over de uitvoering van de Gurrelieder (1903) van Arnold Schönberg
“Dit stuk, dat pakt nog één keer die hele negentiende eeuw samen op een schaal zoals niemand dat ooit gedaan heeft. Een autodidact, die niet eens op het conservatorium gezeten heeft. Hou oud was hij, 26, 27? toen hij dit stuk maakte? Dat is ongeloofelijk geniaal.” aldus dirigent Reinbert de Leeuw over de Gurrelieder (1903) van Arnold Schönberg.
Documentairemaakster Carine Bijlsma volgt in Extase de dirigent tijdens de voorbereiding van zijn droom: de uitvoering van de Gurrelieder met de grootste orkestrale bezetting aller tijden: 356 personen! Alleen het orkest bestaat al uit 84 strijkinstrumenten. Daarbij komen nog een aantal koren van in totaal 200 personen. Een ambitieus project én een mammoetonderneming.
De documentaire is vooral een eerbetoon aan Reinbert de Leeuw en een portret van een man die bezeten is van muziek en reflecteert over zijn werk: “Fantastisch om dat mee te mogen maken… Dat het in jouw handen zit… Zo’n stuk, daarvan ben jij natuurlijk het centrum… Het heeft ook met macht te maken… Het is verslavend natuurlijk… Jij bepaalt wat er gebeurt.”
Van de uiteindelijke uitvoering wordt alleen het slotakkoord getoond met een close up van het gezicht van de dirigent tegen een donkere achtergrond. Ik moest denken aan de woorden van Skrjabin: “Ik wil mijn publiek laten stikken in extase”. Je ziet het gezicht van De Leeuw aanzwellen bij de laatste maten, de ogen beginnen uit te puilen, de adem stokt … en dan is het voorbij. “Als je zo intens met muziek bezig bent… en als het dan afgelopen is. Dat is on-ver-dra-ge-lijk. Vreselijk! Dat is in het zwarte gat vallen. Dat is het echt.”
Extase is niet alleen een prachtig portret van Reinbert de Leeuw maar laat ook iets horen van die opgezwollen late negentiende eeuw. Met de Gurrelieder (1903) was Schönberg nog niet de atonale weg ingeslagen en zat hij net als Mahler en Skrjabin op het staartje van de Romantiek. Een laatste maal nog zwelt de geest van Wagner aan tot een extatische hoogtepunt om daarna uiteen te spatten in de koele klaarheid van de atonaliteit en het modernisme.
Philip Akkerman besloot in de jaren tachtig en negentig wat aan zijn gebrek aan technische ondergrond te doen en ging zich verdiepen in de techniek van de oude meesters die schilderden volgens plan: eerst de tekening, dan de toonschildering en vervolgens de kleur. Dat is volgens Akkerman winst, want je kunt je drie maal honderd procent geven, terwijl je je in de a la prima altijd maar één maal honderd procent kunt geven. Daar is wat voor te zeggen: de techniek van de oude meesters geeft je meer controle. Het is een beetje te vergelijken met beeldbewerking in Photoshop. Door met lagen te werken, heb je meer overzicht en controle op het totaal. Maar nog belangrijker: door glacerende verflagen wordt de schildering ruimtelijker omdat de lichtbreking niet op maar in de verflaag plaatsvindt.
De zelfportretten van Philip Akkerman vormen een soort logboek van zijn reis door de techniek van de oude meesters. Begin jaren tachtig is alles nog a la prima. Vergeleken bij zijn latere werk, zien zijn eerste zelfportretten er modderig en dof uit. Wanneer hij eenmaal het wonder van de opbouw in lagen heeft ontdekt, worden zijn portretten doorschijnend en ruimtelijk. Je ziet bij hem duidelijk het plezier en de verwondering over de optische werking van de schildertechniek. Een van zijn grote voorbeelden is Rubens, de Vlaamse meester uit de zeventiende eeuw die onovertroffen is in zijn techniek, vooral als het over vleestinten gaat. Rubens’ techniek is zo los, vrij en open, dat je in het resultaat de verschillende lagen nog kunt herkennen. In de reportage in Kunstuur reisde Philip naar het 
















