Categorie archief: taal en poëzie

Hoe genoeglijk rolt het leven …

van Michaela gekregen: H.K.Poot – Dichter en Boer
Hubert Korneliszoon PootHubert Korneliszoon Poot (1689-1733) was bij zijn leven een hype. Het was in Nederland nog nooit vertoond dat een boer tegelijk dichter was. Zijn eerste bundel Mengeldichten (1716) met vooral liefdespoëzie kreeg meteen een paar herdrukken. Zijn tweede boek, Gedichten, werd chic uitgegeven met tal van illustraties bij de afzonderlijke gedichten, waaronder het bekende Akkerleven, „Hoe genoeglijk rolt het leven / des gerusten landmans heen„, dat onder dit brave begin heel wat ironie verbergt. Zijn roem is zo groot dat men hem op de boerderij opzoekt: kijk, hij dicht. Als eerste literator probeert hij van de pen te leven, door poëzie in opdracht te schrijven en redactioneel werk te verrichten. Daartoe verhuist de boerenzoon van Abtswoude naar Delft.
 
Het loopt op een pijnlijke mislukking uit. Hij raakt in een depressie en keert naar huis terug. Die teleurstelling is hij nauwelijks te boven gekomen. Maar wel heeft hij zijn poëzie een nieuwe wending gegeven. In zijn laatste jaren heeft hij vernieuwende gedichten geschreven met de natuur als uitgangspunt. Ook had hij de durf zijn schrijnende levenservaringen een plaats in zijn poëzie te geven.
 
Bron: uitgeverijprometheus.nl
Hubert Korneliszoon Poot was bij zijn leven een hype. Het was in Nederland nog nooit vertoond dat een boer tegelijk dichter was.
Hubert Korneliszoon PootHubert Korneliszoon Poot (1689-1733) was een Nederlands dichter, wiens werk aansluit bij zowel de klassiek georiënteerde poëzie van bijvoorbeeld Vondel, als bij de gevoelige stemmingspoëzie uit de 18e eeuw. Poot stond ook aan de basis van een ommekeer in de Nederlandse literatuur: hij nam zich voor om te proberen van zijn pen te leven en, wat heel ongebruikelijk was in de 17e eeuw, daarnaast geen ander beroep uit te oefenen. Als brooddichter trad hij ook op als uitgever.
 
Aanvankelijk was Poot boer. Dat hij als boerenzoon de Latijnse school niet bezocht, heeft hem echter niet belet om door middel van vertalingen vertrouwd te geraken met de klassieke auteurs. Dat blijkt uit de vele klassieke toespelingen die in zijn gedichten te vinden zijn. Zo is zijn Akkerleven (uit Gedichten, verschenen in 1722) een navolging van wat Horatius schreef in zijn verheerlijking van het leven van de boer. Het succes van zijn in 1716 gepubliceerde Mengeldichten (herdrukt in 1718) bracht hem er in 1723 toe om zich in Delft te vestigen en zich geheel aan de literatuur te wijden. Dat draaide echter uit op een teleurstelling en een jaar later keerde hij terug naar zijn dorp. Na zijn huwelijk in 1732 verhuisde hij opnieuw naar Delft, waar hij na een jaar aan een nierziekte overleed.
 
Bron: nl.wikipedia.org

plekken uit mijn jeugd

in het voorbijgaan … (1969-1975)

Ik maakte een wandeling over het kale terrein waar eens het bos uit mijn jeugd stond. Veertig jaar geleden was dit mijn wereld. Nu is het er leeg, kaal en koud. Een golf van weemoed overspoelde mij en uit de diepte klonken de woorden van de Psalmist: “Gelijk het gras is ons kortstondig leven, Gelijk een bloem, die op het veld verheven, Wel sierlijk pronkt, maar kracht’loos is en teêr; Wanneer de wind zich over ‘t land laat horen, Dan knakt haar steel, haar schoonheid gaat verloren; Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer.” (Psalm 103:8).

