Categorie archief: schilderkunst

Italiëgangers [ 13 ]

Friedrich Overbeck, Franz Pforr en de Nazarener

Nog geen drie weken geleden waren we in Italiëmaar het is alweer dertig jaar geleden dat ik voor de laatste keer in Rome was. Rome was het einddoel van de kunstenaars die van de zestiende tot de negentiende eeuw uit het Noorden naar Italiëreisden om daar de antieke kunst en de Italiaanse meesters van de Renaissance te bestuderen. De meesten bleven langere tijd, vaak enige jaren. Talloze kunstenaars vestigden zich voorgoed in Rome. In Duitsland worden ze Deutschrömer genoemd, Duitsers die naturaliseerden tot Romeinen. Wanneer je hun graf wilt bezoeken, moet je naar Rome.

San Isidoro klooster
het San Isidoro klooster in Rome waar de Nazarener tussen 1810 en 1820 als halve monniken leefden en werkten.

Terwijl de Nederlandse schilders Jan Gossaert (Mabuse) en Jan van Scorel al tijdens het leven van de superstars Michelangelo en Rafael naar Rome reisden, kwam het bij de Duitse schilders, afgezien van Albrecht Dürer, wat later op gang. Rafael Anton Mengs is een van de eerste Duitse schilders geweest die aan Rome het hart verloor. Hij zou er zijn hele leven blijven wonen en werken. In het laatste kwart van de achttiende eeuw, toen het classicisme in de mode was, vertrokken ook Jacob Philipp Hackert, Johann Christian Reinhart, Johann Tischbein, Asmus Jacob Carstens en Joseph Anton Koch voor korte of langere tijd naar Rome. Laatstgenoemde zou de jongere generatie die vanaf 1800 naar Rome kwam, wegwijs maken in het Romeinse leven.

Friedrich OverbeckTot de vele kunstenaars die aan het begin van de negentiende eeuw naar Italiëen Rome reisden, behoorden ook Friedrich Overbeck en Franz Pforr. Ze studeerden beiden aan de kunstacademie in Wenen maar waren ontevreden over de toen heersende classicistische stijl die in hun ogen koud en zielloos was. De twee studenten richtten de Lukasbund op en wilden de schilderkunst met de religie verbinden. Daarbij kozen ze het dweperige geschrift Herzensergießungen eines kunstliebenden Klosterbruders (1797) van Wilhelm Heinrich Wackenroder en Ludwig Tieck als hun manifest. Maar toen de Franse troepen van Napoleon in Wenen kwamen, werd het classicisme nog machtiger en de studenten Overbeck en Pforr moesten het veld ruimen.

Franz PforrZe gingen naar Italiëwaar zij zich terugtrokken in het klooster van San Isidoro in het centrum van de Rome. Daar wijdden zij zich aan hun religieuze kunst en lieten ze zich inspireren door de meesters uit de Renaissance. Friedrich Overbeck zag in Pietro Perugino zijn grote voorbeeld, terwijl Franz Pforr zich door Albrecht Dürer liet inspireren. De twee schilders leefden met nog een paar andere schilders als monniken in het klooster en noemden zich Nazarener. In de jaren tussen 1810 en 1820 kwam uit Duitsland nieuw talent de groep versterken. De bekendsten onder hen waren Peter von Cornelius uit Düsseldorf, Julius Schnorr von Carolsfeld uit Leipzig en Wilhelm von Schadow uit Berlijn. Nazarener waren anachronisten en hun schilderijen anachronismen. Ze kleedden zich soms zoals de tijdgenoten van Albrecht Dürer en hun werk zag eruit alsof het ruim driehonderd jaar eerder gemaakt was.

