Droom van Italië gaat over de liefde die West-Europese kunstenaars eeuwenlang voelden voor Italië, het land van licht, warmte, kunst en cultuur. Aan de hand van een kleine vijftig meesterwerken van onder andere Maarten van Heemskerck, Claude Lorrain, Poussin, Corot, Turner en Feuerbach schetst Henk van Os voor het eerst de ontwikkeling die zich in het dromen over Italiëheeft voorgedaan.Het boek begint met de zestiende eeuw, waarin kunstenaars de resten van de antieke beschaving wilden bestuderen en documenteren. Hun zeventiende-eeuwse opvolgers kregen oog voor de schoonheid van het landschap en de gouden gloed van de Italiaanse zon. Met hun geïdealiseerde landschappen zetten zij voor lange tijd de toon. Het schilderen in de buitenlucht ? in zwang geraakt in Rome ? leidde rond 1800 tot nieuwe visies op het land. Ook groeide de aandacht voor de bevolking en haar vanzelfsprekende religieuze besef. Italiëwerd een oord van volmaakte harmonie, waar kunstenaars zich op het eind van de negentiende eeuw ten slotte bewust werden van een verlangen dat even intens als onvervulbaar was.
Bron: wbooks.com
Ezzelino (letterlijk: “kleine Attila“) da Romano (1194-1259) was zo wreed dat veel van zijn tijdgenoten hem meer vreesden dan de duivel. In Die Kultur der Renaissance in Italien en Duecento van respectievelijk Jacob Burckhardt en Hélène Nolthenius wordt hij in het eerste hoofdstuk al genoemd. Burckhardt schrijft dat niemand van de Italiaanse tirannen in de veertiende en vijftiende eeuw Ezzelino in de omvang van zijn wreedheid heeft geëvenaard, ook Cesare Borgia niet. Was het dan zo erg? In Ducento schrijft Hélène Nolthenius: “Waar Ezzelino vaste voet aan de grond kreeg, werden burgers bij horden onthoofd, verbrand en verminkt. Nooit was de rampzalige markt van Treviso zo ontredderd als toen Ezzelino haar in 1252 brandschatte en geen mens aan zijn razernij ontkwam.” De Duitse schrijver Joseph von Eichendorff schreef in 1828 het toneelstuk Ezzelin von Romano.
Gisteren las ik
Maar terwijl Herfsttij der Middeleeuwen leest als een gedetailleerd schilderij, lijkt Duecento meer op de zang van een troubadour. Vreemd is dat niet want Hélène Nolthenius kwam uit een muzikale familie en promoveerde op een proefschrift onder de titel: “De oudste melodie van Italië”. Ze besluit de proloog van Duecento met een lied:












