Categorie archief: boeken

Couperus en het voorbijgaan … [ 5 ]

gelezen: De boeken der kleine zielen (1901-1903) van Louis Couperus
Psychologie en Theosofie bij Louis Couperus

In de zgn. “Haagse romans” De boeken der kleine zielen en Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan… heeft “voorbijgaan” een specifieke betekenis. In het voorbijgaan blijft het verleden present. Het is nog (steeds) niet voorbij, maar het is “aan het voorbijgaan”. De romanfiguren van Couperus voeren een strijd met hun verleden. In De kleine zielen gaat het om een schandaal van vijftien jaar geleden, in Van oude menschen draait het zelfs om een moord van zestig jaar geleden. Zo is het voorbijgaan… bij Couperus het determinisme op z’n staart getrapt. Uiteraard met zijn geliefde beletselteken (…)

In Het late leven, het tweede boek der kleine zielen, ontluikt er in Constance iets dat “geestelijk leven” genoemd kan worden. Haar noodlot, sociale uitsluiting, leert ze in haar voordeel te gebruiken. Ze ziet hoe betrekkelijk en eigenlijk hoe bekrompen en klein het leven in de hogere kringen is. Ze ontdekt onverwachte grootsheid in het alledaagse, zoals de wolkenluchten die boven Den Haag voorbijtrekken:

“Zij glimlachte, uitkijkend, opkijkend naar de eeuwig voortrollende luchten… De wolken zij voerden daar, soms hoog, soms laag, boven de huizen, boven de hoofden van de mensen, gelijk aan, die mensen minachtend, passies: zware reusachtige passies, die, op de passie van de winden, aanzwierden uit een ver rijk van enkele fronsende, stormende hartstocht, en, met kohorten van dreigende passies, rolden zij voort, hoog, machtig en groots, als met een reusachtig leven van goddelijkheid boven het klein menselijk gedoe, dat onder de daken school, waarover zijn trokken, stortend steeds nieuwe vallen van wateren…”

De blik van Constance is zich in Den Haag aan het verwijden en in korte flitsen wordt ze even uit de kooi van haar teruggetrokken bestaan aan de Kerkhoflaan gelicht. Ze deelt dit bewustzijn niet alleen met haar broer Paul en Max Brauws, maar ook met haar zoon Addy. In hem ziet ze zelfs een “grote ziel”. Couperus gebruikt het onderscheid tussen kleine ziel en grote ziel niet voor niets. Dat komt omdat hij belangstelling was gaan tonen voor psychologie en theosofie.

Frederik van Eeden 1890In 1890 had de 30-jarige Frederik van Eeden (drie jaar ouder dan Couperus) in Dordrecht een voordracht gehouden over het ontstaan van de theosofische beweging. De Theosophical Society was vijftien jaar eerder in New York opgericht door o.a Helena Petrovna Blavatsky (1831-1891) en Henry Steel Olcott (1832-1907). Met zijn lezing gaf Frederik van Eeden in Nederland meer bekendheid aan de theosofie en twee jaar later werd de Theosofische Vereniging in Nederland opgericht. Overigens bestond er in de jaren 1882-1889 in Den Haag al een theosofische loge (Post Nubila Lux), een initiatief van kapitein Adalberth de Bourbon. Het was de allereerste theosofisch loge in Nederland. Heeft Couperus deze ooit bezocht? Daarover is niets bekend.

Extaze“Interessant voor ons is vooral de naam van de eerste Haagse Loge: Post Nubila Lux (‘Na wolken licht’). Te bewijzen is het niet, maar het lijkt er toch bepaald heel veel op, dat Couperus, die in een brief van 31 januari 1892 aan zijn uitgever zijn wensen ten aanzien van het titelblad van Extaze (1892) geuit had (‘Ik had mij zoo iets gedacht van een groote ster, met een enkel lijntje van een wolk’), daarbij gedacht heeft aan de naam van deze Haagse theosofische loge.”
Bron: Een theosofische interpretatie van Couperus’ Extaze door Maarten Klein, De Revisor 1983

In zijn lezing verwijst Van Eeden naar Arthur Schopenhauer (1788-1860): “Schopenhauer voorspelde dat er een tijd zou komen, waarin de Oud-Indische letterkunde, de Sanskritische boeken, de Veda’s, de Upanishad’s en wat er verder nog onbekend in Indië bewaard is gebleven, op de Europeesche cultuur een invloed zou uitoefenen van gelijken omvang als die het Grieksch op de midden-eeuwsche beschaving heeft gehad.”