Friedrich Overbeck
Friedrich Overbeck 1831-1840
Triumph der Religion in den Künsten
Triumph der Religion in den Künsten
Auf der Terrasse haben sich die Maler und Kupferstecher versammelt: die unmittelbar rechts am Brunnen stehenden Meister stehen für das eben gezeigte doppelte Wesen der Kunst, es sind Bellini und Tizian, gebeugt über zwei deren Kunststreben vedeutlichenden Knaben; darüber Carpaccio, Pordenone und Corregio. Gleich links vom Springbrunnen stehen Leonardo da Vinci mit drei Schülern und Holbein. Weiter nach links bilden Giotto, Orcagna, Memmi, Raffael, Perugino, Ghirlandajo, Masaccio, Fra Bartolomeo, Francia sowie (sitzend) Signorelli und Michelangelo annähernd einen Halbkreis um den singenden Dante. Links von Dante sind noch die Köpfe von Cornelius, Overbeck und Veit zu erkennen. Auf der rechten Seite begrüßen sich Lucas van Leyden mit Martin Schön und Mantegna mit Marc Anton, dazwischen steht Dürer. Rechts anschließend begrüßen sich Fra Angelico und die Brüder van Eyck, zwischen diesen stehen Benozzo Gozzoli, Stefan Lochner und Hemlink; neben Jan van Eyck kommt Schorel als Pilger zusammen mit einem wohl spanischen Meister. Ganz rechts im Hintergrund stehen noch zwei weibliche Gestalten – ein kleines Zugeständnis des patriarchalischen Overbeck an weibliche Kunstschaffende. Vorne auf den Stufen der Terrasse sitzen zwei Mönche, die an die Anfänge der Kunst in Klöstern erinnern sollen.
 
Bron: bela1996.de
Rafael en Overbeck
Overbeck heeft zich ook laten inspireren door Rafael, de beroemde leerling van de Umbrische schilder Pietro Perugino die hij zo bewonderde. Hierboven de groepen op de linker voorgrond van de School van Athene en de Triumph der Religion in den Künsten

meer Italiëgangers

Ottoonse Renaissance op Reichenau

de fresco’s uit 980 in de Sankt Georg op het kloostereiland Reichenau

Drie weken geleden campeerden we op het eiland Reichenau in de Bodensee. Reichenau is afgeleid van ‘Reiche Aue‘ en Aue is een stuk grond aan een rivier. Het is dus het equivalent van Betuwe, dat een samentrekking is van ‘betere ouwe’ (vergeleken met ‘Veluwe‘ dat een samentrekking is van ‘vaele ouwe’).
Aue en Ouwe zijn dus identieke woorden en worden in het moderne Duits en Nederlands alleen anders gespeld. Op het eiland Reichenau zie je behalve veel fruitbomen ook veel glastuinbouw. Maar van oorsprong is Reichenau een kloostereiland. Ruim duizend (!) jaar lang stond er een abdij die in de Merovingische tijd gesticht werd door de heilige Pirmen. In de Karolingische tijd verrezen er diverse kerkjes en Reichenau ontwikkelde zich tot een van de belangrijkste centra van het Christendom boven de Alpen. Tegenwoordig geniet Reichenau de UNESCO World Heritage Site status.

Sankt GeorgDinsdag 28 juni was een bloedhete dag en ‘s avonds besloten we nog wat verkoeling te zoeken aan het water. We maakten eerst nog een klein ritje over het eiland dat nog geen vijf kilometer lang is en stopten bij de Sankt Georg, een romaans kerkje gewijd aan de heilige Georg. Over het voorportaal scheen een zacht avondlicht. We hadden ons erop ingesteld dat het kerkje ‘s avonds gesloten was, dus we waren verrast toen een vriendelijke dame ons uitnodigde met haar mee naar binnen te gaan. Er begon zojuist een koorrepetitie en wij mochten als toehoorders wel naar binnen. Toen ik het interieur zag, moest ik denken aan de vroeg-christelijke kerken in Ravenna die ik in 1980 heb bezocht. De ruimte is streng geordend, helder en overzichtelijk, zoals de basilica deze voorschrijft: een hoog ‘schip’ met plat zadeldak en twee lagere zijbeuken die gescheiden zijn door een zuilengalerij. Aan het einde van het schip in oostelijke richting bevindt zich het verhoogde koor. Ook is er een westelijk koor dat vroeger op zaterdagen gebruikt werd om er het officie aan de Moeder Gods op te dragen. Tussen de hoge vensters in het schip en de zuilengalerij bevinden zich de wereldberoemde fresco’s uit de Ottoonse tijd.

Sankt Georg
Christus brengt de storm tot rust op het meer van Genezareth, Sankt Georg, circa 980 (derde fresco op de noordwand )
Wanneer ik naar de schimmige fresco’s in de Sankt Georg kijk, stel ik in mijn verbeelding de voorstellingen op scherp met de afbeeldingen uit het Evangeliarium van Otto III

Tegenwoordig dateert men deze rond het jaar 980. Deze muurschilderingen zijn dus nog ouder dan fresco’s die ik in 2005 met René zag in het Mirozhsky klooster in het Russische Pskov. Ze worden beschouwd als de oudste Byzantijnse fresco’s boven de Alpen. Byzantijnse fresco’s in Zuid-Duitsland? Dat was ruim duizend jaar geleden niet zo verwonderlijk. Daarvoor moet je iets weten van het tijdperk dat historici de Ottoonse Renaissance noemen.

Hagen KellerDe volgende morgen koop ik in Konstanz het boekje Die Ottonen van Hagen Keller, een kenner van de vroege Middeleeuwen. Het boekje is verschenen in de reeks Wissen van uitgever C.H.Beck, een aanrader van Michaela. De dynastie die we de Ottonen (919-1024) zijn gaan noemen, bestaat uit Heinrich I, Otto I, Otto II, Otto III en Heinrich II. De belangrijkste heerser is Otto I (912-973) die daarom Otto de Grote wordt genoemd. Maar voor de Byzantijnse invloed in het Westen zijn Otto II en Otto III belangrijker geweest. Otto II trouwde in het jaar 972 met de Byzantijnse prinses Theophanu. Toen Otto II elf jaar later al stierf, was zijn zoontje Otto III pas drie jaar oud. Zijn moeder werd tot haar dood in 991 regentes. Wanneer je het evangeliarium van Otto III ziet, dan zie je overduidelijk de Byzantijnse invloed. Dit wereldberoemde handschrift werd verluchtigd door de monniken van de abdij in Reichenau en bevindt zich tegenwoordig in de Bayerische Staatsbibliothek in München. Wanneer ik naar de schimmige fresco’s in de Sankt Georg kijk, stel ik in mijn verbeelding de voorstellingen op scherp met de afbeeldingen uit het evangeliarium.

Otto III
nogmaals de storm op het meer, nu in het Evangeliarium van Otto III, circa 1000

Gisteren vertelde ik Patrick over ons bezoek aan de Sankt Georg. Ik bezocht met hem een paar jaar geleden de Valkhofkapel in Nijmegen, die gebouwd werd onder het regentschap van keizerin Theophanu. Tijdens haar korte leven zocht ze de kapel in Nijmegen telkens weer op en zou er tenslotte in 991 sterven. Patrick vertelde dat haar stoffelijk overschot werd overgebracht naar Keulen waar ze begraven ligt in de St. Pantaleon.

Sankt Georg
Christus geneest de bezetene uit Gerasa, Sankt Georg, circa 980 (eerste fresco op de noordwand ) Ook dit wonder van Christus kun je op scherp stellen met de corresponderende afbeelding uit het Evangeliarium van Otto III
Als Ottonische Renaissance wird teilweise die Anknüpfung an die byzantinische und spätantike Kunst während der politisch maßgeblich von den Ottonen beeinflussten 10. und 11. Jahrhunderten bezeichnet. Der Begriff ist nicht unproblematisch. Die Ottonische Renaissance spiegelt sich besonders in der Architektur und der Goldschmiedekunst durch Verwendung von Spolien und in der Buchmalerei wider. Besonders begünstigt wurde der Einfluss der byzantinischen Kultur durch die Heirat Ottos II. mit der byzantinischen Prinzessin Theophanu.
 
