Categorie archief: religie

universele moraal

Moreel Esperanto van Paul Cliteur

CliteurDeze week verschijnt Moreel Esperanto van Paul Cliteur een van de grootste pleitbezorgers van de Verlichting in Nederland. Als verklaard tegenstander van de rol van religie in de publieke sfeer zou hij het liefst de religie een spuitje willen geven en zacht laten inslapen. Met het heilige en universele huis van de Verlichting zou dan een nieuw tijdperk op aarde aanbreken. Zijn nieuwste boek gaat over een universele moraal en daarin deelt hij de missie van Hans Küng die al jaren bezig is een universele ethiek te ontwikkelen in de geest van de de Verklaring van de Universele Rechten van de Mens.

BolkesteinFrits Bolkestein stelt in Opinio dat Cliteur de religie aanvalt en ik ben het met Bolkestein eens. Zoveel godsdiensten, zoveel voorschriften, regels en visies op de moraal. Maar er is maar één Verlichting die zijn waarheidsclaim in de God van de Rede heeft gefundeerd. Nee, laten we totalitarisme maar ver achter ons houden, hoe redelijk het zich ook aan ons presenteert. Wanneer er één universele moraal en één universele wet komt, is de nieuwe wereldorde (lees: globale politiestaat) nabij.

Het is een verwarrende tijd. Zelden tevoren botsten religieus gefundeerde morele oordelen zo hard op niet-religieus gefundeerde oordelen. Maar daartoe blijft de tegenstelling niet beperkt. Er bestaat bij alle commentatoren ook een groot verschil van inzicht over de vraag hoe men hiermee zou moeten omgaan. Moeten we religieus geweld beantwoorden met een oproep tot „dialoog„? Zou het helpen als we „matiging van kritiek„ op godsdiensten betrachten? Is „het Westen„ arrogant en zou een nederiger houding de sleutel zijn tot een beter wederzijds begrip? Dat lijkt voor de hand te liggen, want in de berichten die ons vanuit de hoek van religieuze terroristen bereiken, komt telkens weer terug dat men zich vernederd voelt. Of zou een dergelijke reactie juist contraproductief werken?
 
Zou het bekennen van schuld (ook wanneer men zelf van die schuld niet overtuigd is) de gevoelens van afkeer juist versterken? Zouden radicalen dan zeggen: „Zie je wel, ze geven het zelf toe, we zijn vernederd en we strijden voor een rechtvaardige zaak„? Moeten we misschien juist een krachtig pleidooi houden voor universele waarden als de vrijheid van meningsuiting en het verbod op eigenrichting?
 
moreel esperantoEn wreekt zich nu misschien dat we daartoe veel te laat zijn overgegaan en de zaak al veel te lang op zijn beloop hebben gelaten? Zelden lijken elementaire waarden als vrijheid van godsdienst, vrijheid van meningsuiting, het verbod op het gebruik van geweld bij meningsverschillen zo sterk onder druk te hebben gestaan als tegenwoordig. Kunnen mensen die heilig geloven in hun religie vreedzaam samenleven met mensen die een andere religie aanhangen of zelfs helemaal geen religie? En zo ja, hoe? Dat religie een bindende factor kan zijn voor de leden van een bepaalde groep, is bekend.5 Maar dat religie ook een factor van twist en strijd kan zijn tússen de groepen, wordt minder vaak belicht.
 
Bron: Paul Cliteur in het voorwoord van Moreel Esperanto [PDF]

weltethos.org

overgave

Gelezen: jezelf aanvaarden, durven leven vanuit het geloof
door Romano Guardini
Ik moet het ermee eens zijn
te leven binnen de beperkingen
die mij gesteld zijn

Weer eens gelezen in het mooie essay van Romano Guardini waarover ik twee jaar geleden hier al iets schreef.

GuardiniDe daad van zelfaanvaarding is de wortel van alle dingen. Ik moet het ermee eens zijn de persoon te zijn die ik ben. Ik moet het ermee eens zijn dat ik de eigenschappen heb, die ik heb. Ik moet het ermee eens zijn te leven binnen de beperkingen die mij gesteld zijn. De klaarheid en de moed van deze aanvaarding is de grondslag van het hele bestaan.

