Christiaan Huygens (1629-1695) is bekend als een van de beroemdste en invloedrijkste natuurwetenschappers van de zeventiende eeuw. Hij deed belangrijke ontdekkingen op het gebied van de wiskunde, natuurkunde en sterrenkunde. In de moderne natuurkunde spreekt men nog altijd van het ‘beginsel van Huygens’, dat de uitbreiding van het licht verklaart. Daarnaast is Huygens bekend vanwege zijn ontdekking van de ring van Saturnus en van een maan van die planeet, en vanwege zijn werk op het gebied van de mechanica. Hij formuleerde als eerste de regels voor centrifugale kracht, slingers, en elastische botsingen.In tegenstelling tot het grootste deel van de natuurbeschouwing van zijn tijd, die in het algemeen sterk in dienst stond van meer algemene filosofische uitgangspunten, was het onderzoek van Huygens vooral ook geworteld in een technologische belangstelling en uitvindersvernuft.
Samen met zijn oudere broer Constantijn (1628-1697) sleep hij lenzen voor telescopen, die tot de beste van hun tijd gerekend werden. Hij maakte of suggereerde tal van verbeteringen aan bestaande apparaten. Sommige daarvan hadden een wetenschappelijk doel, zoals een micrometer voor zijn telescopen, andere waren puur op vermaak of gemak gericht, bijvoorbeeld vering voor koetsen en een toverlantaarn. Zijn beroemdste uitvinding was het slingeruurwerk, dat de nauwkeurigheid in de tijdmeting met een grote sprong vooruithielp. Deze uitvinding hing nauw samen met zijn theoretische werk.Ruwweg gezegd dateert het moderne idee van natuurwetenschap uit de zeventiende eeuw. Dat betekent ook dat het tot die tijd niet goed mogelijk was om jezelf als wetenschapper of onderzoeker te afficheren. Voor zover er onderzoek plaats had, had dat een heel ander karakter dan tegenwoordig en gebeurde dat ook om andere redenen.
De zeventiende eeuw is wat dat betreft dus een overgangstijd. Dat betekent dat de mensen uit die tijd die wetenschap wilden beoefenen met een probleem zaten. Immers, een moderne wetenschap kan pas ontstaan op het moment dat mensen haar gaan beoefenen, maar je kunt moeilijk iets gaan beoefenen dat nog niet bestaat. Wie zich aan het natuuronderzoek wilde wijden moest op een of andere manier aannemelijk kunnen maken dat hij nuttig werk deed. Hoe deed je dat op een moment dat de natuurwetenschap nog zo nieuw was dat het evengoed een hersenschim kon zijn?
Het probleem speelde zeker ook voor Christiaan Huygens. Weliswaar kwam hij uit een rijke familie en hoefde hij zich om geld niet veel zorgen te maken. Maar anderzijds was het, juist omdat hij uit de deftige stand kwam, wel van belang om de eer en goede naam van zijn familie niet te grabbel te gooien. Hij kon het zich niet veroorloven zichzelf belachelijk te maken.

Toen mijn kinderbijbel Koning op een ezel verscheen, schreef het Confessioneel Gereformeerd Beraad een brief aan mijn synode waarin ze zeggen dat de kerk publiekelijk afstand van mij moet nemen. En wat doet die dappere Bas Plaisier (topman van de Protestantse Kerk in Nederland, AV)? In plaats van pal achter mij te gaan staan, zegt hij dat tuchtmaatregelen niet werken, of iets dergelijks! En dat is godverdorie mijn baas! Hij beweert dat ik mijn hand heb overspeeld en dat ik eens met wetenschappers in gesprek zou moeten gaan. Terwijl tientallen Oud- en Nieuw-Testamentische exegeten van alle grote universiteiten – in extenso vermeld – mij in Het verhaal gaat… trouw terzijde hebben gestaan! Wat Plaisier had moeten doen is die – helaas slecht geïnformeerde – broeders van het Gereformeerd Beraad rustig uitleggen dat mijn theologie mainstream-theologie is en dat ik een bescheiden poging doe de ook bij hen stagnerende geloofsoverdracht – tot op zekere hoogte een taalkwestie – uit het slop te helpen.
Am 11. Januar 1906 wird Albert Hofmann in der beschaulichen Schweizer Kleinstadt Baden geboren, als ältestes von vier Kindern. Sein Vater ist Werkzeugmacher in einer Fabrik, in der er Alberts spätere Mutter kennenlernt; als er schwer erkrankt, muss Albert, als Ältester, für den Unterhalt der Familie sorgen. Deshalb absolviert er eine kaufmännische Lehre. Nebenher büffelt er Latein und andere Sprachen; denn er will die Matura ablegen, was ihm an einer Privatschule gelingt. (Den Unterricht bezahlte ihm ein Taufpate.)













