Categorie archief: taal en poëzie

en nooit weerom [ 2 ]

Vandaag blijf ik nog steeds luisteren naar En Nooit Weerom (1974)
van Herman van Veen met teksten van Rob Chrispijn

verzameling

Een straaljager trekt een streep door de hemel
Een merel slaat alarm
Het grasveld vergeelt onder mijn handen
De mollen hebben het warm

De man op de bank in de gloeiende zon
Praat over Zwitserland
Waar de wereld haar geld bewaart
Hij had vroeger ook iets gespaard maar wat
Is ie vergeten
Maar goed ook zegt ie, gek
Hoe alles op den duur
In een verzameling ontaard

En hij kan het weten
Hij had dozen vol bladeren
Een hele herfst in een kast
Hij zei: in mijn strijd tegen de tijd
Vormt alles wat valt een houvast

En het is voor zijn bestwil
Dat hij hier zit
Staart en eet en slaapt
Maar ik weet wat ze onder helpen verstaan
Ze hebben het met de kat gedaan
Die ligt nu lui en vadsig voor de haard

en nooit weerom

De schemering sluipt
Over het grasveld
De nacht staat op een kier
De man op de bank wordt langzaam doorzichtig
Ik was liever bij jou
Maar ik ben hier

Bron: waltertje.com

Discografie Herman van Veen

en nooit weerom [ 1 ]

Ik luisterde gisterenavond weer eens naar En Nooit Weerom (1974)
van Herman van Veen met teksten van Rob Chrispijn

Nel

En nooit weeromHoe gaat het toch met
Je weet wel
Zij
Met die te vroeg te grote
Ze liet me altijd
Zo verbaasd beminnen
En vroeg daarna
Waarom je dat deed
Je zei dan
Dat het je speet
Maar dat dacht je niet

Hoe heet ze nu toch
Je weet wel
Ze was toen getrouwd met die dichter

Beroemd geworden om zijn
Op haar lijf geschreven verzen
Dan ben ik dichterbij
Dichtte hij
Toen zijn naam
Van de bestsellerslijst
Verdwenen was
Ging hij ook snel

Hoe gaat het toch met
Je weet wel
Is haar zoon
Nu werkelijk bij z’n vader

Ze zeggen
Dat ze met die jongen sliep
En toen de rechter vroeg
Waarom ze dat deed
Heeft ze zich
Voor zijn ogen
Uitgekleed
Toen begreep die rechter het wel

Bron: nomorelyrics.net

Discografie Herman van Veen

jaren van verwondering

Geluisterd naar Bloesem (1972) van Herman van Veen

Vijfentwintig jaar geleden, in het voorjaar van 1982, draaide ik platen van Herman van Veen grijs. Aan het onderstaande lied heb ik een bijzondere herinnering. Ik had net eindexamen VWO gedaan en het zag er naar uit dat ik gezakt was. Ik wachtte de uitslag niet af, maar gaf eind mei alvast een feest. Een oom van mij had een grote boerderij en in een van de schuren op het land mochten we de beest uithangen. Als voorproef op het komende studentenleven, braken we de nacht door. Toen het licht werd, liet ik met een kater om half vijf ‘s morgens keihard Ochtend in de stad over de weilanden schallen:

Net als vroeger is er weer een dag geboren, maar de jaren van verwondering zijn voorbij

Die nacht en die morgen zouden niet alleen een voorproef zijn op het studentenleven, maar ook op de weltschmerz en de wrange ‘verzachtende’ humor van het adolescentenbestaan.

Ochtend in de stad

Licht gaat branden achter sommige gordijnen
Hier en daar een mens op straat, ietwat verdwaald
Rokershoest weerklinkt alom, lantarens kwijnen
Als er hier een haan was, had ie al gekraaid

Mensen overwegen om in bed te blijven
Zien er toch maar weer vanaf uit goed fatsoen
En een oude man wordt wakker met een stijve
Maar heeft niemand om een vluggertje te doen

Ergens laat zich al de helse toeter horen
Van een matineuze heer in het verkeer
Achter grote gele vensters van kantoren
Zijn de werksters met hun emmers in de weer

En wie in zijn diepste nachtelijke dromen
Is gezworven naar de bron van zijn bestaan
Mag zo dadelijk weer op het matje komen
Aangezien hij een vergissing heeft begaan

Net als vroeger is er weer een dag geboren
Maar de jaren van verwondering zijn voorbij
En ook zijn er hier geen vogels meer te horen
Behalve twee minuten op de vierde mei

Maar ach, het leven nam ons allen op de korrel
En de dood genaakt met een klapperend gebit
Ja, wij verlangen naar het uur dat de eerste borrel
Goed en wel weer achter onze kiezen zit