Maandelijks archief: december 2014

de laatste grote portrettist

John Singer Sargent (1956-1925)

De Amerikaanse schilder John Singer Sargent beschouw ik, samen met de Rus Ilya Repin (1844-1930), als de laatste grote portretschilder in de klassieke traditie. Net als Velazquez was hij een meester in “bravoure painting” en wist hij met een virtuoos gebaar en verbluffende trefzekerheid tot de ziel van de geportretteerde door te dringen. Als schilder van de late 19e eeuw maakte hij de revolutie van het impressionisme mee. Nooit eerder was het a la prima schilderen zo losjes en schetsmatig geweest.

Na 1900 zien we ook bij Singer Sargent duidelijk de invloed van het impressionisme. Zijn coloriet wordt kleurrijk en zijn toets nog wat losser. Maar anders dan bij de impressionisten, die in de eerste plaats landschapsschilders waren en in de open lucht schilderden, bleef Singer Sargent portretschilder die meestal in opdracht werkte. Hij was dus bedreven in het genre waarbij het verschil vaak op de millimeter zit. De vormen zie je bij hem dan ook zelden verwateren.

John Singer Sargent schilderde meestal in opdracht van de high society tijdens de Amerikaanse Gilded Age. Hieronder zien we het portret van Elizabeth Allen Marquand, de vrouw van de Amerikaanse kunsthistoricus Allan Marquand (1853–1924). In compositie en kleurgebruik doet het denken aan een Hollands portret uit de 17e eeuw.

John Singer Sargent
Elizabeth Allen Marquand 1887 (Princeton University Art Museum)

Het portret van Henry Cabot Lodge uit 1890 is ook nog donker van toon, maar het gelaat is nu helemaal a la prima geschilderd.

John Singer Sargent
Henry Cabot Lodge 1890 (Smithsonian’s National Portrait Gallery)

Ook in het portret van Elizabeth Winthrop Chanler uit 1893 is er nog niets van de invloed van het impressionisme te zien. Hoewel het een informeel portret is, heeft Singer Sargent het op een klassieke wijze opgebouwd. Hij dringt met zijn blik door in de doordringende blik van Elizabeth Winthrop Chanler, waardoor hij een psychologische diepte bereikt.

John Singer Sargent
Elizabeth Winthrop Chanler (Mrs. John Jay Chapman) 1893 (Smithsonian American Art Museum)

Het dubbelportret van Mrs. Fiske Warren (Gretchen Osgood) en haar dochter Rachel toont duidelijk de invloed van het impressionisme. Singer Sargent werkte aan het begin van de twintigste eeuw in een soort mix van impressionisme en neo-barok.

John Singer Sargent
Mrs. Fiske Warren (Gretchen Osgood) en dochter 1903 (Museum of Fine Arts, Boston)

Nog duidelijker is de impressionistische invloed te zien in de kleding en de handen. Het is eerder een olieverfschets dan een uitgewerkt portret, maar op afstand lijkt het een gedetailleerd barok portret.

John Singer Sargent
detail uit Mrs. Fiske Warren (Gretchen Osgood) en dochter 1903 (Museum of Fine Arts, Boston)

In het portret van Lady Helen Vincent is goed te zien dat Singer Sargent een society schilder was. Lady Helen houdt de afstandelijkheid van een diva. Dit glamourportret herinnert mij aan zijn beroemde Portrait of Madame X uit 1884.

John Singer Sargent
Lady Helen Vincent, Viscountess d’Abernon 1904 (Birmingham Museum of Art)

In de stofuitdrukking zien we picturaal vuurwerk dat een optelsom lijkt van Velazquez en het impressionisme.

John Singer Sargent
detail uit Lady Helen Vincent, Viscountess d’Abernon 1904 (Birmingham Museum of Art)

Het duidelijkst zien we de invloed van het impressionisme in de schilderijen die Singer Sargent in de open lucht schilderde. Aan het begin van de twintigste eeuw werkte hij graag in Italië. De levendige kleuren en het frisse a la prima doen mij denken aan zijn Spaanse tijdgenoot Joaquín Sorolla (1863-1923).

John Singer Sargent
The Fountain, Villa Torlonia, Frascati, Italy 1907 (The Art Institute of Chicago)

Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, was Singer Sargent 58 jaar oud. In 1918 werd hij door het Britse Ministerie van Informatie gevraagd om taferelen uit de Eerste Wereldoorlog te schilderen. Het grote schilderij Gassed is daar een voorbeeld van.

