dat hij niet meer van zijn succes heeft kunnen genieten.

Aanvankelijk had de conservatieve Hegel helemaal opengestaan voor de idealen van de Franse Revolutie. Tijdens zijn studietijd in Tübingen deelde hij met zijn vrienden Hölderlin en Schelling de passie voor de oude Grieken en het enthousiasme voor de revolutie. Schelling was een geniale leerling. In 1798 werd hij op 23-jarige leeftijd al hoogleraar in Jena, terwijl de vijf jaar oudere Hegel als privéleraar moest zien rond te komen. Maar de vriendschap bleef bestaan en een paar jaar later kwam ook Hegel naar Jena. Daar werkte hij verder aan een eigen denksysteem. Hegel was een erg diepgravende denker en net als Kant had hij veel tijd nodig om zijn klus te klaren. Maar toen het er eenmaal was, bleek zijn systeem consistenter dan dat van Schelling. Naar eigen zeggen voltooide Hegel zijn magnum opus Phänomenologie des Geistes op 14 oktober 1806, in de nacht vóór de Slag bij Jena. Het leidde tot een breuk met Schelling. Hegel vond dat deze het absolute zag als “die Nacht, worin, wie man zu sagen pflegt, alle Kühe schwarz sind”. In hun studententijd in Tübingen hadden ze nog een vrijheidsboom geplant en hoopten ze op een nieuw tijdperk. In 1806 was voor Hegel niet alleen het einde van de geschiedenis bereikt maar ook het einde van zijn vriendschap met Schelling.

Dichter und Denker
twee eigen interpretaties van de bekende portretten van Hegel en Schelling

Hegel had in de jaren negentig van de achttiende eeuw een aantal theologische verhandelingen geschreven over het Christendom, in het bijzonder over de liefde van Christus. Aanvankelijk zag hij in de liefde van Christus de kracht die alle tegenstellingen verzoent. Maar in Der Geist des Christentums und sein Schiksal (1799/1800) komt hij tot de conclusie dat deze “idee” te eenvoudig en te beperkt is. De liefde heft volgens Hegel de objectiviteit op, omdat er in de liefde geen scheiding meer bestaat. Objectiviteit kan echter alleen bestaan bij gratie van de subjectiviteit. Voor Hegel is objectiviteit noodzakelijk voor zijn systeem. Het lot van het Christendom is om te worden opgeheven. Tot die conclusie komt hij in 1799. Hegel gebruikt hier het Duitse woord ‘aufheben’ in drie betekenissen: beendigung, aufbewahrung, erhöhung. Deze “aufhebung” moet komen van een Aufheber die Hegel zelf meent te zijn. We wisten al dat filosofen die denksystemen bouwen geen bescheiden types zijn.

De Absolute Geest die Hegel in 1806 in Phänomenologie des Geistes presenteert, is niet de Heilige Geest uit het Christendom. Het is een uiterst abstract begrip en het doet op het eerste gezicht vermoeden dat Hegel een monist is, een erfgenaam van Plotinos. Maar Hegel is juist een erfgenaam van Heraklitos. In zijn Logik (1817) schrijft hij dat er geen woord van Heraklitos is dat hij niet in zijn logica heeft opgenomen. In de negentiende eeuw komt er een heuse Heraklitos-revival op gang. Soms spreekt men zelfs van “neoheraklitisme” en je zou zelfs een lijn kunnen trekken van Hegel, via Nietzsche naar Heidegger. Zoals er voor Heraklitos alleen nog “een worden” bestaat, zo is er voor Hegel een dialectische ontwikkeling waarin de tegenstellingen zich uiteindelijk opheffen.

Het grote gebeuren van de werkelijkheid zélf, het wereldgebeuren waaronder Hegel de wereldgeschiedenis verstaat, wordt volgens hem aangedreven door strijd tussen de tegenstellingen. Daarin zijn de twee uitspraken van Heraklitos terug te vinden: “De tegengestelden hebben elkaar nodig zoals de boog en de pees” en “Oorlog is de vader van alle dingen”. De tegenstelling tussen de subjectieve geest (het individu) en de objectieve geest (de wet) lost zich volgens Hegel op in de Absolute Geest. Hegel heeft het Christendom opgeheven en schept nu zelf een nieuwe drie-eenheid: subjectieve geest, objectieve geest en Absolute Geest. In de Absolute Geest plaatst hij vervolgens een hiërarchie die uit drie sferen bestaat: de kunst, de religie en de filosofie. De filosofie overtreft bij Hegel de kunst en de religie. En onder de filosofie verstaat hij natuurlijk zijn eigen filosofie. Denken en zelfgenoegzaamheid gaan soms uitstekend samen en als de staat daar nog bij komt, heb je totalitarisme.

