de woeste stroom van het worden

gelezen in Letter & Geest : nawoord van Luuk van Middelaar bij:
over Nut en nadeel van geschiedenis voor het leven door Nietzsche

NietzscheVolgende week verschijnt een nieuwe uitgave van Friedrich Nietzsche’s Tweede Traktaat tegen de Keer (Unzeitgemaesse Betrachtungen) Over nut en nadeel van geschiedenis voor het leven. Ik bezit de uitgave uit 1983 verschenen bij de Historische Uitgeverij Groningen met een nawoord van Frank Ankersmit.

Bij de nieuwe uitgave (zie afbeelding rechts) zal een nawoord verschijnen van politiek filosoof Luuk van Middelaar. Trouw drukte afgelopen weekend in het katern Letter & Geest een voorpublicatie af van het eerste deel van het nawoord.

Op het oog heeft onze tijd de belangrijkste les van „Nut en nadeel„ ter harte genomen. De boodschap dat een overmaat aan historische kennis het leven schaadt, schijnt welbesteed aan ons vroeg-eenentwintigste-eeuwers. De hedendaagse Bildungsbürger houden weliswaar de cultuurbijlages bij, hebben de kinderen op toneelles en bezoeken in de Provence weleens een Romaans kerkje, maar voor, zeg, de val van het Romeinse rijk, de tiende penning of het Molotov-Ribbentrop-pact geldt: they couldn„t care less.
 
vaderlandse geschiedenisDe politieke en culturele elite heeft decennialang het geschiedenisonderwijs laten verslonzen. Niet vanwege een mogelijk nadeel van de geschiedenis voor het leven, maar omdat het geen voordeel opleverde. Zo verdween het verleden uit de publieke ruimte. De bescheiden golf de andere kant op die sedert enige jaren valt te ontwaren, doet hier weinig aan af. Met politici die voor historische musea pleiten en beleidsmakers die de vaderlandse geschiedenis aan immigranten willen onderwijzen, zijn we weliswaar, nog enigszins onwennig, terug van het nadeel bij het nut, maar diep doorvoeld is dit allemaal niet. De „grenspalen„ tussen heden en verleden staan nog netjes overeind. De enige verandering: waar eerst achteloosheid heerste, zou nu een zeitgemässer polemist aandacht kunnen vragen voor een gebrek aan historisch besef.
 
Kunnen we dus opgelucht ademhalen, omdat het gevaar dat Nietzsche signaleert is geweken? Deze conclusie is voorbarig. Het ging Nietzsche niet sec om de conjunctuur van de historische belangstelling. De bron van zijn probleem zit veel dieper. Het raakt aan de omgang van de moderne mens met de tijd. Niet voor niets maakt „Nut en nadeel„ op ons zo„n indruk. Ik wil daarom de stelling verdedigen dat het probleem van Nietzsche een andere gedaante heeft aangenomen en in feite is verergerd. Voorzover het historische bewustzijn inderdaad is afgesleten, komt dat doordat het is geradicaliseerd.
 
De „woeste stroom van het worden„ is zo sterk geworden dat de moderne mens het verleden niet meer nodig heeft om van die ontwortelende kracht doordrongen te raken. De dagelijks ervaren verandering kan het stellen zonder de plechtige adstructie met de geschiedenis. De beweeglijkheid van de wereld, de kwetsbaarheid van het heden, de onvoorspelbaarheid van de toekomst – ze zitten inmiddels als het ware in eenieders hoofd. Elke generatie ziet haar omgeving veranderen van vorm en kleur in een richtingloze versnelling die velen naar adem doet happen. Wie wil dit alles? Wie of wat drijft dit aan? De voorzienigheid? De wereldleiders? De wet van vraag en aanbod? Niemand weet het. En iedereen weet dat niemand het weet.

