tranen

Ik huil bij tijd en wijle
mijn hele vriesvak leeg

ds. Gremdaat“(Her)kent u die uitdrukking? Of zoals sommige mensen wel eens zeggen… Ik moest daaraan denken toen…” zo begon ds. Gremdaat altijd zijn fijne televisiecolumn waarbij hij ons moed insprak. Ik moest weer eens aan hem denken, toen ik in de krant bovenstaande oneliner las. Typisch een uitdrukking uit het therapeutische circuit waarbij ik dan onmiddellijk moet denken aan die vriesbox met ingevroren hart die ik wel eens zag in een documentaire over harttransplantatie. Tranen ontdooien het ingevroren hart, maken weer warmbloedig en levend. Hete tranen zorgen voor het beste resultaat.

De woestijnvaders, waaraan ik mij graag spiegel, spreken over de gave van de tranen. Daarmee bedoelen ze dat God tranen van berouw kan schenken die ons hart van zonden schoon te wassen. Dat dit andere tranen zijn dan krokodillentranen mag duidelijk zijn.

The tears of repentance that are born in a person from the consciousness of sins are accompanied by a „bitterness of the heart„ and contrition. But the dynamics of the development of a person involves a gradual transition from this type of tears to another, to the sweet tears of compunction. The teaching on the two types of tears is expounded by Isaac of Nineveh in Homily XXXVII of Part I:

Isaac of NinevehThere are tears that burn and there are tears that anoint as if with oil. All tears that flow out of contrition and an anguish of heart on account of sins dry up and burn the body, and often even the governing faculty feels the injury caused by their outflow. At first a man must necessarily come to this order of tears and through them a door is opened unto him to enter into the second order, which is superior to the first; this is the sign that a man has received mercy. These are the tears that are shed because of insight; they make the body comely and anoint it as if with oil, and they pour forth by themselves without compulsion… The body receives from them a sort of nourishment, and gladness is imprinted upon the face. He who has had experience of these two alterations will understand.
 
Bron: Bitter and sweet tears
There is strength in tears. We weep with gratitude over all the amazing gifts from God that come our way. We cry when we share moments of great elation with others. Tears enable us to get in touch with our deepest feelings. They help us express our grief at endings and the loss of those who are precious to us.
 
Jesus wept at the tomb of Lazarus. he also wept over the city of Jerusalem-and in our time, we weep over Jerusalem and Fallujah and the refugee cities in Palestine and Sudan. A Yiddish proverb says: “What soap is for the baby, tears are for the soul.”
 
The early Christian desert fathers and mothers had the highest regard for what they called “the gift of tears.” Alan Jones, dean of Grace Cathedral in San Francisco, says these drops “are like the breaking of the waters of the womb before the birth of a child.” That’s a wonderful way to describe the connection between pain and joy.
 
Bron: The gift of tears

traditie en traditionalisme

gelezen in Beweging, tijdschrift voor Reformatorische Wijsbegeerte:
Nicolas Lossky over de orthodox christelijke wereldbeschouwing
Het begrip ‘traditie’ neemt in de orthodoxe wereldbeschouwing een ruim bemeten plek in. In hoeverre, denkt u, fungeert het orthodoxe verleden -de theologie van de vaders, bijvoorbeeld – als iets normatiefs voor het heden?
Traditie is de adem van de Geest in de geschiedenis van de kerk. Omdat de Geest door de eeuwen heen in de Kerk heeft gewerkt, kunnen we het verleden onmogelijk verwerpen. Dit wil echter niet zeggen dat we het verleden moeten herhalen. Dezelfde Geest die in het verleden werkte, blaast ook in het heden, wil ons vernieuwen en veranderen. Daarom mag er in de herhaling van het verleden een verschil zitten. Sta je dat niet toe, dan doe je geen recht aan de beweeglijkheid van de traditie. Dan wordt je een traditionalist.
Nicolas Lossky
Nicolas Lossky (l.)
Moet dat kerkelijke verleden niet ergens aan getoetst worden?
Natuurlijk. De traditie is een secundaire bron. Primair is de openbaring, die ons vertelt wat door de tijden centraal moet staan. “Jezus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid.” zegt Hebreeën 13. We zullen ons altijd moeten afvragen of onze vormen en gebruiken nog uitdrukken wat de Bijbel ons wil zeggen. Zo’n toetsing kan best eens resulteren in vernieuwing van, bijvoorbeeld, de Liturgie. In Frankrijk zijn we daar momenteel serieus mee bezig.
 
(Bron: Beweging, tijdschrift voor Reformatorische Wijsbegeerte, Zomer 2004)

van persoon tot individu [ 2 ]

gelezen: Jan Oegema over Meister Eckhart

Dit weekend verscheen in de zaterdagbijlage Letter & Geest van Trouw een tweede artikel van Jan Oegema over Meister Eckhart. Op de zingevingsmarkt is mystiek op dit moment razend populair en ook voor Meister Eckhart is de belangstelling gestaag groeiende. Oegema noemt hem in de introductie stijgen naar het ongewone samen met Eckhart Tolle, net als Anselm Grün een schrijver van bestsellers:

Meister Eckhart lijkt alleen al door zijn naam verwant te zijn met Eckhart Tolle, ook een Duitser, ook een mysticus, maar dan uit de 20ste eeuw en goed voor grote oplagen. Beiden spreken over loslaten van het ik, afgescheidenheid, ledigheid van gemoed. Beiden zouden deze zin kunnen schrijven: „Ledig is een gemoed wanneer het door niets in de war wordt gebracht en aan niets is gebonden, wanneer het niet door bepaalde emoties wordt vertroebeld en in geen enkel opzicht met zichzelf bezig is.“ Maar de volgende zin kan alleen van de Meister zijn:
„Wanneer de afgescheidenheid haar hoogste graad heeft bereikt, wordt zij door te kennen kennisloos en door liefde liefdeloos en door licht duister.“

Bij Eckhart Tolle is weinig duister, bij Meister Eckhart heel veel. Daarom verkoopt de uitgever van de eerste honderdduizend boeken per jaar, de uitgever van de tweede slechts duizend – als hij geluk heeft. Ik zou liever zien dat het andersom was, ik zou het de Meister graag gunnen.