Schopenhauer zou na 1850 veel gelezen worden. Met zijn pessimistische filosofie gaf Schopenhauer een belangrijke impuls aan het verzet tegen de positivistische wetenschap die ook na 1850 dominant geworden was. In plaats van het positivisme waarin het om de waarneembare wereld gaat, legde Schopenhauer de nadruk op de wil. Zijn hoofdwerk heet daarom Die Welt als Wille und Vorstellung. De wil die hij opvatte als de wereldwil (en dus niet als de individuele wil) was hij op het spoor gekomen door zich te verdiepen in de Upanishads. Deze oude Indische geschriften kwamen in Het Westen de belangstelling te staan in een periode waarin de objectiverende natuurwetenschappen hun triomfen vierden.

De theosofische beweging, waar de lezing van Frederik van Eeden over gaat, wortelde vooral in de oude Indische filosofie en bood een derde weg aan tussen wetenschap en religie. De dominante religie in Europa was altijd het christendom geweest, maar door de Verlichting en de moderne natuurwetenschappen, werd het waarheidsgehalte (de objectiviteit) van het christendom steeds meer verworpen. Van Eeden zegt in zijn lezing:

De religie met het begrip van een beloonend en bestraffend God is weg, – en wat er in de plaats kwam, de natuurwetenschap, is volkomen onmachtig om dit allereerst verlangen der menschen te bevredigen. Op de allereenvoudigste, de primitiefste vragen die ieder maar eventjes nadenkend mensch terstond zal stellen: ‘Waarom leef ik? Waarom moet ik zooveel moeite doen? Zooveel lijden? Waarom moet ik goed zijn en niet alleen voor mijzelf zorgen?’ Op die vragen antwoordt de natuurwetenschap niet. En haar uitvlucht is: ‘Lieve vrienden, verlangt geen antwoord, want je wilt toch niet dat ik leugens vertel?’
“God is weg, de hemel en de hel zijn weg – de geleerden zijn nog niet aan de kwestie toe, – daar drijven we nu – op goed geluk – ieder maar zoowat op eigen vleugeltjes – naar zijn eigen particuliere leerstukjes.

De wetenschap is oppermachtig geworden en volgens Van Eeden wordt ze precies hetzelfde als de macht (het christendom) die ze heeft verdrongen: de wetenschap wordt zelf een religie. Al heeft de wetenschap voor Van Eeden het recht zichzelf onaantastbaar en onschendbaar te verklaren, “maar zij heeft niet het recht elke intellectueele of intuitieve beweging in de hoofden der menschen, die zich waagt te verheffen naast haar of boven haar, met den banvloek van hare minachting te treffen.” De wetenschap is dus niet almachtig en niet alleen zaligmakend.

Vervolgens stelt hij dat het positivisme door de fixatie op de waarneembare werkelijkheid de metafysica probeert uit te wissen, maar dat de wetenschap in haar zwakste punt getroffen wordt door wijsbegeerte en religie. Volgens Frederik van Eeden is het zwakste punt van de wetenschap de psychologie. Immers, het woord psychologie is afgeleid van het woord psyche (ziel) en dat is voor het positivisme een metafysisch begrip, een speculatie. Het vulgair materialisme had de ziel afgewezen omdat alleen het waarneembare (de materie) werkelijk is voor het positivisme. Ohne Phosphor kein Gedanke.

Op het gebied van psychische en paranormale verschijnselen daagde de wetenschap zichzelf uit maar kwam met een mond vol tanden te staan. Juist de Indische filosofie bleek antwoorden te geven op onverklaarbare fenomenen als telepathie, hypnose en spiritisme. In het laatste kwart van de negentiende eeuw lijken het positivisme (het waarneembare) en occultisme (verborgene) als schepen in de nacht langs elkaar heen te varen. Toch is er ook interactie. De theosofie ziet de duizenden jaren oude kennis die esoterische tradities (zoals de Oud-Indische) aanreiken juist als wetenschap. Dus probeert de theosofie het occultisme en positivisme met elkaar te verzoenen. Fredrik van Eeden is hier een voorstander van. En hij is niet de enige. Nadat in 1892 de Theosofische Vereniging in Nederland is opgericht, wordt theosofie populair, vooral onder de hogere burgerij die het christendom verlaten heeft. Ook de familie van Couperus hoort daarbij.

