vandaag: Argus, Io en Mercurius

Ovid, Met. I, 711-712
Bliksemsnel greep Mercurius zijn zwaard en trof Argus daarmee op de plaats waar zijn hoofd aan de nek vastzat. Daarna duwde hij hem van de rots zodat zijn bloed een blijvend spoor op de helling achterliet. Argus was stervende. Zijn eens zo waakzame ogen hadden zich nu voorgoed gesloten. Maar toch zou hij nooit vergeten worden want Juno zou de lichtjes van zijn eens zo fonkelende ogen opnemen in haar pauwenstaart.
Met haar poot maakte ze een teken in de zandgrond en bracht zo haar vader op de hoogte van haar vreselijke lot. Hangend aan de hals en horens van de sneeuwwitte koe riep Inachus ontzet: “Ben jij het kind naar wie ik overal heb gezocht? Je kunt niet antwoorden en niet praten, alleen mijn vragen met loeien beantwoorden? Ik droomde van een huwelijksfeest en hoopte op een schoonzoon en ja, zelfs op kleinzoons, maar nu behoor je tot het vee en doet elke aanblik mijn mooie dromen vervagen. O, mocht een spoedige dood mij van deze kwelling bevrijden! Maar ik ben een god en voor mij zullen de poorten van de onderwereld nooit opengaan; ik zal wegkwijnen van verdriet.” Maar Argus duwde hem weg en sleurde Io mee naar afgelegen weiden. Hij nam plaats op een hoge bergtop vanwaar hij een goed zicht had.
Bron: satura-lanx.telenet.be/Ovidius





Publius Ovidius Naso werd geboren te Sulmo (Sulmona, ca. 120 km ten oosten van Rome, in een vallei van de Abruzzen) op 20 maart 43 v.C. Hij stamde uit een oude en gegoede familie van de ridderstand en had een broer, die precies één jaar ouder was dan hijzelf (gestorven 24 v.C.). Omdat zijn vader wenste dat hij advocaat werd, studeerde hij reeds vroeg letterkunde, welsprekendheid en recht in Rome, waar hij een schitterend student was bij bekende retoren (Arellius Fuscus en Marcus Porcius Latro) en blijk gaf van een buitengewoon geheugen. Om zich verder te vervolmaken, reisde hij naar Athene (waar hij filosofie studeerde), Klein-Aziëen Sicilië.
Een ondubbelzinnig 












