De Nederlandse tekstschrijver Rob Chrispijn (Wenen, 1944) is vanaf het allereerste begin medebepalend geweest voor het succes van Herman van Veen. In 1968 vertaalde hij het poëtische Suzanne van Leonard Cohen en sindsdien schreef hij tientallen teksten voor Herman van Veen, meestal in samenwerking met componist Erik van der Wurff en gitarist Harry Sacksioni. Mijn favouriete platen van Herman van Veen zijn albums uit de jaren zeventig zoals Bloesem (1972) Alles (1973), En nooit weerom (1974), Overblijven (1977) en Op Handen (1978).
Een deel van de liedteksten die Rob Chrispijn tussen 1968 en 1983 geschreven heeft, is gebundeld in Chrispijn, 15 jaar liedteksten. Het boek is allang uitverkocht, maar vorig jaar verscheen een nieuw boek Ogen met uitzicht op zee met honderd liedteksten. Het is te bestellen op zijn website. Een van de mooiste liedjes die hij voor Herman van Veen geschreven heeft, vind ik nog altijd Hoe dikwijls van de albums Overblijven (1977) en Carré IV (1979).
Hoe dikwijls stond ik op het punt van breken
en brak ik zonder het zelf te weten
beloften die ik ongemerkt gemaakt heb
door heel vriendelijk onduidelijk te zijn.
Hoe dikwijls stond ik op het punt van weggaan,
maar bleef ik om niemand voor het hoofd te stoten
en heb ik mezelf stilzwijgend opgesloten
achter een plaatselijk angstvallig rookgordijn.
Wijs me waar de toetsen zitten,
dan speel ik iets voor jou
zonder erbij na te denken,
omdat ik van je houd.
Wijs me waar de toetsen zitten
en schuif de hele boel opzij,
dan kan ik eindelijk zeggen
wat ik voor je voel.
de volledige tekst staat op: discoveen.nl
Nog een paar mooie liedjes van Herman van Veen, geschreven door Rob Chrispijn: Ogen met uitzicht op zee, Verzameling en Ze boog zover voorover. In navolging van het dorp (1965) van Friso Wiegersma schreef Rob Chrispijn Kind aan huis (1974) over de verkillende modernisering en heimwee naar vroeger.
Die als muizen in hun eigen kooi zijn verdwaald
Op hol geslagen op weg naar morgen
We draven maar door
Met een hekel aan bochten
Maken wij van elke rivier een kanaal
uit: Kind aan huis
In januari 1982 luisterde ik dagelijks naar Iets van een Clown van Herman van Veen. Het was net vóór de komst van de CD en ik draaide de LP op de oude platenspeler van mijn vader. Het eerste nummer heette: Laten we maar zeggen dat het regende en in de tekst zat een regel die mij erg aansprak: “Jonge dichters dromen van eigen werk in de literaire bladen.” Ik voelde mij een dichter en een dromer en ambities waren mij niet vreemd. Maar eenzaam voelde ik mij niet. Met een geestverwant was ik een blaadje ter bevordering van experimentele poëzie begonnen dat we samen vol schreven met Paul van Ostayen-achtige gedichten. Soms wreef ik mij suf met wrijfletters voor een visueel gedicht. En zo hadden we ons voorschot genomen op de droom van jonge dichters.
De Vlaamse journalist Piet Piryns sprak vorig jaar met schrijver, reiziger en dichter Cees Nooteboom bij zijn huis in Menorca en probeerde bij de wereldwijze schrijver tevergeefs uitspraken over ‘de toestand in de wereld’ te ontlokken. Nooteboom liet zich niet in de hoek van het cultuurpessimisme drijven, terwijl zijn ezeltje, huh-huh-huh, een klagelijk gebalk liet horen. In 1983 had Piryns al een gesprek met de toen vijftigjarige Nooteboom dat gepubliceerd is in de bundel 












