Categorie archief: schilderkunst

geen koeien maar licht

vandaag in Trouw: filosofisch kijken
Mieke Boon over Landschap met koeien van Willem Maris

In het Haags Gemeentemuseum loopt een tenstoonstelling over de gebroeders Maris en de Haagse School. De jongste van de drie broers, Willem, is vooral bekend van zijn vage landschappen met koeien.

Willem Maris
Willem Maris Landschap met koeien
“ik schilder geen koeien,
maar licht”

Willem Maris (1844-1910)

Willem Maris schildert hier een wereld alsof de tijd stilstaat. Die tijdloosheid komt deels door de onbepaaldheid van plaats en tijd, deels door het onderwerp. Deze gedomesticeerde koeien zijn typisch voor ons Nederlandse landschap. Je kon ze zien in de 17de eeuw, in de tijd van de Haagse school, en ook nu nog lopen er zulke koeien door de Nederlandse weides. Maar ook het beeld zelf staat heel erg stil; alleen de vogels in de lucht wekken de indruk van beweging.
 
verder lezen : meer.trouw.nl

Oefening baart kunst. Filosofie van het kijken
Mieke Boon, Peter Henk Steenhuis

Filosofie van het KijkenMuseumbezoekers blijven gemiddeld negen seconden voor een schilderij staan. Veel te kort om er recht aan te doen. Kun je beter leren kijken? Langer, intensiever, met een ruimere blik? Jazeker, zo blijkt uit de gesprekken die journalist Peter Henk Steenhuis voerde met filosofe Mieke Boon.
Een verrassend voorbeeld uit het boek is Notion Motion, een eigentijds kunstwerk van Olafur Eliasson. Dat is een installatie waarbij je als toeschouwer eigenhandig golven veroorzaakt in een onzichtbare bak water, die je vervolgens op een scherm geprojecteerd ziet. Als je een tijd naar die golven blijft kijken, dan zie je dat het springerige lichtflitsen worden, of bobbels, of rimpelloze vegen. Je ontdekt met andere woorden hoeveel je zelf doet tijdens het kijken: je construeert een beeld. Dit verschijnsel wordt door Mieke Boon in verband gebracht met de waarnemingstheorie van Kant.
De aanpak van Boon en Steenhuis leidt tot vragen die je in de meeste kunstboeken niet aantreft. Vragen over kunst als meditatie, over aangeleerde gevoelens en ons romantische zelfbeeld, over balans en evenwicht, over de manier waarop we kijken en oordelen. Waarom worden we geraakt door een Mondriaan, Rembrandt of Vlaamse meester – of juist niet? Dit boek is een oefening om op verschillende manieren (filosofisch, historisch, ethisch, theologisch) te leren kijken. Niet alleen naar kunst, maar ook naar onszelf en naar de wereld om ons heen.

Bron: lemniscaat.nl

realist

vrijdag gekregen: Adolph von Menzel door Wolfgang Hütt
Ausstellung Adolph von Menzel, Radically Real
Kunsthalle der Hypo-Kulturstiftung München 16 mei – 31 augustus 2008

Gisteren besteedde ik hier aandacht aan het boek van Adam Zamoyski over het Congres van Wenen. Nadat de grote mogendheden de kaart van Europa opnieuw hadden ingevuld, bleef een grote oorlog op Europees grondgebied honderd jaar lang uit. Tegenwoordig zijn veel historici het erover eens geworden dat we de negentiende eeuw niet tussen 1800 en 1900 maar tussen 1815 en 1914 moeten bepalen. Dat is het tijdperk van vooruitgangsoptimisme, industrialisering, nationalisme en imperialisme. Elke negentiende eeuwer kon daarvan getuigen.