Juan de la CruzMeister Eckhart toont op dit punt duidelijk verwantschap met de Spaanse mysticus Juan de la Cruz, die met zijn mystieke gedicht Noche Oscura del Alma (donkere nacht van de ziel) de duisternis benadrukt. Uiteraard komen we de duisternis tegen wanneer we een geestelijk leven willen gaan leiden, maar Juan de la Cruz en Meister Eckhart gaan veel verder: ze zien de duisternis als een wezenlijk kenmerk van God. Wanneer we het begin van het Johannesevangelie erbij pakken, lezen we het volgende:

Evangelie naar Johannes 1 : 4-13
In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen; en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen. Er trad een mens op, van God gezonden, wiens naam was Johannes; deze kwam als getuige om van het licht te getuigen, opdat allen door hem geloven zouden. Hij was het licht niet, maar was om te getuigen van het licht. Het waarachtige licht, dat ieder mens verlicht, was komende in de wereld. Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem geworden, en de wereld heeft Hem niet gekend. Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen. Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in zijn naam geloven; die niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, doch uit God geboren zijn.

Hoe komt het dat een mysticus als Meister Eckhart die volgens Oegema ‘verknocht is aan het christendom’ tot een ervaring van God komt die haaks staat op wat de evangelist Johannes schrijft? Voor een mysticus uit de oosterse traditie van het christendom zoals Simeon de Nieuwe Theoloog zou een dergelijke uitspraak ondenkbaar zijn. Niet alleen de polariteit licht-duisternis wordt door Meister Eckhart als een oosters yin-yangprincipe gehanteerd, ook de polariteit: volheid-leegte.

“De meesters leren, God is een wezen, een intelligent wezen en herkent alle dingen. Ik zeg echter: God is géén wezen, hij is niet intelligent, noch herkent hij dit of dat. Daarom is God leeg van alle dingen. Daarom is het nodig dat de mens er naar streeft van het werken Gods niets te weten noch te herkennen.”
(Bron: Meister Eckhart in Warum wir sogar Gottes ledig werden sollen.)

Een uitspraak als deze doet denken aan een oosterse wijsheid en lijkt een peilloze diepzinnigheid te bezitten. Maar als we deze ervaring toetsen aan het Evangelie en de traditie is deze gewoon onwaar. Het punt is nu dat deze toets steeds meer als (negatief!) fundamentalisme wordt beschouwd. De ‘vrije’ individuele ervaring lijkt nog de enige toets die OK is. Het individu zoekt boven alles zijn eigen-zinnigheid, zichZelf, onafhankelijkheid, orginaliteit en zijn eigen-wijsheid. Oosterse eenheidsmystiek, gnosis en Eckhart sluiten hier naadloos op aan. Dat de kerkelijke leer hier niet in meegaat, wordt vaak als een bevestiging gezien dat het individu gelijk heeft en het instituut zich daartegen verzet. Uit angst voor machtsverlies zou de Kerk daarom inzichten van mystici afwijzen. De tegenstelling instituut-individu (meestal geinterpretteerd als verdrukker-onderdrukte) is een hardnekkig denkbeeld, maar in het geestelijk leven bestaat deze tegenstelling niet. De mens is juist een persoon, in de eerste plaats afhankelijk van Zijn Schepper en geroepen om voor altijd in een relatie met Hem te leven. De oosterse mystiek en gnosis gaan er juist vanuit dat de mens ondeelbaar (individuum) is en in wezen Zélf God is en bij zijn bestemming komt als hij volledig ontwaakt. Oosterse mystiek en gnosis spreken daarom bij voorkeur over het onpersoonlijke leven, over ‘het’ goddelijke, over ‘onzijdig’ bewustzijn en verwerpen God als Persoon.

Meister Eckhart leefde in een tijd (eind 12e , begin 13e eeuw) waarin de theologie in het westen intellectueel geworden was. Het vertrekpunt in de omgang met God had zich verplaatst van het hart naar het hoofd. Er werd heel diep nagedacht en wat Meister Eckhart doet, lijkt op het kraken van een zen-koan. Het lijkt diepzinnig als hij over God spreekt in termen van duisternis en leegte, maar zijn uitspraken getuigen niet meer van een levende omgang met God Die Persoon is. Het is ook niet voor niets dat bij Eckhart God zijn gezicht verliest. Voor het individu betekent dit het begin van zijn ‘verlichting’, maar voor de persoon betekent dit zijn dood.

De vaders van de Orthodoxe Kerk benadrukken de apofatische kennis van God. We kunnen God kennen door wat Hij allemaal niet is. Het lijkt op negatieve theologie avant la lettre. Maar in de Orthodoxie verzelfstandigt de apofatische kennis zich nooit maar blijft ze steeds verbonden met de levende ervaring met God. Daarom schrijft de evangelist Johannes (die ook wel Johannes de Theoloog wordt genoemd) in zijn eerste Brief :

Johannes de TheoloogEerste Brief van Johannes 1: 5-7
En dit is de verkondiging, die wij van Hem gehoord hebben en u verkondigen: God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis. Indien wij zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben en in de duisternis wandelen, dan liegen wij en doen de waarheid niet; maar indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkander; en het bloed van Jezus, zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.
God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis