Categorie archief: schilderkunst

knallen met kleur

tentoonstelling Munch, Matisse und die Expressionisten
Museum Folkwang in Essen tot 13 januari 2013

Im FarbenrauschGelijktijdig met de tentoonstelling Mission Moderne in het Wallraf Museum in Keulen, loopt in Museum Folkwang in Essen de tentoonstelling Im Farbenrausch. Beide schilderijententoonstellingen nemen ons terug naar een van de opwindendste perioden uit de kunstgeschiedenis, het begin van de twintigste eeuw. Tussen 1900 en 1914 tuimelden de stromingen over elkaar heen. Na de vernieuwende tendensen in de schilderkunst van de impressionisten, Van Gogh en Cézanne ging het richtig los met de modernen.

De Amerikaanse kunsthistoricus Arthur C. Danto stelt dat je drie verschillende modellen op de kunst(geschiedenis) kunt loslaten. Het eerste model noemt hij het representatiemodel. Hierin draait alles om mimesis, de nabootsing van de werkelijkheid. Sinds de Renaissance ontwikkelt de kunst, met name de schilderkunst, zich langs dit model: de één op één relatie tussen kunst en werkelijkheid. Deze relatie is nog niet problematisch.

In de negentiende eeuw verandert dit. Met de komst van de fotografie lijkt dit model voor de schilderkunst achterhaald. Het licht “schrijft” beelden waar schilders een puntje aan kunnen zuigen. Maar het zijn wéll objectieve beelden. Foto’s zijn momentopnamen die een mechanische weg hebben afgelegd. Een foto is met veel meer afstand door ogen, hart en handen gegaan dan een schilderij. Op het vlak van het subjectieve en menselijke blijkt de fotografie toch niet meer te kunnen dan de schilderkunst. Aan het einde van de negentiende eeuw spitst de avant garde van de schilderkunst zich tegenover de concurrerende fotografie toe op haar sterkste punt: de expressie.

Aan het einde van de negentiende eeuw spitst de avant garde van de schilderkunst zich tegenover de concurrerende fotografie toe op haar sterkste punt: de expressie.

Hier zien we het tweede model van Arthur C. Danto: het expressiemodel. Vincent Van Gogh is een schoolvoorbeeld van een schilder die ons in één keer laat zien wat schilderkunst beter kan dan fotografie: uitdrukking geven aan het temperament van de kunstenaar, de uitvergroting van het subjectieve. Van Gogh staat in 1890 aan het begin van het expressionisme. Rond 1900 barst het los en toont de schilderkunst haar nieuwe wapen in strijd met de fotografie. Daarmee laat de schilderkunst het representatiemodel achter zich. Er volgen explosies van kleur en primitieve maar krachtige vormen. En de verf wordt rechtstreeks uit de tube op het doek geknald.

La desserte rouge
Henri Matisse La desserte rouge, 1908

De expressionisten, in het bijzonder degenen die zich “de wilden” (les fauves) noemden, brachten met hun kleurgebruik bij onze voorouders een schok teweeg. Dat is voor ons lastig voor te stellen want wij worden omringd door een wereld vol felle kleuren. Overal in de stad, op de snelweg, op internet en in de kranten en tijdschriften schallen signaalkleuren. Met een flets kleurtje verkoop je nu eenmaal geen producten. Zoals de marktkoopman schreeuwt, zo “schreeuwen” ook de kleuren en maken ons tot op zekere hoogte “doof”.

Maar aan het einde van de negentiende eeuw zat men nog half in het gekleurde grijs van de Haagse School. In deze atmosfeer van een druilerige novemberdag schetterde het expressionisme. Impressionisten hadden het licht herontdekt als heldere kleuren. Fauvisten en expressionisten maakten er een uitbarsting van.

Im Farbenrausch
Das Museum Folkwang widmet einem der spannendsten Kapitel der Kunst des frühen 20. Jahrhunderts eine einzigartige Ausstellung. Sie stellt erstmals die Fauves,
die sogenannten Wilden in der französischen Kunst – Henri Matisse, André Derain, Maurice de Vlaminck –, den Norweger Edvard Munch und die jungen deutschen und russischen Expressionisten wie Ernst Ludwig Kirchner, Erich Heckel, Alexej von Jawlensky, Wassily Kandinsky, Gabriele Münter und Franz Marc einander gegenüber. Die Fauves vollzogen eine grundlegende Neuerung, sie definierten in ihren Bildern das Verhältnis zwischen Natur und Kunst neu und ließen den Bildraum aus dem kraftvollen Zusammenwirken der Farben entstehen.
 
