Bladerend door de krant viel mijn blik vanmorgen op dit schilderijtje van Gabriël Metsu en ik werd er door de zoveelste keer door getroffen. Metsu is een van de petit maitres van de zeventiende eeuw en dit is het enige schilderij van hem dat ik bij naam weet te noemen. Toch al een hele vooruitgang want op de lagere school zei de naam mij niet veel meer dan de straat waar een vriendje van mij woonde. Maar naamsbekendheid is tenslotte onbelangrijk, het gaat nu om dit ene schilderijtje.

Wanneer je het schilderijtje voor het eerst ziet, is de eerste oppervlakkige indruk dat dit een Vermeer moet zijn. Je ziet attributen die je onmiddellijk met het genie uit Delft associeert. De rustige, afgewogen compositie en het kleine formaat van het werk brengen ons nog dichterbij. Maar het ongrijpbare licht van Vermeer is hier totaal afwezig. Het is dus een Metsu. In ieder geval is het typisch Hollands, ook al hanteert Metsu hier duidelijk een Italiaans kleurschema. Het blauw en rood van moeders rokken kennen we van de ontelbare schilderijen waar de maagd Maria opstaat. Karl Marx vond de Moeder God’s bij Rembrandt er uitzien als een Hollandse boerenmeid, van de moeder van het zieke kind had hij het omgekeerde kunnen zeggen.
Waar de meeste Hollandse schilders van de zeventiende eeuw groot in waren, was de alledaagsheid en hun afkeer van het theatrale. En dat kwam weer omdat het publiek die voorkeur en afkeer deelde. Simon Schama heeft er een prachtig boek over geschreven: Overvloed en Onbehagen. De Hollandse burger schaamde zich bijna voor zijn welvaart, voelde een zeker onbehagen bij de overvloed die hem omringde. “Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.” Daarom zien we in de Hollandse schilderkunst van de zeventiende eeuw relatief weinig theatrale effecten, die elders in Europa in de Barok zo’ n grote rol speelden. Geen katholieke heilige maagd, maar een doodgewone protestantse Hollandse moeder met een ziek kind op de schoot. Een protestantse icoon van alledaagsheid.
En wordt maar weer snel beter!
Maar sinds een paar jaar is de gekte weer terug bij de veilinghuizen. Vorig jaar november werden in één klap twee records gevestigd. Naoorlogse Amerikaanse schilderijen ditmaal, beide nog geen zestig jaar oud. Het betrof een schilderij van Willem de Koning: Woman III en een van Jackson Pollock: no.5 uit 1948 die geveild werden voor resp. 137,5 en 140 miljoen dollar. Je kunt dus zeggen dat het vertrouwen in kunst als beleggingsobject weer is toegenomen. 
Neo Rauch schildert zijn complex verhalende beeldtaal in typische bleke kalkachtige kleuren op grote formaten. Ogenschijnlijk vertrouwde beelden worden geherdefinieerd. Zijn schilderijen, waarbij archetypisch menselijke figuren en desolate utopische locaties beeldbepalend zijn, ademen een hallucinerende sfeer. Verstilde industriële landschappen, statische alledaagse taferelen, kleur- en compositievarianten maken deel uit van zijn filmische wereldbeeld. Zijn realistische beeldtaal laat zich karakteriseren als een fictieve mengeling van motieven uit voormalige DDR-reclame en Amerikaanse comic-strips, met duidelijke verwijzingen naar de Pop-art. Rauchs werk is tegelijk verleidelijk en prikkelend, houdt wel afstand en dwingt daarmee de kijker tot nauwkeurige beschouwing. (Bron: 