Geen Duits idealisme zonder ethiek [ athenaeum.nl ]

de christofobie van het avondland

vrijdag hield Antoine Bodar zijn afscheidsrede in Tilburg
als hoogleraar Christendom, Cultuur en Media

Antoine BodarNadat ‘s morgens de Commissie Deetman haar eindrapport over seksueel misbruik binnen de katholieke kerk had gepresenteerd, hield Antoine Bodar ‘s middags aan de Universiteit van Tilburg zijn afscheidsrede als hoogleraar Christendom, Cultuur en Media. In navolging van het essay de zelfhaat van het avondland van de toenmalige kardinaal Joseph Ratzinger en nu dus paus Benedictus XVI, richtte Bodar zich in zijn afscheidsrede op het avondland. Europa verkeert opnieuw in een crisis en onheilstijdingen en diagnoses als die van Oswald Spengler razen weer over het continent. Voor Bodar is de onzekere en stormachtige tijd waarin we ons nu bevinden een moment om het anker uit te werpen en weer contact te maken met de grond die onze gedeelde Europese identiteit draagt: het Christendom.

Dierbaar Europa is de titel van zijn afscheidsrede waarin hij het geestelijke aspect van de huidige crisis onder de loep neemt. Als hoogleraar Christendom, Cultuur en Media kijkt hij daarbij vooral ook naar de rol van de media. Hij ziet een toenemende christofobie in de media. In tegenstelling tot islamofobie die in bepaalde opiniërende kringen politiek incorrect is, is christofobie correct.

In tegenstelling tot islamofobie die in bepaalde opiniërende kringen politiek incorrect is,
is christofobie correct.

Atheïsten, ongelovigen en agnosten die het hart vormen van weldenkend Nederland zijn volgens Bodar ‘de telgen van de Europese cultuur’. Maar, zegt hij “Het is als met kinderen jegens hun ouders. Een periode zich tegen hen afzetten kan behoren tot volwassenwording. Maar kinderen, die ook op den duur niet willen weten van hun ouders, zijn niet volwassen geworden.” Hierin sluit hij aan bij het essay van kardinaal Ratzinger/paus Benedictus XVI:

Er bestaat hier een merkwaardige en alleen als pathologisch aan te duiden zelfhaat van het avondland, dat zich weliswaar vol begrip en op prijzenswaardige wijze openstelt voor waarden van buiten, maar van zichzelf een afkeer heeft en van zijn eigen geschiedenis alleen nog maar het gruwelijke en het vernietigende ziet en het grote en reine niet meer kan waarnemen.
 
Bron: Joseph Ratzinger in de zelfhaat van het avondland
Lessing
kruisridder die huiswaarts keert
(schilderij van Carl Friedrich Lessing, 1835)
De kruistochten maken net als de V.O.C. geen deel uit van gedeelde trots maar van gedeelde schaamte. Het omzetten van deze schaamte (over onze ‘ouders’) in een persoonlijk berouw, zou een remedie kunnen zijn tegen zelfhaat.
Het is als met kinderen jegens hun ouders. Een periode zich tegen hen afzetten kan behoren tot volwassenwording. Maar kinderen, die ook op den duur niet willen weten van hun ouders, zijn niet volwassen geworden.

Antoine Bodar in “Dierbaar Europa”

Antoine Bodar moet zich er goed bewust van zijn geweest dat hij zijn afscheidsrede zou uitspreken op de dag waarop de Commissie Deetman haar eindrapport over seksueel misbruik binnen de katholieke kerk zou presenteren. In het slot van Dierbaar Europa wijst hij erop dat het berouw deel moet uitmaken van onze Europese identiteit.

Zich herinneren dat Europa in oorsprong een christelijke cultuur is betekent zich bewust zijn van de bronnen waaruit die is voortgekomen – de Joodse Bijbel, de Griekse wijsbegeerte, het Romeinse recht. Maar het betekent beslist ook de wijze waarop christenen met niet-christenen in Europa zijn omgegaan opdat niet meer kan geschieden wat niet op grond van het christendom maar wel uit naam van het christendom aan slechts, minderwaardigs en erger in het verleden is geschied. Laat het berouw daaromtrent voortaan ook deel uitmaken van de identiteit van dit continent, opdat Europa aan eenieder dierbaar is.
 
Bron: Antoine Bodar in Dierbaar Europa

Dierbaar Europa [ refdag.nl ]

pijnpunten

ik mengde mij in een interreligieuze discussie op internet…

vreedzame coëxistentieOm écht ergens in te kunnen geloven, moet je ervan overtuigd zijn dat het wáár is. Voor het verstand is waarheid een griezelig woord (fundamentalisme!) en is er een reflex om dat te relativeren. De eigen religie zou dan even waar/onwaar moeten zijn als de religie van de ander, ook als deze in het tegendeel gelooft. Deze relativering zou dan van respect voor anderen getuigen. Kritiek op andere religies wordt zo taboe verklaard omdat deze kritiek een uitdrukking van het eigen gelijk zou zijn. Religieus relativisme is een dictaat van de ‘Verlichting’.