Adolph Menzel Een daarvan is de Berlijnse schilder Adolph von Menzel die geboren werd in 1815 en stierf in 1905. Hij heeft het allemaal meegemaakt en tijdens zijn lange leven zijn stad en zijn wereld ingrijpend zien veranderen. Berlijn, de stad waar hij vanaf zijn vijftiende bleef wonen, telde rond 1800 nog 170.000 inwoners. Aan het eind van zijn leven waren dat er met twee miljoen ruim tien keer zoveel geworden. In de eerste helft van zijn leven zag hij de eerste fabrieken en spoorwegen, de eerste foto’s en telegraafverbindingen. Toen hij een oude man was, waren er telefonische verbindingen en elektrisch licht gekomen en verschenen in Berlijn de eerste auto’s op straat. Menzel was bijzonder klein van stuk; hij kwam niet boven de 1.40m uit. Maar ook van binnen bleef hij klein, iedere vorm van grootdoenerij was hem vreemd. De voorstellingen die hij bijvoorbeeld maakte van Frederik de Grote zijn vaak huiselijk en alledaags en missen de grandeur die je bij een staatsschilder zou verwachten.

Anton von Werner
Adolph von Menzel op een schilderij van Anton von Werner uit 1895 tijdens een hofbal in 1878 met keizer Friedrich I als kroonprins. De dwergachtige Menzel verkeerde toen al in de allerhoogste kringen.

Zijn tijdgenoot Anton von Werner met wie Menzel goed bevriend was, maakte wéll de schilderijen die het trotse Pruisische zelfbewustzijn propageerden, zoals het beroemde schilderij van de proclamatie van het Duitse Keizerrijk. Toch werd Adolph von Menzel met zijn alledaagse voorstellingen over het leven van Frederik de Grote in het Duitse Keizerrijk mateloos populair. Toen hij in 1905 overleed, kreeg hij in Berlijn een staatsbegrafenis en liep keizer Wilhelm II met zijn familie achter de kist aan.

MenzelAls echte Pruis werkte hij met grote zelfdiscipline en bleef hij trouw aan de directe waarneming. In de Nationalgalerie in Berlijn hangt een prachtig schilderijtje uit 1876 van nog geen 40 bij 35 centimeter met daarop zijn eigen voet op ware grootte afgebeeld. In de Europese kunstgeschiedenis wordt meestal Gustave Courbet als de vader van het realisme naar voren geschoven. Maar Adolph Menzel was hem waarschijnlijk voor. En niet alleen Courbet of Manet, maar ook de impressionisten. In de jaren veertig van de negentiende eeuw, schilderde de autodidactische Menzel als zelfstudie kleine schilderijen, vaak van interieurs op directe wijze met zoveel gevoel voor licht en sfeer dat ze in de twintigste eeuw in de categorie ‘pre-impressionistisch’ zijn geplaatst. Tegenwoordig wordt aan dit vroege werk (Menzel schilderde het voor zijn 35e) de meeste aandacht gegeven. Vooral der Balkonzimmer uit 1845 (Nationalgalerie Berlin) en die Schwester des Künstlers uit 1847 (Neue Pinakothek, München) zijn eindeloos gereproduceerd.

Menzel 1845-47
der Balkonzimmer uit 1845 (Nationalgalerie Berlin) en die Schwester des Künstlers uit 1847 (Neue Pinakothek, München)

Die Schwester des Künstlers hangt deze zomer ook op de tentoonstelling in München. In plaats van de gedetaileerde en fijne penseelstreek die men in de Biedermeierzeit in Duitsland gewend was, zien we hier een enorme vrije beweging die aan de late Rembrandt of impressionisten doet denken. De kleine kunstenaar schilderde met bijzondere bravoure, een Biedermeier-bravoure die altijd ingetogen bleef.

Eisenwalzwerk 1871-75
Eisenwalzwerk, 1871-75

Doordat hij zijn leven lang trouw bleef aan de waarneming, werd hij een chroniqueur van de negentiende eeuw. Hij schilderde bijvoorbeeld het eerste schilderij van een trein in Duitsland, Der Berlin-Potsdamer Eisenbahn in 1847, al is het niet meer dan een ruige olieverfschets a la Constable. Een schilderij dat een icoon geworden is van de industriële revolutie in Duitsland, is het grote atelierstuk Eisenwalzwerk uit 1871-1872. In de jaren kort na de proclamatie van het Duitse Keizerrijk trok Menzel zich terug in de krochten van de zware staalindustrie in Sileziëom daar ‘naar de natuur’ studies te maken van de staalarbeiders. Het schilderij kreeg al gauw de bijnaam Moderne Zyklopen, naar de mythologische dwangarbeiders in de onderaardse smidse van Vulcanus. Voor Menzel was het doek geen politieke aanklacht of socialistisch pamflet; zijn oog had in de hoogovens als een camera geregistreerd, zoals hij een paar jaar later zijn eigen voet zou registreren.

