
schetsboek 2012 [ 2 ]


In januari 1982 luisterde ik dagelijks naar Iets van een Clown van Herman van Veen. Het was net vóór de komst van de CD en ik draaide de LP op de oude platenspeler van mijn vader. Het eerste nummer heette: Laten we maar zeggen dat het regende en in de tekst zat een regel die mij erg aansprak: “Jonge dichters dromen van eigen werk in de literaire bladen.” Ik voelde mij een dichter en een dromer en ambities waren mij niet vreemd. Maar eenzaam voelde ik mij niet. Met een geestverwant was ik een blaadje ter bevordering van experimentele poëzie begonnen dat we samen vol schreven met Paul van Ostayen-achtige gedichten. Soms wreef ik mij suf met wrijfletters voor een visueel gedicht. En zo hadden we ons voorschot genomen op de droom van jonge dichters.
uit: Laten we maar zeggen
dat het regende
Terwijl de meisjes in onze klas op maandagavond luisterden naar de liefdesgedichten in Candlelight (met de onvergetelijke stem van Jan van Veen!), schreven wij klank- en dingdichten én persiflages op Candlelight (“zonder jou voel ik me als een parkeermeter zonder paal.”) Ons poëzieblaadje kopieerden we in de schoolbibliotheek en verspreidden het in de schoolkantine. Een klasgenoot smokkelde het blaadje naar onze leraar Nederlands. We hadden allerlei docenten, maar we hadden maar één leraar. Hij stimuleerde onder zijn leerlingen de artistieke ontwikkeling en was onze stille bondgenoot in onze strijd tegen het oprukkende yuppendom. Bovendien was hij een groot vogelliefhebber. In navolging van Jan Hanlo schreef ik een klankdicht dat ik “symphonie der vogelgeluiden” noemde. Uit een vogelgids had ik de roep overgeschreven van een aantal vogels die hun eigen naam roepen.
Onomatopeeën, zo hadden we bij Nederlands geleerd. De Karrekiet, tjiftjaf, grutto, kievit, koekoek ving ik allemaal in een klankdicht én lokroep. Het werkte. Onze leraar die ons blaadje had ingekeken, was op de lijmstok van mijn gedicht gaan zitten en stond voor een stomverbaasde klas wild te “twitteren”: “poe-wiet, poe-wiet, karre-karre-kiet-kiet, sie-doeè-dol, koekoek, koekoek…” Het had allemaal een hoog poelifinario-gehalte maar de klankervaring was in ieder geval rijker dan Jan Hanlo‘s monotone mus: “Tjielp, tjielp, tjielp.” In 1982 pleegden we een coup in de redactie van de schoolkrant. Nu hadden we pas echt een kanaal voor onze artistieke ambities ter beschikking.
Toen ik in 1981 Time Bandits in de bioscoop zag, had ik het gevoel ondersteboven gedompeld te worden in een krankzinnige fantasiewereld. Terry Gilliam bekend van Monty Python and the Holy Grail (1975), had met zijn eerste fantasyfilm de toon gezet voor een reeks peperdure producties die hij de volgende vijfentwintig jaar zou gaan draaien. Algemeen worden Brazil (1985) en Twelve Monkeys (1995) als zijn meesterwerken beschouwd en The Adventures of Baron Munchausen (1988) als zijn grootste flop. Ook The Brothers Grimm komt er in de meeste kritieken niet goed vanaf.
De film die niet minder dan 80 miljoen dollar kostte, gaat mank aan een rammelend scenario en een overdosis onzin op het niveau van Suske en Wiske. Toch is deze baldadige film over de gebroeders Grimm voor mij het waard om voor een derde maal gezien te worden. Want in visueel opzicht is de film goed verzorgd. Alle clichés om een sprookjesachtige horrorsfeer op te roepen, zijn met enthousiasme uit de kast getrokken.

Het verhaal speelt zich af in 1812 wanneer Napoleon in het midden van Duitsland het Koninkrijk Westfalen heeft gevestigd. De gebroeders Grimm krijgen de opdracht om in het fictieve dorpje Marbaden een zaak op te lossen. Negen kinderen zijn er in korte tijd spoorloos verdwenen en het dorpje beeft van angst. Production designer Guy Hendrix Dyas ontwierp de filmset van Marbaden met een twintigtal stenen en houten bouwsels. Volgens zijn ontwerp moet het Duitse platteland tweehonderd jaar geleden sprekend op Transylvanië hebben geleken. De boeren die er wonen zijn de Verlichting nog niet ingeslingerd en geloven nog in weerwolven, heksen en trollen. De couleur locale in het Westfaalse dorpje stemt overeen met die in het dorpje uit Schlafes Bruder: grauw met veel modder en bijgeloof.

Aan de rand van het dorp ligt het uitgestrekte donkere woud waarin de boerenbevolking traditioneel haar angst projecteert. De volkssprookjes die de historische Brüder Grimm uit Kassel verzamelden, getuigen hiervan. De romantische schrijver Ludwig Tieck die kunstsprookjes schreef, beschreef in Der Blonde Eckbert het donkere woud als een oerruimte waarin het bovennatuurlijke nog een plaats heeft. Voor Terry Gilliam is het bos een projectiescherm voor griezelige grenservaringen met het bovennatuurlijke, die meestal niet ontkomen aan zijn riducalisering. Hoewel Gilliam Amerikaan is, deelt hij de typisch Engelse mix van horror en humor met zijn collega’s van Monty Python. Met veel genoegen schotelt hij ons een paar sadistische martelscenes voor die eerder doen grimlachen dan gruwelen.

Net als in Time Bandits uit 1981 spelen er in The Brothers Grimm Napoleontische soldaten mee. Gilliam voelt zich blijkbaar helemaal thuis in deze tijd en maakt graag gebruik van de wrijvingen tussen de Duitse bevolking en de Franse bezetters en het volkse bijgeloof met de Franse Verlichting. Wanneer op een gegeven moment de Franse generaal Delatombe het bevel geeft om het woud plat te branden, zou je daar de gewelddadige rationaliteit van de Verlichting in kunnen zien die wil afrekenen met het duistere verleden. Maar voor echte gelaagdheid is er geen plaats in het circus van Terry Gilliam. Het is vooral een feest van Pythoneske onzin en heerlijke vette plaatjes.

In de voetsporen van Heidegger
Voetnoten bij de 19e eeuw
Amerikaanse Burgeroorlog
Napoleon en zijn schilders
Landschapsschilders uit de Goethezeit
Schilders in Italië
De schilder en zijn broodheer
De waakzaamheid van het hart
Ovidius’ Metamorphosen
Dantes Divina Commedia
Wolkenkrabbers
Op zoek naar de atoomstijl
Een avontuur van luitenant Blueberry
My favourite things