John Singer Sargent
Gassed 1919
John Singer Sargent
detail uit Gassed 1919

John Singer Sargent [ en.wikipedia.org ]

de ultieme rite de passage

gezien bij VPRO Boeken: Wim Brands in gesprek met Willem Jan Otten

droomportaalWillem Jan Otten (Amsterdam, 1951) werd dit jaar onderscheiden met de P.C. Hooftprijs voor zijn beschouwend proza. Vandaar dat hij in deze aflevering van Boeken de enige gast van Wim Brands was. Het gesprek ging al gauw over het boek My Bright Abyss (Mijn heldere afgrond) van de Amerikaanse dichter en essayist Christian Wiman. Otten raakte deze zomer gefascineerd door dit boek en herlas het telkens weer. Wiman beschrijft in dit boek wat er met hem gebeurt wanneer hij van zijn arts zijn doodvonnis gehoord heeft: hij blijkt te lijden aan een zeldzame combinatie van mergkankers, die hem letterlijk uitmergelen.

In het essay bijna-levenervaring dat Otten op 26 oktober j.l. in Letter & Geest (Trouw) publiceerde, beschrijft hij wat het aangrijpende boek van Wiman voor hem betekend heeft. Als intellectueel die zich tot het katholicisme bekeerd heeft, wordt Otten diep aangesproken door de manier waarop de agnostische Wiman zich tot de dood verhoudt en in het bijzonder in zijn wil om zich voor te stellen wat er na de dood met hem gebeurt. Wiman drukt de dood niet weg door deze dood (dood=dood) te verklaren, maar hij probeert te naderen tot het onvoorstelbare.

Wiman drukt de dood niet weg door deze dood (dood = dood) te verklaren, maar hij probeert te naderen tot het onvoorstelbare.
Wiman is door alle wetenschappelijke, journalistieke, sceptische wateren gewassen. Hij weet dat de gedachte aan ‘na dit leven is er Niets’ – geen hiernamaals, geen eeuwigheid – een verlokkelijke, fatale kennis is, die een soort ‘existentialistisch heldendom’ met zich meebrengt. Hij treft deze nihilistische heroïek aan bij de twintigste-eeuwse Helden van de Geest – Beckett, Camus, Kafka (als hij een Nederlandse schrijver was zou hij wellicht toegevoegen: W.F. Hermans, Rudy Kousbroek) – en kan die ook bewonderen, maar het leidt uiteindelijk, als de schijnbaar zo soevereine opvattingen tot dogma’s verstarren, ook tot een cultus van het isolement. “Je voelt je thuis in de wereld door je nooit helemaal thuis te voelen.” Van God verlaten zijn, het schept een vreemde band, een soort stoere verongelijktheid die soms voor ‘existentiële moed’ wordt aangezien. Je hoort deze neostoïcijnse toon vooral bij fundamentalistische atheïsten die, na een bijna-doodervaring, met een soort triomfje zeggen “dat ze God niet zijn tegengekomen”.
 
Bron: trouw.nl

Otten is geïnteresseerd in de rite de passage en de dood is ongetwijfeld de ultieme “rite de passage.” Toch wordt de dood steeds meer als een eindpunt gezien. Het hiernamaals is vervangen door het hiernumaals, het “gedenk te sterven” door “nu samen genieten”. Daardoor is het leven volkomen binnenwereldlijk geworden. De economisering en technocratisering van de politiek, het consumentisme en het morele verval hebben allemaal te maken met onze grondhouding tegenover leven en dood.

Door het sterven als een “rite de passage” te zien en de dood dus als een nieuw begin, komt het leven in een totaal ander perspectief te staan. Het christendom met zijn laatste oordeel, hemel en hel heeft voor de meesten van ons afgedaan. Dood is dood. Maar My bright Abyss laat volgens Otten zien dat er vanuit de existentiële ervaring van het afgrondelijke een helder licht kan schijnen. Voor de katholiek Otten is dat Christus. Aangeschoven bij de VPRO aan tafel houdt hij het open, en dat is ook goed zo. Fundamentalistische atheïsten of agnosten die toch menen dat er na de dood niets is, zouden aan die open houding een voorbeeld kunnen nemen.

Schrijven als een vorm van denken en denken in de vorm van schrijven

uit het juryrapport van de P.C. Hooftprijs 2014
toegekend aan Willem Jan Otten

Wim Brands in gesprek met Willem Jan Otten [ boeken.vpro.nl ]