Bron: folkwang-im-farbenrausch.de

Im Farbenrausch [ folkwang-im-farbenrausch.de ]

volg de meester [ 24 ]

kopie naar Cornelis Kruseman (1797-1857)

Ik besloot nog een portret van Cornelis Kruseman (1797-1857) te kopiëren. Hij schilderde portretten in een Italianiserende, romantische stijl. Deze komen 200 jaar later kunstmatig en popperig op ons over. Kruseman was geschoold in het classicisme en dat hield stevig vast aan het klassieke ideaal van de bella figura. Door zijn geïdealiseerde, bevallige taferelen en weergaloze techniek werd hij in ons land De Raphael van het Noorden genoemd. Lang heb ik met een wijde boog om schilders van het type Kruseman heengelopen. Te behaagziek, te glad geschilderd, vals en sentimenteel. Met een dat oordeel kon ik nog veel meer negentiende eeuwse academische schilderkunst afbranden. Maar ik ben er anders naar gaan kijken.

Cornelis Kruseman
Rudolphina Wilhelmina Elizabeth de Sturler (detail) de echtgenote van Johannes van den Bosch door Cornelis Kruseman ca. 1828

In onze tijd is een sterk verlangen naar het authentieke en persoonlijke. We zijn meer geïnteresseerd in wie we zijn en minder in wie we willen zijn. Een schilder als Kruseman maakte van iedere barones of gravin een Griekse godin. Je ziet in al zijn portretten hetzelfde classicistische masker. Daar heeft hij dan wat persoonlijke kenmerken aan opgehangen. Deze visie gaat natuurlijk ten koste van het authentieke, het persoonlijke, het realistische, het echte. Daar komt nog eens bij dat Kruseman´s olieverfportretten zo gepolijst en poederig geschilderd zijn, dat het wel pastels lijken. Verfstreken zijn met een zachte kwast onzichtbaar weggewerkt. De rauwheid van het materiaal is uitgebannen.

Het classicistische portret lijkt in zijn gladde uitwerking haaks te staan op het ideaal van onze tijd. Of toch niet? Zijn de gephotoshopte models op de glossies niet de Krusemans van deze tijd? Ook hier zien we vrouwen, die eruit zien als onsterfelijke godinnen met een volmaakte huid waar de tand des tijds geen vat op lijkt te hebben.

Cornelis Kruseman
olieverf op donkergroene ondergrond

Cornelis Kruseman – De Raphael van het Noorden was in de eerste helft van de negentiende eeuw een beroemd kunstenaar. Zijn genreschilderijen, portretten, religieuze werken en historische voorstellingen oogstten in zijn tijd zowel bewondering als kritiek. Verzamelaars uit de hoogste (hof)kringen kochten zijn werk en hij verkreeg diverse opdrachten variërend van religieuze voorstellingen tot statige portretten. (Bron: website.rkd.n)

volg de meester [ 1-24] | van oude meesters en dingen die niet voorbijgaan

volg de meester [ 23 ]

vanmiddag een kopie geschilderd naar Cornelis Kruseman

De Nederlandse 19e eeuwse Italianisant Cornelis Kruseman (1797-1857) was opgeleid en gevormd in de traditie van het classicisme. Het ideaal van het classicisme is: edele eenvoud en stille grootsheid. Daar past geen picturaal vuurwerk bij. De penseelstreek wordt met een brede en zachte kwast glad gedast zodat de sporen van menselijke activiteit zijn uitgewist. Op deze manier schilder je gepolijste portretten waarbij de huid soms meer aan porselein dan aan vlees doet denken. Het is niet bepaald mijn stijl, maar door een glad geschilderd portret te kopiëren, leer ik wel nauwkeuriger te kijken naar plasticiteit. Olieverf is een fantastisch materiaal om subtiele overgangen in vloeiende partijen van koele en warme tonen te imiteren.

kopie van Cornelis Kruseman
kopie naar Cornelis Kruseman ca. 1829
portret van Johannes van den Bosch

Cornelis Kruseman werd in 1797 in Amsterdam geboren. Hij bleef in die stad wonen tot hij in 1821 op reis ging naar Zwitserland en Italië, om tenslotte in Parijs terecht te komen. In 1825, na zijn terugkeer in Nederland, vestigde hij zich in ‘s Gravenhage. In 1841 vertrok hij opnieuw naar Italië, waar hij 6 jaar zou blijven. Hij wordt daarom ook wel de “Italiaanse Kruseman” genoemd. Van 1847 tot 1854 woonde hij in ‘s Gravenhage, en daarna tot zijn dood in Lisse.

volg de meester [ 1-23] | van oude meesters en dingen die niet voorbijgaan