Adolph MenzelAdolph von Menzel wird 1815 als Sohn eines Schulvorstehers in Breslau geboren. Sein Vater gründet eine Steindruckerei, in der er schon mit 14 Jahren tätig ist. Die Familie zieht 1830 nach Berlin um, und der junge Menzel muss nach dem frühen Tod des Vaters für den Lebensunterhalt der Familie sorgen. In den Jahren 1833 bis 1834 besucht Adolph von Menzel die Königliche Akademie der Künste und lernt dort seinen späteren Freund und Förderer, den Tapetenfabrikanten Carl Heinrich Arnold, kennen.
 
Den ersten künstlerischen Erfolg bringt Menzel ein Auftrag des Kunsthändlers und Verlegers Louis Sachse, er schafft eine lithografische Folge zu Goethes “Künstlers Erdenwallen”. Im Jahr 1834 wird er in den “Verein der Jüngeren Künstler” aufgenommen. Zu diesem Zeitpunkt widmet sich Adolf von Menzel zunehmend der Ölmalerei und wird 1838 schließlich Mitglied im “Verein der Älteren Künstler”. Im folgenden Jahr erhält Menzel den Auftrag für die Illustrationen zu Franz Kuglers “Geschichte Friedrich des Großen”. Noch im selben Jahr sieht Adolf von Menzel erstmals Gemälde des englischen Malers John Constable. Unter den Empfindungen und Eindrücken der Revolution entsteht im Jahr 1848 die unvollendet gebliebene “Aufbahrung der Märzgefallenen” (Kunsthalle Hamburg). Im Jahr 1849 beginnt Menzel mit der Gemäldefolge zu Leben und Wirken Friedrichs des Großen und vollendet 1850 mit der “Tafelrunde Friedrich des Großen in Sanssouci” eine seiner bekanntesten Darstellungen aus dem Leben des Herrschers.
 
Adolf von Menzel wird 1853 in die Königliche Akademie der Künste aufgenommen, seine Ernennung zum Professor und die Zugehörigkeit zum Senat seit dem Jahr 1875 dokumentieren den Erfolg des Künstlers. Anlässlich der Weltausstellung reist er 1855 erstmals nach Paris und besucht dort den “Pavillon du Réalisme” von Courbet. Es folgen weitere Besuche in der französischen Hauptstadt. 1867 wird Adolph von Menzel dort mit dem Kreuz der Ehrenlegion ausgezeichnet und erhält für sein Gemälde “Friedrich und die Seinen in der Schlacht bei Hochkirch” eine Medaille. Im Jahr 1875 vollendet er das “Eisenwalzwerk” (Nationalgalerie Berlin) und im Jahr 1884 wird dort die erste große Ausstellung Menzels präsentiert, darüber hinaus folgen zahlreiche Werkschauen im In- und Ausland. Zu seinem 70. Geburtstag verleiht ihm die Berliner Universität die Ehrendoktorwürde, er wird zum Ehrenbürger der Stadt Breslau und zum Ehrenmitglied der St. Petersburger Akademie ernannt, es folgen die Ernennung zum Ehrenbürger der Stadt Berlin, die Verleihung des Titels eines Geheimen Rats mit dem Prädikat “Exzellenz” und die Aufnahme in die Akademien in Paris und London. Die Krönung seiner künstlerischen Laufbahn erfährt Adolf von Menzel schließlich mit der Ernennung zum Ritter des Schwarzen Ordens und der Erhebung in den Adelsstand. Adolph von Menzel verstirbt 1905 in Berlin.
 
Bron: adolph-von-menzel.de

hypo-kunsthalle.de | Adolph von Menzel [ de.wikipedia.org ]