Categorie archief: religie

Het rijke Roomsche leven

gisteren met Patrick bezocht: kloosterdorp Steyl bij Tegelen

Op weg in SteylOp de veerweg bij Baarlo kwamen we veel fietsers tegen. In de zon was het twintig graden wat voor een dag in februari uitzonderlijk is. Bij de Maas gekomen stond een groep ouderen op de fiets te wachten om met het veer over te steken naar Steyl. We sloten ons bij hen aan. Aan de overkant verrees de dubbele torenfaçade van de Sint Michael, de kloosterkerk van Steyl, veilig opgeborgen in de vleugels van het Missiehuis. Dit is het hart van Steyl, gebouwd in het laatste kwart van de negentiende eeuw onder de bezielende leiding van Arnold Janssen (1837-1909). Patrick, in 1962 geboren in Tegelen op een steenworp afstand van Steyl, was mijn gids. Als kind heeft hij nog net iets kunnen proeven van het rijke Roomsche leven in Steyl. Door toedoen van het Tweede Vaticaanse Concilie maar in de eerste plaats door de oprukkende moderniteit, zou het rijke Roomsche leven na 1965 geleidelijk opdrogen en als cultureel erfgoed voortleven.

Steyl is nu een soort openluchtmuseum en op een zeer vroege voorjaarsdag als gisteren een ontluikende lusthof. Patrick leidde mij rond: eerst langs de drukkerij en het ketelhuis. De gemeenschap was ooit geheel zelfvoorzienend. In het ketelhuis werd de energie voor de communiteit opgewekt. Het benodigde water werd geleverd door de op kleine afstand liggende watertoren. Van het ketelhuis liepen we om de Heilig Hartheuvel langs een pad dat zich omhoog slingert naar het Heilig Hartbeeld. Van hieruit heb je een fraai uitzicht op de bosrijke omgeving waar het ketelhuis aan grenst. Het Heilige Geestklooster en het Heilig Hartklooster ten noorden van het ketelhuis lieten we even links liggen en nestelden ons in het prieeltje in het heuvelachtige park. Arnold Janssen trok zich graag op deze plek terug om in de stilte van de natuur de correspondentie van missionarissen en misszusters van over de hele wereld te lezen.

Er ontwikkelde zich een mooi gesprek, o.a. over de vraag of er binnen het geloof ruimte voor nostalgie mag zijn. Nostalgie wordt meestal te snel afgedaan als een improductief verlangen naar iets dat voorbij is en nooit meer terugkomt. En staat er in het Evangelie niet “Wie de hand aan de ploeg slaat, maar omziet naar wat achter hem ligt, is ongeschikt voor het Rijk van God” Het rijke Roomsche leven hier op Steyl is definitief voorbij. Dat kan weemoedig stemmen. We leven nu in een tamelijk cynische tijd waar mooie herinneringen aan het katholicisme uit de jaren vijftig onder druk van de kennis van nu (lees: misbruikschandalen in de katholieke kerk) vaak niet eens meer de kans krijgen om op te bloeien. Misschien moeten we erkennen dat het rijke Roomsche leven een mythe is die later gecreëerd is? Een nostalgisch vehikel?

Maar toch.

De rijkdom van het Roomsche leven is zeker geen illusie. Op Steyl kun je nog proeven hoe men vroeger leefde met het Evangelie. De parkachtige omgeving is helemaal ingericht op gebed. Er zijn drie grotten waarin de gelovige zich kan terugtrekken en mediteren. We namen een kijkje in de Olijfberggrot waar de Bijbelse vertelling over de Hof van Getsemane met beelden is geënsceneerd. Het is katholiek theater. Als voormalige protestantse jongen maar zeker ook als orthodox christen heb ik weinig op met al die gipsen theatereffecten die de gelovige kippenvel moeten bezorgen. Maar als het geloof maar doordringt tot het diepe hart, dan mag het daarbij best ook een prikkel geven die zich even aan de huid hecht. We zijn nu eenmaal ook emotionele wezens.

kaart van Steyl
overzichtskaartje van Steyl aan de Maas
[uit: "Op weg in Steyl. Spirituele speurtocht".]

kloosterdorpsteyl.nl | Steyl [ nl.wikipedia.org ]

een gelovig wetenschapper

Op 5 december a.s. verschijnt bij de Deutsche Post een herdenkingspostzegel
t.g.v. de 250e geboortedag van Friedrich Schleiermacher

Veel uit de periode 1750-1850 heeft mijn bijzondere aandacht. Dat geldt zeker ook voor de theologie uit dit tijdvak. Na 1750 begon de wetenschap steeds grotere invloed uit te oefenen op het denken over mens en wereld. Natuurlijk werkte dit ook uit op het christelijke geloof. Friedrich Schleiermacher is een van de bekendste en invloedrijke theologen uit het begin van de negentiende eeuw. Daarom wordt hij wel eens de ‘de kerkvader van de 19de eeuw‘ genoemd. Hij leefde in een tijd dat de wetenschap de geloofswaarheden uit de Bijbel begon te ondermijnen. Deze ontwikkeling was tijdens de Verlichting al op gang gekomen en zette in de negentiende eeuw definitief door.