Romano Guardini (1885-1968)
is een existentieel theoloog: zijn levensloop is sterk verbonden met zijn theologisch denken. Guardini is een gepassioneerd denker, geen „kamertheoloog„ die een groots systeem uitbouwt. Zijn theologie vertrekt uit het concrete leven. Hij wil de wereld, de waarheidservaring als uitgangspunt nemen. Elke theologische verhandeling is voor hem resultaat van een affectief proces. Biddend theologiserend maakt hijzelf een worsteling met de materie, en door deze worsteling komt hij tot een inzicht, tot een standpunt. Theologie raakt heel zijn wezen. Zijn denken heeft daardoor iets visionairs: hij heeft het gevaar dat de mens bedreigt, gezien, en wil hem redden. Zowel zijn kenleer als zijn theologie zijn doordrongen van het besef dat het geloof een overgave is aan God, en in deze zin ten diepste toe een sprong, die niet rationeel verhelderd kan worden. Overgave is het sleutelwoord. Zijn theologie is veel meer spiritualiteit dan exacte theologie. Weten, handelen en bidden, gaan voor hem samen.

GuardiniGuardini’s voornaamste zorg is hoe de christen zijn bestaan moet beleven in de wereld van vandaag, die gekenmerkt wordt door wetenschap en techniek, en dus door een zeer sterk gegroeide macht van de mens over anderen en over zijn wereld. Gedurende heel zijn theologische werk worstelt Guardini voortdurend met de vraag hoe de christen zich moet gedragen in een dergelijke wereld. Hij vraagt zich af hoe het christelijke bestaan in de diepe zin van het woord zich verhoudt tot een wereld die steeds minder God centraal stelt, en steeds meer de wereld en de mens.

Het antwoord op deze vragen zal hem leiden tot een bepaalde visie op de geschiedenis, een methode om de wereld te begrijpen vanuit theologisch perspectief en tevens tot een krachtige waarschuwing aan de mensen van deze wereld, in het bijzonder de christenen. Guardini is een denker die vanuit een theologisch perspectief de moderne wereld beschouwt, om van daaruit de christen op te roepen deze wereld Godwaardig te houden en daardoor tevens menswaardig. Deze veelomvattende taak ziet hij zonder meer als zijn theologische roeping.

Bron: wikipedia

Boeken van Guardini bij Matthias Grünewald Verlag | Romano Guardini im Internet

van persoon tot individu [ 2 ]

gelezen: Jan Oegema over Meister Eckhart

Dit weekend verscheen in de zaterdagbijlage Letter & Geest van Trouw een tweede artikel van Jan Oegema over Meister Eckhart. Op de zingevingsmarkt is mystiek op dit moment razend populair en ook voor Meister Eckhart is de belangstelling gestaag groeiende. Oegema noemt hem in de introductie stijgen naar het ongewone samen met Eckhart Tolle, net als Anselm Grün een schrijver van bestsellers:

Meister Eckhart lijkt alleen al door zijn naam verwant te zijn met Eckhart Tolle, ook een Duitser, ook een mysticus, maar dan uit de 20ste eeuw en goed voor grote oplagen. Beiden spreken over loslaten van het ik, afgescheidenheid, ledigheid van gemoed. Beiden zouden deze zin kunnen schrijven: „Ledig is een gemoed wanneer het door niets in de war wordt gebracht en aan niets is gebonden, wanneer het niet door bepaalde emoties wordt vertroebeld en in geen enkel opzicht met zichzelf bezig is.“ Maar de volgende zin kan alleen van de Meister zijn:
„Wanneer de afgescheidenheid haar hoogste graad heeft bereikt, wordt zij door te kennen kennisloos en door liefde liefdeloos en door licht duister.“

Bij Eckhart Tolle is weinig duister, bij Meister Eckhart heel veel. Daarom verkoopt de uitgever van de eerste honderdduizend boeken per jaar, de uitgever van de tweede slechts duizend – als hij geluk heeft. Ik zou liever zien dat het andersom was, ik zou het de Meister graag gunnen.

Juan de la CruzMeister Eckhart toont op dit punt duidelijk verwantschap met de Spaanse mysticus Juan de la Cruz, die met zijn mystieke gedicht Noche Oscura del Alma (donkere nacht van de ziel) de duisternis benadrukt. Uiteraard komen we de duisternis tegen wanneer we een geestelijk leven willen gaan leiden, maar Juan de la Cruz en Meister Eckhart gaan veel verder: ze zien de duisternis als een wezenlijk kenmerk van God. Wanneer we het begin van het Johannesevangelie erbij pakken, lezen we het volgende:

Evangelie naar Johannes 1 : 4-13
In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen; en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen. Er trad een mens op, van God gezonden, wiens naam was Johannes; deze kwam als getuige om van het licht te getuigen, opdat allen door hem geloven zouden. Hij was het licht niet, maar was om te getuigen van het licht. Het waarachtige licht, dat ieder mens verlicht, was komende in de wereld. Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem geworden, en de wereld heeft Hem niet gekend. Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen. Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in zijn naam geloven; die niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, doch uit God geboren zijn.

