De geest van het postmodernisme is een (weg)zapper. Wanneer dé Waarheid (het Grote Verhaal) in beeld komt, zapt het snel weg naar een ander kanaal dat voor het postmodernisme evengoed ‘een verhaal’ is. De geest van het postmodernisme keert zich af van dé Waarheid omdat dé Waarheid voor het postmodernisme heel griezelig is. In sociaal opzicht lijkt dé Waarheid je geen goed te doen. Anderen vinden dan bijvoorbeeld dat je arrogant bent. Je komt in een verkeerde hoek te staan, de hoek van het fundamentalisme, de hoek van kruisridders, nazi’s en moslimterroristen. De waarheidsclaim wordt dus verbonden met misdaden tegen de mens(elijk)heid. Daarom kun je beter uit de buurt van de waarheidsclaim blijven.
Het relativisme is als houding veel aantrekkelijker omdat je dan jezelf nooit op iets vast hoeft te leggen. Je blijft als het ware ‘vloeibaar’ en dat maakt je ook ongrijpbaar. Dat lijkt een goede strategie, want bij een eventuele tegenstander lijk je zo geen coördinaten meer te hebben. Het boeddhisme is als levensbeschouwing ook aantrekkelijk. Relativisme en boeddhisme ontkennen beiden dé Waarheid. Daarom verbindt het postmodernisme zich graag met relativisme en boeddhisme. Het zijn ‘veilige’ posities omdat ze uit de buurt blijven van de waarheidsclaim. Toch claimen ze impliciet toch ook dé Waarheid, namelijk: “dé Waarheid bestaat niet.” Dat is dus het ‘fundament’ van het postmodernisme. Toch wordt déze waarheidsclaim wéll veilig gevonden.
De imperatief van het postmodernisme is ‘niet-vastleggen’ of ‘loslaten’. Als je écht (be)vrij(d) wilt worden, moet je loslaten. Ook voor het boeddhisme geldt dit. In het christelijk geloof is het anders: als je (be)vrij(d) wilt worden, heb je een bevrijder nodig. Want als je écht in doodsnood bent, kun je jezelf niet (meer) bevrijden. Zou de drenkeling die de leeflijn krijgt toegeworpen niet vastgrijpen? Het christelijk geloof vraagt dus juist om persoonlijke hechting, niet om abstracte onthechting. Toch spreekt de Bevrijder ook over loslaten : Hij zegt: “Wie zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven wil verliezen omwille van Mij, zal het behouden.”
Boeddha en Christus spreken allebei over onthechting, loslaten, bevrijding en verlossing van het ego en de begeerten. Maar de Weg die zij aanbieden is totaal verschillend: Christus zegt dat we het Leven zullen behouden in Hém wanneer we ons eigen ik loslaten. En Boeddha zegt dat als we ons op eigen kracht onthechten van gedachtenconstructies (die uit het ego voortkomen) dat we na een lange reeks van levens in het eeuwige niet-Leven (nirvana) uitdoven.

Novalis (1772-1801) en veel romantici verlangden terug naar de verloren eenheid van het Middeleeuwse Europa. Ruim tweehonderd jaar later lijkt deze tekst van een andere planeet te komen. Maar we mogen niet vergeten dat Novalis zijn essay schreef in 1799 en dat Europa toen geconfronteerd werd met de opmars van Napoleon. De Eerste Consul vertegenwoordigde de expansieve kracht van de seculiere geest, die het oude en christelijke Europa wilde vervangen door een seculiere eenheidsstaat. Een jaar voordat Die Christenheit oder Europa geschreven werd, was Rome door Napoleon gebrandschat en deze had vervolgens het hoofd van de christenheid, paus Pius VI gevangen laten nemen. Deze stierf in 1799 in gevangenschap en zo was het katholieke Europa door toedoen van Napoleon onthoofd. Nu de geest van de secularisatie allang uit de fles is en wij verwereldlijkte en onttoverde zielen zijn geworden, die ‘consumenten’ heten, zouden we Novalis‘ idealisering voor een deel weer serieus kunnen nemen.
Aemsig suchte, diese mächtige friedenstiftende Gesellschaft, alle Menschen dieses schönen Glaubens theilhaftig zu machen und sandte ihre Genossen, in alle Welttheile, um überall das Evangelium des Lebens zu verkündigen, und das Himmelreich zum einzigen Reiche auf dieser Welt zu machen. Mit Recht widersetzte sich das weise Oberhaupt der Kirche, frechen Ausbildungen menschlicher Anlagen auf Kosten des heiligen Sinns, und unzeitigen gefährlichen Entdeckungen, im Gebiete des Wissens. So wehrte er den kühnen Denkern öffentlich zu behaupten, daß die Erde ein unbedeutender Wandelstern sey, denn er wußte wohl, daß die Menschen mit der Achtung für ihren Wohnsitz und ihr irdisches Vaterland, auch die Achtung vor der himmlischen Heimath und ihrem Geschlecht verlieren, und das eingeschränkte Wissen dem unendlichen Glauben vorziehn und sich gewöhnen würden alles Große und Wunderwürdige zu verachten, und als todte Gesetzwirkung zu betrachten. An seinem Hofe versammelten sich alle klugen und ehrwürdigen Menschen aus Europa. Alle Schätze flossen dahin, das zerstörte Jerusalem hatte sich gerächt, und Rom selbst war Jerusalem, die heilige Residenz der göttlichen Regierung auf Erden geworden. Fürsten legten ihre Streitigkeiten dem Vater der Christenheit vor, willig ihm ihre Kronen und ihre Herrlichkeit zu Füßen, ja sie achteten es sich zum Ruhm, als Mitglieder dieser hohen Zunft, den Abend ihres Lebens in göttlichen Betrachtungen zwischen einsamen Klostermauern zu beschließen. Wie wohlthätig, wie angemessen, der innern Natur der Menschen, diese Regierung, diese Einrichtung war, zeigte das gewaltige Emporstreben, aller andern menschlichen Kräfte, die harmonische Entwicklung aller Anlagen; die ungeheure Höhe, die einzelne Menschen in allen Fächern der Wissenschaften des Lebens und der Künste erreichten und der überall blühende Handelsverkehr mit geistigen und irdischen Waaren, in dem Umkreis von Europa und bis in das fernste Indien hinaus.