Schleiermacher Briefmarke
postzegel t.g.v. de 250e geboortedag van Friedrich Schleiermacher

Zo ontstonden er allerlei wetenschappen die de kennis op grond van de Bijbel in twijfel gingen trekken. De geologie kwam bijvoorbeeld op ramkoers te liggen met het Scheppingsverhaal. De Ierse bisschop James Ussher berekende in de zeventiende eeuw op grond van het scheppingsverhaal in Genesis dat de aarde op 22 oktober 4004 voor Christus moest zijn geschapen. De wetenschap kwam tot heel andere berekeningen. In de eerste dertig jaar van de negentiende eeuw werd de natuurlijke historie met miljoenen jaren opgerekt en ontstonden de namen van de geologische tijdvakken. Het rijtje Trias, Jura, Krijt klinkt de meeste scholieren nu bekender in de oren dan het rijtje Leviticus, Numeri, Deuteronomium. Wat Schleiermacher in zijn tijd meemaakte was een verschuiving van het christelijke, theocentrische wereldbeeld naar een wetenschappelijk, postchristelijk wereldbeeld. Op deze verschuiving, die natuurlijk ook een confrontatie was, reageerde Schleiermacher met zijn theologische geschriften. Zijn bekendste is Über die Religion. Reden an die Gebildeten unter ihren Verächtern uit 1799.

Schleiermacher worstelde met de in zijn tijd dringende vraag naar de verhouding tussen wetenschap en geloof, tussen de kennis van het hoofd en kennis van het hart. Hij vroeg zich af of het wel mogelijk is om tegelijkertijd een goed christen te zijn en een modern denkende wetenschapper, een vraag, die begrijpelijk is voor wie zijn levensgeschiedenis kent.
 
Bron: koinonia.kerkwinkel.eu

Boekenwijsheid

gelezen in Les Misérables (1862) van Victor Hugo

Les MisérablesIn de twintigste eeuw begint het woord God uit de literatuur te verdwijnen. Een zin als “God had gewild, dat Cossette een liefde leren kennen, die haar redde.” zul je in de literatuur na 1945 niet meer zo snel tegenkomen. Of het moet in een streekroman zijn. Maar streekromans worden niet tot de literatuur gerekend en dus ook niet zo serieus genomen.

Bij de literaire reuzen uit de negentiende eeuw, zoals Dostojewsky, Tolstoi en Hugo, hoort God er nog helemaal bij. Ik hou van romans met levensbeschouwelijke overdenkingen en uitspraken die mijn leven verdiepen en die niet met een wijde boog om God heenlopen. Natuurlijk kunnen schrijvers die met aforismen strooien zoals standup comedians met harde grappen, pedant overkomen. Maar bij Hugo heb ik dat niet, ook al is hij een van de kampioenen van het aforisme in de Franse literatuur van de negentiende eeuw. Google maar eens op ‘Victor Hugo quotes’

La pensée est le labeur de l’intelligence, la rêverie
en est la volupté.

uit: Les Misérables

Voor mij zijn Hugo‘s aforismen vaak snoepjes die je onderweg van hem krijgt en waar je lang mee kunt doen. Gisteren las ik in het vierde deel van Les Misérables deze: “De gedachte is het werk van het brein, de droom is het genot ervan. Wie het denken nalaat ter wille van het dromen, neemt een vergif in plaats van voedsel.”(La pensée est le labeur de l’intelligence, la rêverie en est la volupté. Remplacer la pensée par la rêverie, c’est confondre un poison avec une nourriture)

Daar kan ik dan heerlijk over mijmeren. “De fijne uurtjes van de geest” noemde Schopenhauer dat en hij verkoos het in zijn jonge jaren boven de leut in de kroeg. Natuurlijk moet je er wel voor waken dat het mijmeren en reflecteren weer geen dromen wordt. De ‘aformismejunk‘ die in wijsheden vlucht maar de praktijk schuwt, mist uiteindelijk het belangrijkste: de levende ervaring. Het inzicht dat het aforisme of de wijsheid voortbrengt, is als een flits, een heldere ervaring ondanks onszelf. Hugo zal deze ogenblikken vaak beleefd hebben.

Aimer une autre personne,
c’est voir le visage de Dieu.

uit: Les Misérables