Op 5 mei 1975 was ons land dertig jaar bevrijd. Als twaalfjarige kon ik mij bij dertig jaar nog niets voorstellen. Mijn vader keek toen terug op de meidagen van 1940 en 1945 met een kortere afstand die ik nu heb ten opzichte van 5 mei 1975. Ik kan mij deze dag nog tamelijk goed herinneren. In de zesde klas van de lagere school kregen we allemaal een poster in harde “jaren-zeventig-kleuren” waar “30 jaar vrij” op stond. Jarenlang heeft deze op de deur van mijn kamer gehangen. Ook verscheen een postzegel in grijswaarden met een veelzeggende voorstelling: een oog dat over prikkeldraad verwachtingsvol naar de toekomst kijkt. Vrijheid is niet vanzelfsprekend, ook in 1975 niet.

Voor mijn vader die van 1930 is, zijn de oorlogsjaren altijd goed in zijn herinnering gebleven. Inmiddels kan hij 75 jaar terugkijken en herinnert hij zich nog erg goed de dag van de Duitse inval. Hij moest met mijn opa en oma hals over kop evacueren vanwege de Slag om de Grebbeberg die de volgende dag zou losbarsten.




In de naoorlogse periode is de sympathie voor Bismarck aanzienlijk bekoeld, zo lees ik in de Bismarck-special van het Duitse geschiedenismagazine Geo Epoche. Der Eiserne Kanzler herinnerde onze oosterburen na de oorlog pijnlijk aan de Pruisische expansie in de negentiende eeuw, die uitmondde in het Duitse Keizerrijk dat gesmeed werd met “Blut und Eisen”. Keizer Wilhelm II zette Bismarck in 1890 weliswaar aan de kant om met dat Keizerrijk de ondergang tegemoet te gaan, maar de Realpolitiker Bismarck is toch de architect gebleven van dat vermaledijde Tweede Rijk dat in 1918 ineenstortte.