Hoe komt het dat een mysticus als Meister Eckhart die volgens Oegema ‘verknocht is aan het christendom’ tot een ervaring van God komt die haaks staat op wat de evangelist Johannes schrijft? Voor een mysticus uit de oosterse traditie van het christendom zoals Simeon de Nieuwe Theoloog zou een dergelijke uitspraak ondenkbaar zijn. Niet alleen de polariteit licht-duisternis wordt door Meister Eckhart als een oosters yin-yangprincipe gehanteerd, ook de polariteit: volheid-leegte.

“De meesters leren, God is een wezen, een intelligent wezen en herkent alle dingen. Ik zeg echter: God is géén wezen, hij is niet intelligent, noch herkent hij dit of dat. Daarom is God leeg van alle dingen. Daarom is het nodig dat de mens er naar streeft van het werken Gods niets te weten noch te herkennen.”
(Bron: Meister Eckhart in Warum wir sogar Gottes ledig werden sollen.)

Een uitspraak als deze doet denken aan een oosterse wijsheid en lijkt een peilloze diepzinnigheid te bezitten. Maar als we deze ervaring toetsen aan het Evangelie en de traditie is deze gewoon onwaar. Het punt is nu dat deze toets steeds meer als (negatief!) fundamentalisme wordt beschouwd. De ‘vrije’ individuele ervaring lijkt nog de enige toets die OK is. Het individu zoekt boven alles zijn eigen-zinnigheid, zichZelf, onafhankelijkheid, orginaliteit en zijn eigen-wijsheid. Oosterse eenheidsmystiek, gnosis en Eckhart sluiten hier naadloos op aan. Dat de kerkelijke leer hier niet in meegaat, wordt vaak als een bevestiging gezien dat het individu gelijk heeft en het instituut zich daartegen verzet. Uit angst voor machtsverlies zou de Kerk daarom inzichten van mystici afwijzen. De tegenstelling instituut-individu (meestal geinterpretteerd als verdrukker-onderdrukte) is een hardnekkig denkbeeld, maar in het geestelijk leven bestaat deze tegenstelling niet. De mens is juist een persoon, in de eerste plaats afhankelijk van Zijn Schepper en geroepen om voor altijd in een relatie met Hem te leven. De oosterse mystiek en gnosis gaan er juist vanuit dat de mens ondeelbaar (individuum) is en in wezen Zélf God is en bij zijn bestemming komt als hij volledig ontwaakt. Oosterse mystiek en gnosis spreken daarom bij voorkeur over het onpersoonlijke leven, over ‘het’ goddelijke, over ‘onzijdig’ bewustzijn en verwerpen God als Persoon.

Meister Eckhart leefde in een tijd (eind 12e , begin 13e eeuw) waarin de theologie in het westen intellectueel geworden was. Het vertrekpunt in de omgang met God had zich verplaatst van het hart naar het hoofd. Er werd heel diep nagedacht en wat Meister Eckhart doet, lijkt op het kraken van een zen-koan. Het lijkt diepzinnig als hij over God spreekt in termen van duisternis en leegte, maar zijn uitspraken getuigen niet meer van een levende omgang met God Die Persoon is. Het is ook niet voor niets dat bij Eckhart God zijn gezicht verliest. Voor het individu betekent dit het begin van zijn ‘verlichting’, maar voor de persoon betekent dit zijn dood.

De vaders van de Orthodoxe Kerk benadrukken de apofatische kennis van God. We kunnen God kennen door wat Hij allemaal niet is. Het lijkt op negatieve theologie avant la lettre. Maar in de Orthodoxie verzelfstandigt de apofatische kennis zich nooit maar blijft ze steeds verbonden met de levende ervaring met God. Daarom schrijft de evangelist Johannes (die ook wel Johannes de Theoloog wordt genoemd) in zijn eerste Brief :

Johannes de TheoloogEerste Brief van Johannes 1: 5-7
En dit is de verkondiging, die wij van Hem gehoord hebben en u verkondigen: God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis. Indien wij zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben en in de duisternis wandelen, dan liegen wij en doen de waarheid niet; maar indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkander; en het bloed van Jezus, zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.
God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis