Categorie archief: taal en poëzie

Goethe & Co [ 5 ]

Goethe en zijn tijdgenoten: Christian Fürchtegott Gellert (1715-1769)

In zijn autobiografie Dichtung und Wahrheit schrijft Goethe in de eerste twee delen (Boek I-X) over zijn jonge jaren in Frankfurt, Leipzig en Straatsburg, de jaren zestig van de achttiende eeuw. Daarin passeren een aantal beroemde tijdgenoten de revue. In Goethe. Kunstwerk van het leven weeft Rüdiger Safranski door zijn biografie verschillende minibiografieën van tijdgenoten die invloed hadden op Goethe, zoals Christian Fürchtegott Gellert

Gellert werd geboren in een predikantenfamilie. Het gezin had het niet breed, maar toch kon hij in 1734 theologie gaan studeren aan de Universiteit van Leipzig. Vanaf 1745 zou hij daar ook zelf colleges geven in poëzie, ethiek en retorica, vanaf 1751 was hij er hoogleraar.Gellert genoot in zijn tijd grote populariteit door zijn didactisch-satirische Fabeln und Erzählungen (1746-1748), onder invloed van Jean de la Fontaine. Ook schreef hij een aantal sentimentele komedies. Zijn Leben der schwedischen Gräfin von G. (1746), geïnspireerd door Samuel Richardsons Pamela, geldt wel als de eerste sentimentele roman in Duitsland. Zelf achtte Gellert zijn Geistliche Oden und Lieder (1758) als zijn beste werk. Enkele van zijn hymnes werden door Ludwig van Beethoven op muziek gezet.
 
Bron: nl.wikipedia.org
Christian Fürchtegott Gellert
Christian Fürchtegott Gellert (1715-1769)
Nicht groß von Gestalt, zierlich, aber nicht hager, sanfte, eher traurige Augen, eine sehr schöne Stirn, eine nicht übertriebene Habichtsnase, ein feiner Mund, ein gefälliges Oval des Gesichts.

Goethe over Gellert

Die Verehrung und Liebe, welche Gellert von allen jungen Leuten genoß, war außerordentlich. Ich hatte ihn schon besucht und war freundlich von ihm aufgenommen worden. Nicht groß von Gestalt, zierlich, aber nicht hager, sanfte, eher traurige Augen, eine sehr schöne Stirn, eine nicht übertriebene Habichtsnase, ein feiner Mund, ein gefälliges Oval des Gesichts: alles machte seine Gegenwart angenehm und wünschenswert. Es kostete einige Mühe, zu ihm zu gelangen. Seine zwei Famuli schienen Priester, die ein Heiligtum bewahren, wozu nicht jedem, noch zu jeder Zeit, der Zutritt erlaubt ist; und eine solche Vorsicht war wohl notwendig: denn er würde seinen ganzen Tag aufgeopfert haben, wenn er alle die Menschen, die sich ihm vertraulich zu nähern gedachten, hätte aufnehmen und befriedigen wollen.
 
Bron: gutenberg.spiegel.de

Christian Fürchtegott Gellert [ de.wikipedia.org ] | Gellert Museum [ gellert-museum.de ]

Goethe & Co [ 4 ]

Goethe en zijn tijdgenoten: Johann Christoph Gottsched (1700-1766)

In zijn autobiografie Dichtung und Wahrheit schrijft Goethe in de eerste twee delen (Boek I-X) over zijn jonge jaren in Frankfurt, Leipzig en Straatsburg, de jaren zestig van de achttiende eeuw. Daarin passeren een aantal beroemde tijdgenoten de revue. In Goethe. Kunstwerk van het leven weeft Rüdiger Safranski door zijn biografie verschillende minibiografieën van tijdgenoten die invloed hadden op Goethe, zoals Johann Christoph Gottsched

Toen Goethe in Leipzig studeerde (1765-1768) was de roem van Johann Christoph Gottsched aan het tanen. Kort voor zijn dood in 1766 zou de 16-jarige Goethe hem bezoeken. In het zevende boek van Dichtung und Wahrheit doet Goethe verslag van dit bezoek:

Johann Christoph Gottsched
Johann Christoph Gottsched (1700-1766)
Unsern Besuch bei Gottsched darf ich nicht übergehen, indem die Sinnes- und Sittenweise dieses Mannes daraus hervortritt. Er wohnte sehr anständig in dem ersten Stock des goldenen Bären, wo ihm der ältere Breitkopf, wegen des großen Vorteils, den die Gottschedischen Schriften, Übersetzungen und sonstigen Assistenzen der Handlung gebracht, eine lebenslängliche Wohnung zugesagt hatte.
 
Wir ließen uns melden. Der Bediente führte uns in ein großes Zimmer, indem er sagte, der Herr werde gleich kommen. Ob wir nun eine Gebärde, die er machte, nicht recht verstanden, wüßte ich nicht zu sagen; genug, wir glaubten, er habe uns in das anstoßende Zimmer gewiesen. Wir traten hinein zu einer sonderbaren Szene: denn in dem Augenblick trat Gottsched, der große, breite, riesenhafte Mann, in einem gründamastnen, mit rotem Taft gefütterten Schlafrock zur entgegengesetzten Türe herein; aber sein ungeheures Haupt war kahl und ohne Bedeckung. Dafür sollte jedoch sogleich gesorgt sein: denn der Bediente sprang mit einer großen Allongeperücke auf der Hand (die Locken fielen bis an den Ellenbogen) zu einer Seitentüre herein und reichte den Hauptschmuck seinem Herrn mit erschrockner Gebärde. Gottsched, ohne den mindesten Verdruß zu äußern, hob mit der linken Hand die Perücke von dem Arme des Dieners, und indem er sie sehr geschickt auf den Kopf schwang, gab er mit seiner rechten Tatze dem armen Menschen eine Ohrfeige, so daß dieser, wie es im Lustspiel zu geschehen pflegt, sich zur Türe hinaus wirbelte, worauf der ansehnliche Altvater uns ganz gravitätisch zu sitzen nötigte und einen ziemlich langen Diskurs mit gutem Anstand durchführte.
 
Bron: gutenberg.spiegel.de

Johann Christoph Gottsched [ de.wikipedia.org ]

Goethe & Co [ 3 ]

Goethe en zijn tijdgenoten: Gotthold Ephraim Lessing (1729-1781)

In zijn autobiografie Dichtung und Wahrheit schrijft Goethe in de eerste twee delen (Boek I-X) over zijn jonge jaren in Frankfurt, Leipzig en Straatsburg, de jaren zestig van de achttiende eeuw. Daarin passeren een aantal beroemde tijdgenoten de revue. In Goethe. Kunstwerk van het leven weeft Rüdiger Safranski door zijn biografie verschillende minibiografieën van tijdgenoten die invloed hadden op Goethe, zoals Gotthold Ephraim Lessing

Net als Johann Joachim Winckelmann was Gotthold Ephraim Lessing een beroemde tijdgenoot die de jonge Goethe in zijn Leipziger jaren (1765-1768) had kunnen ontmoeten. In 1767 was er in Leipzig een opvoering van Minna von Barnhelm (1767) waarbij Lessing zelf aanwezig was.

Gotthold Ephraim Lessing
Gotthold Ephraim Lessing (1729-1781)

Als hij echt gewild had, had de twintig jaar jongere Goethe hem kunnen ontmoeten. Maar Goethe schrijft in Dichtung und Wahrheit:

Lessing traf zu einer Zeit ein, wo wir ich weiß nicht was im Kopf hatten: es beliebte uns, ihm nirgends zu Gefallen zu gehen, ja die Orte, wo er hinkam, zu vermeiden, wahrscheinlich weil wir uns zu gut dünkten, von Ferne zu stehen, und keinen Anspruch machen konnten, in ein näheres Verhältnis mit ihm zu gelangen. Diese augenblickliche Albernheit, die aber bei einer anmaßlichen und grillenhaften Jugend nichts Seltenes ist, bestrafte sich freilich in der Folge, indem ich diesen so vorzüglichen und von mir aufs höchste geschätzten Mann niemals mit Augen gesehen.
 
Bron: Dichtung und Wahrheit, Buch VIII (1812)

Goethe zou Lessing nooit ontmoeten. Lessing stierf in 1781, slechts 52 jaar oud.

Gotthold Ephraim Lessing [ de.wikipedia.org ]

filisters en barbaren

Alessandro Baricco over de Barbaren
en Goethe and the Velociferic Tendencies of the Modern Age

Gisteren schreef ik iets over mijn eerste kennismaking met Faust op de middelbare school. Goethe was voor ons in 1980 verplichte kost. Veel liever lazen we boeken van Jan Wolkers zoals de generatie na ons liever Ronald Giphart en Dimitri Verhulst leest dan klassiekers uit andere tijden. Er waren (en er zijn) gelukkig nog steeds wel leraren die Mutatuli, Goethe of Shakespeare bij jongeren spannend weten te maken. Het huizenhoge vooroordeel wegnemen dat oude literatuur of poëzie saai zou zijn, is echter geen sinecure.

De tegenstelling tussen de jongeren die aangetrokken worden door snelheid en rauwe taal en de leraren is de afgelopen vijftig jaar tijdens de literatuurles steeds kleiner geworden. Dat komt vooral omdat de leraren van nu degenen zijn die zélf veel liever Wolkers of Giphart lazen in plaats van Hildebrand of Multatuli. Ze begrijpen dus waarom de leerlingen bijna allemaal Dimitri Verhulst willen lezen. Leerlingen én leraren zitten daardoor steeds meer opgesloten in hun eigen tijd, terwijl de literatuur (en kunst) uit het verleden juist de gelegenheid biedt om onze eigen tijd te relativeren.

Allessandro BariccoAlessandro Baricco signaleert in Barbaren dat we door de invloed van de massamedia en het internet in het bijzonder steeds oppervlakkiger zijn geworden. We scheren met onze aandacht alleen nog over de toppen en zijn daarbij gericht op het spectaculaire. Door de snelheid en overvloed van informatie die op ons afkomt, is de aandacht versnipperd geraakt en de spanningsboog aanzienlijk ingekort.

Dit is overigens geen fenomeen uit de late 20e en begin 21e eeuw. Aan het einde van zijn leven, merkte Goethe al op, hoe zijn wereld steeds sneller aangedreven werd door de techniek, in het nadeel van het sublieme en de diepgang en in het voordeel van het middelmatige. In een brief aan Carl Friedrich Zelter (1758-1832) schreef Goethe op 6 juni 1825:

Goethe Zelter Briefwechsel“Reichtum und Schnelligkeit ist, was die Welt bewundert und wonach jeder strebt, Eisenbahnen, Schnellposten, Dampfschiffe und alle mögliche Fazilitäten der Kommunikation sind es, worauf die gebildete Welt ausgeht, sich zu überbieten, zu überbilden und dadurch in der Mittelmäßigkeit zu verharren.”

Jongelui worden veel te vroeg geprikkeld en dan in de maalstroom van de tijd meegesleurd. Rijkdom en snelheid is wat de wereld bewondert en waar iedereen naar streeft. Treinen, exprespost, stoomboten en alle mogelijke faciliteiten om te communiceren, dat is waar men in de beschaafde wereld het hardst achteraanholt, zichzelf voorbijholt en daardoor in middelmatigheid blijft steken.
 
Goethe in een brief aan zijn vriend Zelter

Goethe noemde de geest van zijn tijd (lees: de jaren twintig van de 19e eeuw) “velociferisch”. Hij zag de snelheid als een uitdrukking van het demonische, datgene wat de mens wegdrijft bij zichzelf en zijn verlangen naar het hogere. Na 1830 zou het idealisme drooggelegd worden en raakte de zogenaamde filister in opkomst. Dat was een realist, een mens die dacht in termen van nuttigheid. De huidige homo economicus of consument stamt hier direct vanaf. Deze ontwikkeling was voor Goethe een gruwel. Een halve eeuw na hem, toen de wereld inmiddels volledige door wetenschap, techniek en economie beheerst werd en modern geworden was, volgde Nietzsche met zijn tirades tegen de beschavingsfilister.

Goethe noemde de geest van zijn tijd “velociferisch”. Hij zag de snelheid als een uitdrukking van het demonische, datgene wat de mens wegdrijft bij zichzelf en zijn verlangen naar het hogere.

Het cultuurpessimisme van de late Goethe en van Nietzsche heeft in sociale zin vaak een vernietigend effect op degene die dit pessimisme uit. Je bent bij voorbaat al een ouwe brompot die schampert over de jeugd van tegenwoordig en daarbij beweert dat vroeger alles beter was. De houding van Baricco tegen het verdwijnen van de hoogte en de diepte van ons bestaan lijkt slimmer: spreek ironisch over “de barbaren”, verbindt daar vooral geen oordeel aan, maar omschrijf de immense vervlakking eufemistisch als “een overgang naar een nieuw collectief bewustzijn.”

Goethe and the Velociferic Tendencies of the Modern Age [ goethetc.blogspot.nl ]

Groot Verhaal

gelezen in: Goethe – kunstwerk van het leven van Safranski
hoofdstuk 33 over de voltooiing van Faust

Goethe - kunstwerk van het levenIn 1980 maakte ik op school tijdens de les Duitse literatuur voor het eerst kennis met Goethe‘s meesterwerk. Faust was voor ons een verplicht nummer. Het moest gelezen worden voor de boekenlijst. Toch voelde ik op mijn klompen aan dat Faust voor mij meer was dan ouwe koek die ik voor het examen Duitse literatuur moest lezen.

Toen mijn leraar Duits na het mondeling examen literatuur vroeg welk boek mij het meest had aangesproken, hoefde ik niet lang na te denken. Heel veel uit Faust begreep ik niet, maar één ding wél: wereldliteratuur die op hetzelfde niveau stond als Homerus, Shakespeare of Cervantes hield een belofte in voor de toekomst. Wat voor mij als zeventienjarige nog versleuteld was, zou zich later nog wel openbaren.

Dat wij dit in de klas een stoffig, ontoegankelijk werk vonden, lag niet aan Faust maar veel eerder aan ons. Waren wij niet ook verwende welvaartskinderen die liever onze boekenlijsten vulden met Jan Wolkers dan met klassiekers? Ik begreep dat Faust een boek voor het leven is, dus ook een boek dat met ons meegroeit. In ieder geval gebeurde dat wel bij Goethe, die vóór zijn 25e de eerste versie schreef en pas na zijn tachtigste het werk voltooide.

Faust
Faust lithografie van Delacroix uit 1828

Faust is een Groot Verhaal. Het is het verhaal van de mens die naar kennis en macht streeft, daarbij de wereld wint, maar zijn ziel verliest. Het paste ook precies in de tijd van Goethe, die de overgang van de pre-industriële tijd naar de eeuw van wetenschap en techniek meemaakte. Toen Goethe tussen 1829 en 1831 werkte aan de laatste fragmenten van Faust II, begon de transportrevolutie met de allereerste locomotief en werd de eerste elektromotor uitgevonden. Mede daardoor zou de wereld in de twee decennia daarna meer veranderen dan in de tweeduizend jaar daarvoor. Aan het einde van zijn leven, sprak Goethe over “het velociferische”. Dat is een samentrekking tussen snelheid en Lucifer. Hij zag in de versnelling van wetenschap en techniek het duivelse naar voren komen.

Aan het einde van zijn leven, sprak Goethe over “het velociferische”. Dat is een samentrekking tussen snelheid en Lucifer. Hij zag in de versnelling van wetenschap en techniek het duivelse naar voren komen.

Faust is een modern verhaal en tegelijkertijd roept het de sfeer van de middeleeuwen op met zijn alchemie, Walpurgisnacht en tovenarij. Als we dieper kijken, blijkt het onderscheid tussen de moderniteit en middeleeuwen diffuus. Is de elektriciteit niet een geheimzinnige kracht en is de wetenschap die haar getemd heeft niet een moderne vorm van tovenarij?

Gretchen's geest verschijnt voor Faust
Delacroix roept in zijn illustraties uit 1828 vaak eenzelfde demonische sfeer op als Goya in zijn serie prenten “Los Desastres de la Guerra”. Mogelijk heeft Gustave Doré zich rond 1860 door prenten als de bovenstaande laten inspireren toen hij illustraties maakte bij het Inferno van Dante.

Maar niet alleen de techniek zouden we als een vorm van magie kunnen zien, waarmee de moderne mens de wereld tracht te beheersen. Een van de toverkunstjes die Mephisto leert, is de schepping van het papiergeld. Wij zijn daar nu helemaal vertrouwd mee, het is het fundamenten van de moderne economie geworden, maar in Goethe‘s tijd was dit helemaal niet zo vanzelfsprekend en eerder vergelijkbaar met de alchemie die uit lood goud probeert te maken. Papier dat ingewisseld kon worden voor goud! Deze toverkunst is afhankelijk van het vertrouwen van de ontvanger. Het is veelzeggend dat bij Goethe alleen de nar (de dwaas) hier niet intrapt:

Narr. Da seht nur her: ist das wohl Geldeswert?
Mephistopheles. Du hast dafür, was Schlund und Bauch begehrt.
Narr. Und kau­fen kann ich Acker, Haus und Vieh?
Mephistopheles. Ver­steht sich! biete nur: das fehlt dir nie.
Narr. Und Schloß mit Wald und Jagd und Fischbach?
Mephistopheles. Traun!
Ich möchte dich gestren­gen Herrn wohl schaun!
Narr. Heut abend wieg ich mich im Grund­be­sitz!
 
Bron: schuldundschein.de

Das Papier­geld in Faust II [ schuldundschein.de ]

Goethe en de islam [ 3 ]

Was Goethe a muslim? (1995) door Shaykh ‘Abdalqadir Al-Murabit
gedichten uit West-östlicher Divan (1819)

[vervolg van deel 1 en deel 2]
Twintig jaar geleden verscheen onder de titel Was Goethe a Muslim? een artikel van de soefi Shaykh ‘Abdalqadir Al-Murabit. In datzelfde jaar werd Goethe door de plaatselijke moslimgemeenschap van Weimar aangenomen als moslim. Wat is hier precies aan de hand?

West-östlicher Divan
de kop van het Buch Suleika in een uitgave uit 1882

Toen de West-östlicher Divan in 1819 gepubliceerd werd, ontbrak er een gedicht dat later wel in deze bundel werd opgenomen. Het is een gedicht uit het Buch Suleika met de titel Süßes Kind, die Perlenreihen. Goethe schreef dit gedicht, zoals veel andere gedichten in deze bundel, voor Marianne von Willemer op wie hij verliefd geworden was. Hij spreekt haar aan op het kruisje dat zij om haar hals droeg. Goethe was geen liefhebber van het kruis. Hij vond het een martelinstrument en niet esthetisch. Begrijpelijk, maar het teken van het kruis is ook niet bedoeld als kunstwerk dat we mooi moeten vinden maar is een levenschenkend symbool. Dat laatste was het voor Goethe in ieder geval niet. Hij vond het kruis gewoon niet mooi en moest er daarom niets van hebben. Dat blijkt duidelijk uit het gedicht Süßes Kind, die Perlenreihen. Hieronder een fragment. Let op de laatste regel:

Jesus fühlte rein und dachte
Nur den Einen Gott im stillen;
Wer ihn selbst zum Gotte machte
Kränkte seinen heil’gen Willen.
 
Und so muss das Rechte scheinen,
Was auch Mahomet gelungen;
Nur durch den Begriff des Einen
Hat er alle Welt bezwungen.
 
(…)
 
Isis’ Horn, Anubis’ Rachen
Boten sie dem Judenstolze,
Mir willst du zum Gotte machen
Solch ein Jammerbild am Holze!

Sulpiz BoisseréeToen zijn katholieke vriend Sulpiz Boisserée (1783-1854) het gedicht las, ontraadde hij Goethe het te publiceren. Misschien was hij geschokt door het godslasterlijke. Maar misschien was het eerder praktisch en wilde hij voorkomen dat Goethe met dit gedicht in de problemen zou komen. Het jaar waarin de West-östlicher Divan gepubliceerd werd, was ook het jaar van de Besluiten van Karlsbad. Voortaan werden Duitse kunstenaars in de gaten gehouden. Als er iets in hun werk was dat de nationalisten in de kaart zou spelen, dan werd dat geschrapt en soms werd het hele werk verboden. De Restauratie herstelde niet alleen het koningschap maar ook het katholicisme. Iemand die het christelijk geloof aanviel, stond gelijk onder de verdenking dat hij ook tegen het koningschap was. Dit zou wel eens de werkelijke reden geweest kunnen zijn waarom Goethe het gedicht Süßes Kind, die Perlenreihen in de uitgave van 1819 niet liet opnemen.

Later werd het blasfemische gedicht van Goethe wél in de Divan opgenomen. Volgens Shaykh ‘Abdalqadir Al-Murabit toont vooral dit gedicht aan dat Goethe zich van het christendom had afgekeerd en zich had toegewend tot de islam. Een ander gedicht dat zou aantonen dat Goethe into islam was, komt uit Hikmet Nameh, het boek der spreuken:

Närrisch, daß jeder in seinem Falle
Seine besondere Meinung preist!
Wenn Islam Gott ergeben heißt,
In Islam leben und sterben wir alle.

Islam betekende voor Goethe overgave aan het grote wezen dat zich overal in de natuur manifesteert, maar zich verbergt en nooit in één bepaalde godsdienst ten volle openbaart. Zijn standpunt was dus helemaal in strijd met de islam, die juist leert dat de Koran de hoogste openbaring die God de mens gegeven heeft en dat Mohammed de grootste profeet is. Goethe verzette zich daar juist tegen, zoals hij zich ook verzette tegen de waarheidsclaim van het christendom. De wijze waarop hij religie beleefde, lijkt veel op de wijze waarop de nieuwetijdse spiritualiteit (New Age) religie beleeft: dogma’s worden beschouwd als de vijand van de persoonlijke ervaring. Het draait dus om de menselijke ervaring en niet om één specifieke goddelijke openbaring.

West-östlicher Divan 1819
titelblad van de eerste uitgave van de West-östlicher Divan uit 1819 in het arabisch
Het artikel dat Al-Murabit op eigen titel geschreven heeft, is dus de individuele actie van een vrijzinnige moslim die Goethe’s enthousiasme voor de Perzische poëzie in combinatie met zijn dichterlijke vrijheden interpreteert als een knieval voor de islam.

Dat iemand als Shaykh ‘Abdalqadir Al-Murabit een stuk schrijft waarin hij Goethe een moslim noemt, is voor mij wel te verklaren. Al-Murabit is namelijk een soefi. Het soefisme is een mystieke beweging binnen de islam die veel opener staat voor de persoonlijke ervaring dan de soenna, de traditionele islam. Het soefisme kent dezelfde houding die Goethe had en die we ook in New Age aantreffen: de nadruk wordt meer gelegd op het goddelijke dan op de Godheid die transcendent moet blijven. Als Al-Murabit de Duitse titaan als moslim adopteert, is dit dus de individuele actie van een vrijzinnige moslim die Goethe’s enthousiasme voor de Perzische poëzie in combinatie met zijn dichterlijke vrijheden interpreteert als een knieval voor de islam.

Was Goethe a muslim?

Goethe en de islam [ 2 ]

Was Goethe a muslim? (1995) door Shaykh ‘Abdalqadir Al-Murabit
gedichten uit West-östlicher Divan 1819

[vervolg van deel 1]
Twintig jaar geleden verscheen onder de titel Was Goethe a Muslim? een artikel van de soefi Shaykh ‘Abdalqadir Al-Murabit. In datzelfde jaar werd Goethe door de plaatselijke moslimgemeenschap van Weimar aangenomen als moslim. Wat is er aan de hand? In dit stuk probeer ik met gedichten uit de West-östlicher Divan aan te tonen dat Goethe weliswaar sympathie toonde voor bepaalde aspecten van de islam, maar dat hij de islam net als elke andere geïnstitutionaliseerde religie afwees.

DiwanGoethe‘s eerste kennismaking met Mohammed was rond zijn 23e aan het begin van de jaren zeventig van de achttiende eeuw. Pas heel veel later in 1814, Goethe is dan bijna 65, keerde hij door een Duitse vertaling van de Diwan van de Perzische dichter Hafez (1320- ca.1390) terug naar de wereld van het Midden-Oosten, die in die tijd de Oriënt genoemd werd. Goethe raakte zo begeistert dat hij in 1815 zelfs besloot Arabisch te leren.

Ook keerde Goethe weer terug naar de Koran en zijn schrijver Mohammed. De gedichten die hij in deze periode schreef, vaak in een poëtische dialoog met Marianne von Willemer, werden gebundeld in de West-östlicher Divan die in 1819 verscheen. Deze dichtbundel is onderverdeeld in twaalf boeken.

West-östlicher Divan
voorblad van de West-östlicher Divan (1819)
in een uitgave van Goethe’s Verzamelde Werken uit 1882 ter gelegenheid van zijn vijftigste sterfdag.

Uit deze gedichten kunnen we veel opmaken uit Goethe’s relatie met de islam. Een gedicht dat voor Shaykh ‘Abdalqadir Al-Murabit een bewijs is dat Goethe in zijn hart een moslim moet zijn geweest, is het volgende:

Ob der Koran von Ewigkeit sei?
Danach frag ich nicht!
Ob der Koran geschaffen sei?
Das weiß ich nicht!
Daß er das Buch der Bücher sei,
Glaub ich aus Mosleminenpflicht.
 
uit: Das Schenkenbuch (Saki Nameh), Westöstlicher Divan, 1819

Goethe lijkt als moslim te spreken als hij het over de “moslimplicht” heeft, die hem gebiedt de Koran het boek der boeken te noemen. Maar wás dat voor Goethe ook zo? Goethe geloofde namelijk in de natuurlijke religie. In deze religie is sprake van het grote wezen dat in de hele natuur aanwezig maar verborgen is. Dit wezen manifesteert zich niet in één specifieke gebeurtenis, in één persoon, laat staan in één geschrift. Daarom wees Goethe de waarheidsclaim van heilige boeken af, dus ook van de Bijbel en de Koran . Deze behoorden voor hem tot de wereldliteratuur, maar waren niet de ultieme goddelijke openbaring. In deze opvatting kan hij hoogstens een zeer vrijzinnige moslim (of christen) genoemd worden, omdat hij de waarheidsclaim van de orthodoxie afwees.

De zogenaamde nieuwetijdse spiritualiteit die zo vaag is dat alles er wel in past, behalve de geïnstitutionaliseerde religie die zij afwijst, lijkt overeen te komen met de zogenaamde “natuurlijke religie” van Goethe.

Voor ons in de 21e eeuw is de omgang van Goethe met religie heel vertrouwd. De nieuwetijdse spiritualiteit die zo vaag is dat alles er wel in past, behalve de geïnstitutionaliseerde religie die zij afwijst, lijkt overeen te komen met de zogenaamde “natuurlijke religie” van Goethe. Safranski schrijft in zijn biografie Goethe – kunstwerk van het leven over Goethe‘s vrijzinnige opvatting over de islam:

Goethe - kunstwerk van het levenVoor Goethe is de islam eigenlijk iets poëtisch. Maar dat wil de islam niet zijn. DE islam wil een moreel regime optrekken, en Mohammed, met zijn spirituele sprookjes eigenlijk een poëet, wil per se profeet zijn. Zo wordt de profeet de vijand van de poëet, omdat hij er zelf een is. In zijn afkeer van poëzie lijkt Mohammed ook uiterst consequent, doordat hij alle sprookjes verbiedt. En hoe zou het ook anders kunnen? Zijn leer mag onder geen beding een sprookje lijken.
 
Bron: Goethe – kunstwerk van het leven, door Rüdiger Safranski, blz. 566

Goethe was dus geen moslim, maar flirtte wel met het soefisme, de mystieke traditie binnen de islam, die vooral schittert door de poëzie. Goethe las niet alleen het werk van de mystieke Perzische dichter Hafez (1320- ca.1390), maar ook gedichten van de Perzische dichters Jalal ad-Din Rumi (1207-1273), Nur ad-Din Abdur Rahman Dschami (1414-1492), Saadi Shirazi (1210-1292) en Farid ad-Din Attar (1145-ca.1221).

In het laatste deel wil ik enkele gedichten uit de West-östlicher Divan naar voren brengen, waaruit Goethe’s voorkeur zou moeten spreken voor de islam en zijn afkeer van het christendom.