Problematisch ist an der Ottonischen Renaissance sowohl die Verknüpfung mit den Ottonen als auch der Begriff der Renaissance. Die Ottonen hatten zwar als Auftraggeber bedeutender Kunstwerke Einfluss auf die Moden ihrer Zeit, waren aber nur ein Geschlecht unter vielen, das Bauwerke oder Kunstwerke in Auftrag gab. Meinwerk, der Auftraggeber der Bartholomäuskapelle in Paderborn, die als erste Hallenkirche Deutschlands häufig als Beispiel der Ottonischen Renaissance bezeichnet wird, war mit den Ottonen nur sehr entfernt verwandt. Das um 1017 entstandene Bauwerk, an dem nach einer Quelle „griechische Baumeister“ beteiligt waren, weist zudem keine feststellbaren byzantinischen Einflüsse auf.
 
Bron: de.wikipedia.org

Sankt Georg Reichenau [ de.wikipedia.org ]

bombastisch historisme

de mooie kitsch van sprookjeskoning Ludwig II
en de slechte smaak van keizer Wilhelm II

Begin juli bezochten we Schloss Neuschwanstein in Beieren, dat algemeen beschouwd wordt als het toppunt van negentiende eeuws historisme. Terwijl onze groep door de overvolle vertrekken werd geperst, op onze hielen gezeten door een groep Japanners, besefte ik dat het negentiende eeuwse historisme onder de hoede van Ludwig II een veel sympathieker gezicht heeft dan het historisme van het Duitse Keizerrijk (1871-1918). Bladerend door het boek Deutsche Malerei im 19. Jahrhundert (2005) van Hubert Locher kom ik een schilderij tegen van ene Ferdinand Keller. Nog nooit van gehoord. Hij was een van de vele lakeien uit de Gründerzeit die het jonge keizerrijk voorzag van een machtig en heldhaftig imago inclusief een groot gebrek aan ironie.

Wilhelm I
Ferdinand Keller
Wilhelm der Siegreiche (1887)

In 1887 schilderde hij een apotheose van de 90-jarige Wilhelm I helemaal in de stijl van de Franse barok. Frankrijk was in 1871 verslagen en nu was Duitsland de opvolger van het Romeinse Rijk op het continent. Keller trekt alle registers open: op de achtergrond een triomfboog, witte paarden op de voorgrond, aan weerszijden wapperende banieren en daartussen zie je ergens het bejaarde hoofd van de keizer dat door bazuinende cherubijntjes met roze billetjes bekroond wordt met een lauwerkrans. Gaap! Het is dezelfde bombast die je tegenkomt in Schloss Linderhof van Ludwig II van Beieren. Er is één groot verschil: Ludwig II was een zieke romanticus, terwijl de Duitse keizer een real-politiker was. De schilder Ferdinand Keller moet in ieder geval gedacht hebben dat hij hem met deze belegen voorstelling een dienst had bewezen.

Wilhelm IZijn zoon Wilhelm II die in 1888 zijn grootvader zou opvolgen, voelde zich prima in zijn element met dergelijke ophemelingen. Net als Ludwig II had hij beide benen niet goed op de grond. Kun je het hem kwalijk nemen? Hij was gevormd in de euforie van de Gründerzeit, toen het bewieroken van het Duitse Keizerrijk een nationale sport was geworden. Terwijl de dromerige Ludwig II van Beieren in politiek opzicht een ongevaarlijk monarchje was en tegenwoordig als The King of Kitsch alle sympathie heeft, is keizer Wilhelm II vooral een opgeblazen kikker gebleven met een slechte smaak.

Ferdinand Keller [ de.wikipedia.org ]