Bron: trouw.nl

bombastisch circus

World’s Columbia Exposition Chicago, 1893

Een virtueel bezoek aan de wereldtentoonstelling van 1893 in Chicago geeft een uitstekende indruk van het bombastische en verstikkende eclecticisme van de late negentiende eeuw. Pas 25 jaar later zou de opgezwollen puist van historische bouwstijlen definitief openbarsten en ging voor de een het serene, voor de ander het kille modernisme, het gezicht van de wereld bepalen.

World's Columbia Exposition Chicago

columbus.gl.iit.edu

vergeven

Vandaag lezen we in de Kerk uit het Evangelie naar Mattheus 18: 23-35
Daarom is het met het koninkrijk van de hemel als met een koning die rekenschap wilde vragen van zijn dienaren. Toen hij daarmee begonnen was, bracht men iemand bij hem die hem tienduizend talent schuldig was. Omdat hij niets kon terugbetalen, gaf zijn heer bevel dat de man samen met zijn vrouw en kinderen en alles wat hij bezat verkocht moest worden, zodat de schuld kon worden ingelost. Toen wierp de dienaar zich aan de voeten van zijn heer en smeekte hem: “Heb geduld met mij, ik zal u alles terugbetalen.“ Zijn heer kreeg medelijden, hij liet hem vrij en schold hem de geleende som kwijt. Toen deze dienaar naar buiten ging, trof hij daar een van de andere dienaren, die hem honderd denarie schuldig was. Hij nam hem in een wurggreep en beet hem toe: “Betaal me alles wat je me schuldig bent!“ Toen wierp deze zich voor hem neer en smeekte hem: “Heb geduld met mij, ik zal je betalen.“ Maar hij wilde daar niet van weten, integendeel, hij liet hem gevangenzetten tot hij de hele schuld zou hebben afbetaald. Toen de andere dienaren begrepen wat er gebeurd was, waren ze zeer ontdaan, en gingen ze naar hun heer om hem alles te vertellen. Daarop liet zijn heer hem bij zich roepen en hij zei tegen hem: “Je bent een slechte dienaar. Heel die schuld heb ik je kwijtgescholden, omdat je me erom smeekte. Dan had jij toch zeker ook medelijden moeten hebben met die andere dienaar, zoals ik medelijden heb gehad met jou?“ En zijn heer was zo kwaad dat hij hem in handen van de gerechtsbeulen gaf tot hij de hele schuld zou hebben terugbetaald. Zo zal mijn hemelse Vader ook ieder van jullie behandelen die zijn broeder of zuster niet van harte vergeeft.„
…en uit de Brieven lezen we uit I Korinthiërs 9: 2-12
Ook al erkennen anderen mij niet als apostel, u zou het wel moeten doen, want u bent door uw geloof in de Heer het waarmerk van mijn apostelschap. Ziehier mijn verdediging tegen wie zich een oordeel over mijn apostelschap aanmatigen. Hebben wij geen recht op eten en drinken?
‘Als wij geestelijke zaken onder u hebben gezaaid, is het dan te veel gevraagd dat we materiële zaken van u oogsten?’

Zouden wij niet het recht hebben een gelovige echtgenote op onze reizen mee te nemen, zoals de andere apostelen, de broers van de Heer en Kefas? Of zouden nu uitgerekend Barnabas en ik in ons eigen levensonderhoud moeten voorzien? Wie gaat er nu op eigen kosten in krijgsdienst? Wie plant er een wijngaard en eet niet van de vruchten? Of wie hoedt er een kudde en drinkt niet van de melk? Dit is niet alleen een algemene waarheid, het staat ook in de wet, want in de wet van Mozes staat: „U mag een dorsend rund niet muilbanden.„ Maar bekommert God zich dan om runderen? Of zegt hij dit om ons? Om ons natuurlijk, want het is ook om ons dat er staat: „Een ploeger en een dorser werken beiden in de hoop op een aandeel in de oogst.„ Als wij geestelijke zaken onder u hebben gezaaid, is het dan te veel gevraagd dat we materiële zaken van u oogsten?