Jean Nicolas Arthur Rimbaud (20 oktober 1854)
Op de glooiing van de helling draaien de engelen hun wollen gewaden rond in de grasvelden van staal en smaragd.
Vlammenweiden springen tot op de heuveltop.
Links wordt de teelaarde van de bergrug vertrappeld door allerlei moordpartijen en veldslagen, en allerlei rampspoedige geruchten rekken hun ronde. Achter de bergrug rechts de lijn van het oosten, van iedere vooruitgang.
En terwijl de bovenste strook van het schilderij wordt gevormd door het ronddraaiend en opspringend geruis van zeehorens en mensennachten,
Daalt de bloeiende mildheid van de sterren en van de hemel en van de rest neer voor de helling, als een korf, tot tegen ons gezicht, en maakt de afgrond bloesemgeurig en blauw daaronder.

Het ontregelen van de zintuigen begint met grasvelden van staal en smaragd, weiden vol vlammen en bloeiende sterren. Hoewel dit een religieus tafereel is, is dat in eerste oogopslag niet duidelijk te merken. Maar begeeft men zich in de diepere lagen van het gedicht, dan doemen de mystieke elementen langzaam op. Rimbaud beschrijft engelen die ronddraaien in wollen gewaden: wol verwijst indirect naar het Lam Gods, dat door middel van ronddraaien centraal gesteld wordt. De pelgrims komen vanuit het oosten: zij volgen de weg van vooruitgang. De hemel wordt herleid tot gerucht van zeeschelpen en menselijke (lees: aardse) nachten. Terwijl het wereldse gerucht stijgt, daalt het hemelse neer: de sterren worden bloemen, de hemel wordt een afgrond.
Bron
Leonardo di Caprio als Arthur Rimbaud in Total Eclipse
20/10 toen | heiligen van de dag