CNS II
voorjaar 2010
mijn school is na veertig jaar verdwenen…

Voor maandagmorgen moesten we altijd een psalmversje leren. Vrolijke maar ook droevige. In 1973 wist ik nog niet wat melancholie was en had de onomkeerbaarheid van het leven nog niet leren kennen. Het was eeuwig zomer. Al zong Gerard Cox op de radio dat-ie weer voorbij was…

De plekken uit mijn jeugd zijn
er nog, maar iedereen is weg.
Ik ben dertig zomers geleden al vertrokken. En keer steeds terug.
Puskásbosje
voorjaar 2011
mijn bos is na veertig jaar verdwenen…

de Hollandsche natie

200 Jaar Koninkrijk der Nederlanden en het nationalisme :
Jan Frederik Helmers (1767-1813) en Hendrik Tollens (1780-1856)

de Hollandse natieAls het niet om voetbal gaat, dan is nationalisme de Nederlanders tamelijk vreemd. Dat was in het jonge Koninkrijk der Nederlanden anders. Voetbal bestond nog niet maar nationalisme was er juist wéll. In 1813 het geboortejaar van het Koninkrijk der Nederlanden stelde ons land in cultureel en economisch opzicht weinig voor. Er moest verder dan honderd jaar terug in de tijd worden gekeken om gevoelens van nationale trots op te wekken. Al in 1713 toen in Utrecht de Spaanse Successieoorlog beëindigd werd, was het duidelijk dat de Gouden Eeuw voorbij was. De eens zo machtige Republiek moest haar dominante positie op zee aan Engeland doorgeven. De Spaanse Successieoorlog had kapitalen gekost, waardoor de schatkist na 1713 leeg bleef. In de achttiende eeuw zou het land niet meer bovenop komen. In 1781 raakte de Republiek voor een vierde maal slaags met Engeland en tenslotte werd het in 1795 door Frankrijk verzwolgen.

Dat Nederland nog altijd als zelfstandige natie bestaat, heeft het te danken aan het Congres van Wenen. De toenmalige grootmachten Engeland, Oostenrijk, Rusland en Pruisen verdeelden daar de kaart van Europa opnieuw. Omdat de geallieerden elkaar het grondgebied van Nederland, België en Luxemburg niet gunden én omdat Engeland en Rusland een bufferstaat wilden om van daaruit de expansie van Frankrijk naar het Noorden en Pruisen naar het Westen terug te kunnen slaan, werden Nederland, België en Luxemburg soeverein. Heel Europa moest monarchistisch worden; de Restauratie stond geen republieken meer toe. Zo werd het dus Koninkrijk der Nederlanden.

de leeuw van WaterlooNederland had in 1813, behalve een roemrijk verleden in de zeventiende eeuw, dus nog weinig om trots op te zijn. Maar in 1815 bood zich een schitterende gelegenheid aan om de vaderlandse borst te laten opzwellen. En dat werd mogelijk gemaakt door Napoleon, die in 1813 bij Leipzig verslagen was. De nederlaag van de Franse keizer was niet definitief. Tijdens de Honderd Dagen nam hij revanche en in juni 1815 trok de Grande Armée nog eenmaal op richting Brussel waar zich het hoofdkwartier van de geallieerden bevond. De Slag bij Waterloo vond dus plaats op het grondgebied van het piepjonge koninkrijkje aan de Noordzee, dat in de jaren daarna vol trots kon zeggen dat Napoleon op zijn territorium definitief verslagen was. Tussen 1823 en 1826 werd in opdracht van koning Willem I een piramide opgericht, bekroond door de monumentale Leeuw van Waterloo.

Natuurlijk was de overwinning bij Waterloo het werk van Engeland en Pruisen geweest. Toch speelde Nederland een bescheiden rol. Er vochten Nederlandse regimenten en wat voor het vaderlandse prestige nog belangrijker was, de Prins van Oranje (de toekomstige koning Willem II) was tijdens de aanloop naar Waterloo, bij Quatre-Bras aan zijn schouder gewond geraakt. Een levende nationale held kwam als geroepen en bovendien was hij een Oranje, een afstammeling van de Vader des Vaderlands. De continuïteit met het verleden was gewaarborgd en direct na 1815 begon de verering van de “held van Waterloo”. De schilder Jan Willem Pieneman vereeuwigde de gewonde kroonprins op een reusachtig schilderij van de Slag bij Waterloo, “de Nachtwacht van de negentiende eeuw.”

Pieneman
Jan Willem Pieneman 1824
De slag bij Waterloo, 18 juni 1815
Olieverf op doek, 576 x 836 cm
Centrale figuur is de hertog van Wellington terwijl de gewonde prins Willem II links staat afgebeeld

Niet alleen schilders maar ook dichters wakkerden de nationale trots aan. Op 26 februari a.s. is het precies tweehonderd jaar geleden dat de zakenman en dichter Jan Frederik Helmers (1767-1813) stierf. Hij maakte de Volkerenslag bij Leipzig in oktober dus niet meer mee en ook niet de aankomst van de toekomstige koning Willem I op 30 november 1813 bij Scheveningen. In 1799 had hij het gedicht Aan het Vaderland geschreven. Het wordt tegenwoordig niet meer in bloemlezingen vermeld. Helmers draafde in zijn enthousiasme over de Gouden Eeuw een beetje door: “Uw eeuwgen afkeer van geweld en slavernij.” Ook hij “vergat” de ware VOC-mentaliteit.

Aan het Vaderland (tweede strofe)
 
Ó Vaderland, dat, lang voordezen,
De roem der volken plagt te wezen!
Ach! Is uw oude roum voorbij?
Gij, schier tilt niets ten top gerezen,
Ontworsteld aan de dwinglandij,
Deedt u door gansch Europa vreezen;
Gij waart alom godncht, ontzaglijk, groot en vrij;
Uw naam, in oost en west geprezen,
Uw vlag, met blijdschap opgehezen,
Deed volk bij volk uw grootheid lezen,
Uw eeuwgen afkeer van geweld en slavernij.
 
uit: Aan mijn vaderland (1799) van Jan Frederik Helmers

In 1816 werd er een wedstrijd georganiseerd voor een nieuw volkslied. Hendrik Tollens (1780-1856) won met Wien Neerlandsch bloed. Het telt acht strofen.

Volkslied
Wien Neerlandsch bloed 1817
Wien Neerlandsch bloed (eerste strofe)
 
Wien Neerlandsch bloed in de aders vloeit,
Van vreemde smetten vrij,
Wiens hart voor land en koning gloeit,
Verheff’ den zang als wij:
Hij stell’ met ons, vereend van zin,
Met onbeklemde borst,
Het godgevallig feestlied in
Voor vaderland en vorst.
 
uit: Volkslied (1817) van Hendrik Tollens

Vergelijken we het volkslied van Tollens met het volkslied dat het duo Jochem Fluitsma en Eric van Tijn in 1996 schreef voor een commercial van de Postbank. Geen propaganda voor het vaderland maar voor een bank die graag alle Nederlanders in zich verenigt. Tollens won de prijsvraag in 1816 mede doordat hij elke strofe afsloot met de regel “voor vaderland en vorst” en tenslotte met “Bewaar, o God! den koning lang En ‘t lieve vaderland.”

In 1996 hoefde je het vaderland en de monarch niet meer te paaien, maar de onderdanen des te meer. Want vijftien miljoen Nederlanders zijn vijftien miljoen potentiële klanten. En aangezien de klant koning is, waren er in 1996 vijftien miljoen koningen bij de Postbank, en “die schrijf je niet de wetten voor, die moeten niet ‘t keurslijf in, die laat je in hun waarde.”

Vijftien miljoen mensen (refrein)
 
Vijftien miljoen mensen
Op dat hele kleine stukje aarde
Die schrijf je niet de wetten voor
Die laat je in hun waarde
Vijftien Miljoen mensen
Op dat hele kleine stukje aarde
Die moeten niet ‘t keurslijf in
Die laat je in hun waarde
 
uit: Vijftien Miljoen Mensen (1996) van Jochem Fluitsma en Eric van Tijn.