Maandelijks archief: april 2008

Max Planck

vandaag geeft de Deutsche Post een postzegel uit
ter gelegenheid van 150e geboortedag van Max Planck
Max Planck zegel 10 april 2008Max Planck verrichtte onderzoek naar de wetten van de thermodynamica en de uitstraling van energie door zwarte lichamen (black body radiation) en zocht naar de oplossing voor het probleem waar de klassieke natuurkunde niet uit kwam: hoe luidt de formule die het continue energieverloop beschrijft van een energie uitstralend lichaam. Het was al bekend dat de golflengte van elektromagnetische straling korter wordt naarmate de temperatuur van het lichaam stijgt. Wilhelm Wien vond in 1893 een formule voor de energiedistributie van straling vanuit zwarte lichamen, die gold voor het violette eind van het spectrum en John Rayleigh en James Jeans produceerden een formule voor het rode gebied, maar niemand kon een formule vinden die gold voor het hele spectrum. Zijn onderzoekingen brachten Planck er in 1900 toe de klassieke Newtoniaanse principes te verwerpen en een heel nieuw principe te introduceren, wat uiteindelijk resulteerde in de kwantumtheorie. Hij publiceerde zijn bevindingen in de verhandeling Zur Theorie des Gesetzes der Energie-Verteilung im Normal-Spektrum. Plancks theorie komt erop neer dat energie wordt uitgestraald in kleine ‘pakketjes’ of eenheden, die hij quanta (kwanta) noemde, meervoud van het Latijnse quantum (kwantum), wat “hoeveelheid” betekent.
 
Bron: nl.wikipedia.org
Max Planck
Max Planck stond in 1952 al op een postzegel van de Deutsche Post Berlin

150. Geburtstag Max Planck [ philatelie.deutschepost.de ]

vroege Hollanders

Vroege Hollanders, schilderkunst van de late Middeleeuwen
Boijmans Van Beuningen Rotterdam, 16 februari – 25 mei 2008
De tentoonstelling Vroege Hollanders. Schilderkunst van de late middeleeuwen laat zien wat er geschilderd is in de Noordelijke Nederlanden in de vijftiende en het begin van de zestiende eeuw. Uit deze periode zijn maar weinig schilderijen bewaard gebleven. Van de meeste kunstenaars kennen we niet eens hun naam, zij kregen in de loop der eeuwen noodnamen die refereren aan hun bekendste werk of hun woonplaats. Over de schilderschool in het graafschap Holland was tot op heden dan ook niet veel bekend, veel minder dan over de Vlaamse meesters.
Geertgen
Geertgen tot Sint Jans
De verheerlijking van Maria, ca. 1490-1495
olieverf op paneel, 24.5 x 18.1 cm
De in de zuidelijke Nederlanden verfijnde techniek van de olieverfschilderkunst wordt echter al snel in Holland overgenomen. Vooral Haarlem en Delft ontwikkelen zich tot belangrijke centra, met kunstenaars die weliswaar beïnvloed worden door de Vlaamse primitieven, maar toch een heel eigen stijl hebben. De resulterende schilderijen tonen typisch Hollandse taferelen, zoals de Heilige familie aan tafel in een Hollands interieur van de Meester van de Brunswijkse diptiek. De tentoonstelling begint met Geertgen tot Sint Jans en eindigt met Lucas van Leyden, wiens werk nog wortelt in de middeleeuwen maar al het begin van de Renaissance in Holland aankondigt.
 
Bron: boijmans.nl

Geertgen tot Sint Jans | Lucas van Leyden

De ambigue gelovige

Willem Jan Otten hield in Utrecht de Quasimodolezing 2008
Trouw (Letter & Geest) publiceerde afgelopen weekend de integrale tekst
Op de zaterdag vóór zondag Beloken Pasen (in het latijn “Quasimodo geniti” genaamd) werd in de kathedrale kerk in Utrecht de tweede Quasimodolezing gehouden. De dichter, romanschrijver en essayist Willem Jan Otten was uitgenodigd om te spreken over de ambigue gelovige, de moderne gelovige die niet goed weet op welk been hij nog kan staan en daardoor wat wankelmoedig in verschillende richtingen naar God zoekt.
“Ietsisten struinen de wereld af, en daarvan vooral het geestelijke leven, op zoek naar iets waarin zij kunnen geloven. Ze vinden van alles, maar wat ze ook vinden: ze willen het nooit in zijn geheel.”
Christus icoon
Ietsisten zeggen wel in “iets” te geloven maar niet in iemand, laat staan in de Iemand die mensgeworden is in Christus
Otten thematiseert deze moderne geloofshouding in zijn werk als literator. In zijn lezing knoopte hij bij Augustinus aan, bij wie alles om de menswording draait. Het besef dat God in Jezus Christus mens geworden is, leidt tot de belijdenis van het geloof.
 
Otten reageerde kritisch op de zogenaamde “ietsisten” die met het geloofsgoed selectief omgaan en zeggen wel in “iets” te geloven maar niet in iemand, laat staan in de Iemand die mensgeworden is in Christus.
 
Bron: okkn.nl
“Het komt er uiteindelijk op neer dat God overal is waar de ietsist in de spiegel kijkt – overal is hij, maar mirabili dictu, niet op Gogoltha.”

Willem Jan OttenWillem Jan Otten (1951)
is een Nederlands schrijver, met een veelzijdig oeuvre van poëzie, verhalend proza, toneel, kritieken, artikelen, beschouwingen en essays. Otten is getrouwd met schrijfster Vonne van der Meer. Hij debuteerde in 1973 als dichter met de bundel Een zwaluw vol zaagsel. Van 1989 tot 1996 was hij redacteur van Tirade. Na het verschijnen van zijn roman Ons mankeert niets in 1994 raakte Otten betrokken in de discussie over het euthanasie-vraagstuk.

Naar aanleiding van zijn bekering tot het katholieke geloof publiceerde hij in 1999 Het wonder van de losse olifanten, een rede tot de ontwikkelden onder de verachters van de christelijke religie. In 2004 verscheen zijn roman Specht en zoon die op 2 mei 2005 bekroond werd met de Libris Literatuurprijs. In deze roman vertelt Willem Jan Otten het verhaal van portretschilder Felix Vincent die van de rijke industrieel Valéry Specht de opdracht krijgt zijn gestorven zoon te schilderen. Specht en zoon zal vertaald worden in het Italiaans (Iperborea), Frans (Gallimard), Duits (Fischer Verlag) en Zweeds (Bonniers).
( Bron: nl.wikipedia.org )

Het wonder van de losse olifanten, een rede tot de ontwikkelden onder de verachters van de christelijke religie

Het wonder van de losse olifantenHet was in 1999 een handige retorische truc van romanschrijver en dichter Otten om zijn VU-gehoor naar Schleiermachers voorbeeld uit 1799 aan te spreken als verachters van de christelijke religie. Kritische gelovigen verwijt hij dat hun afwijzen van leerstukken als de maagdelijke geboorte en de lichamelijke opstanding resulteert in een hooghartig neerzien op “achterblijvers” zoals hij. De beste verdediging is de aanval, zal hij gedacht hebben. Zijn late gang naar het geloof der Moederkerk voerde hem tegen de stroom in, en hij neemt het deze stroom kwalijk dat die niet zijn zwemrichting koos. “Eigentijdse” christenen, stelt hij, willen “hun leerstellingen zo ruim interpreteren dat je er met je verstand bij kunt”. Dat doet hij anders: hij wenst de christelijke religie uitsluitend te consumeren in de klassieke bereidingswijze, d.w.z. met huid en haar. Dat gaat tegen de rede in, en daarom is zijn geloof ook precies wat het alleen maar zijn kan: geloof. Zijn strijdlust zal vele Sancho Panza’s enthousiast maken, en lezers die de gemakkelijke stoel verkiezen boven de gevaren van het strijdperk nieuwsgierig.
(Bron: Biblion recensie, Drs. J. Kleisen)