Passiebloem Mondriaan
Passiebloem (1907) Piet Mondriaan

In Het late leven laat Couperus de “kleine ziel” van Constance van der Welcke tenslotte helemaal tot bloei komen: ‘Nauwelijks in haar was er een zweem van gedachte aan wat de wereld, de mensen, de kleine mensen – zij, die daar draaiden in het kringetje, met hun vooroordeeltjes en eigendunkelijkheidjes, met hun religietjes en filosofietjes, voor immoreels zouden gevonden hebben in zoo vreemde beschouwingen van een getrouwde vrouw omtrent zichzelf – een vriend – haar man – en het nichtje, dat die man klaarblijkelijk liefhad… Zij was een kleine mens als zij allen; zij was een kleine ziel – als zij allen – maar hare ziel, de hare, groeide, groeide op, groeide uit: een luchtigheid als van vleugels scheen haar te kunnen voeren nu naar de grootere wolkluchten daarginds… naar verre steden… waarover de bliksems uitsloegen der nieuwe revelaties en waarheden… In haar was alles veranderd…’

over lichtende drempels“Vlak voor en tijdens het schrijven van De Boeken der kleine zielen houden de ‘stille krachten’ hem bezig. Over lichtende drempels, een verhaal waarin van een geheimzinnige relatie tussen gestorven zielen en familieleden op aarde sprake is en dat duidelijk onder invloed van de theosofie geschreven is, is daarvan een voorbeeld.”
(Bron: Het zit in de familie, door Jan Fontijn (De Revisor, 1982))
In 1917 vertelde Couperus in een interview aan André de Ridder dat hij na Eline Vere ‘veel nagedacht heeft over spiritisme en theosofie’.

(wordt vervolgd …)

Couperus en het voorbijgaan … [ 4 ]

gelezen: De boeken der kleine zielen (1901-1903) van Louis Couperus

In de zgn. “Haagse romans” De boeken der kleine zielen en Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan… heeft “voorbijgaan” een specifieke betekenis. In het voorbijgaan blijft het verleden present. Het is nog (steeds) niet voorbij, maar het is “aan het voorbijgaan”. De romanfiguren van Couperus voeren een strijd met hun verleden. In De kleine zielen gaat het om een schandaal van vijftien jaar geleden, in Van oude menschen draait het zelfs om een moord van zestig jaar geleden. Zo is het voorbijgaan… bij Couperus het determinisme op z’n staart getrapt. Uiteraard met zijn geliefde beletselteken (…)

De moderne mens ziet zichzelf als de architect van zijn eigen leven. Maar hoe vrij is hij eigenlijk als hij de fundamenten niet zelf kan leggen? De personages in een naturalistische roman worstelen vaak met hun verleden. Ze zijn een bevestiging van de woorden van Nietzsche’s Zarathustra: “Willen bevrijdt, doch hoe heet dat, wat ook de bevrijder nog in ketenen slaat? “Er was” zo heet het tandenknarsen van de wil en de eenzaamste droefenis (…) Dat de tijd niet terugloopt, dat is zijn gramschap. “Dat, wat was” zo heet de steen die hij niet wentelen kan.”

De kleine zielenHet eerste boek De kleine zielen eindigt met een scene in het huis van de oude mevrouw Van Lowe. Na een schandaal, dat haar familie geschaad heeft, is Constance van der Welcke met haar man en zoon na vijftien jaar ballingschap in Brussel weer teruggekeerd naar haar familie in Den Haag. Omwille van haar oude moeder, worden ze door haar vier broers en drie zussen weer opgenomen in de familie, maar Constance, Henri en hun zoon Addy blijven veroordeeld tot sociale uitsluiting in Den Haag. De carrière van Henri is geknakt en dat neemt hij Constance kwalijk. Hun huwelijk is daardoor eigenlijk voorbij maar nogmaals scheiden is voor Constance (en ook voor Henri) een no go. Door een toelage van de vermogende ouders van Henri kan het gezin in leven blijven, maar maatschappelijk is het dood. Het gezin verpietert aan de Kerkhoflaan(!)

Omwille van de toekomst van haar zoon Addy besluit Constance om weer toegang te zoeken tot het hogere Haagse milieu. Ze bezoekt zonder uitnodiging een jour van haar oudste zus Bertha. Deze is getrouwd met minister Van Naghel van Voorde en heeft daardoor de juiste connecties in Den Haag, onder andere aan het hof. Voor Addy’s toekomst acht ze deze relaties noodzakelijk. Rond 1900 bestond de “selfmade man” nog niet. Maatschappelijk succes hing volledig af van de stand waartoe men behoorde. Door het schandaal (de scheiding van Constance van Lowe met de zeer hoge gezant De Staffelaer in Rome) waren Constance en Henri van Constance outcast geworden en daarom was er voor de wetten van de klassenmaatschappij voor hun zoon ook geen toekomst meer. Haar eigen uitsluiting en de geknakte carrière van haar man kan Constance nog wel aanvaarden maar niet de uitsluiting van hun zoon. Daarop besluit ze bij Van Naghel van Voorde haar rehabilitatie op te eisen in de hoop dat haar gezin weer toegang krijgt tot de Haagse kringen. Dit loopt uit op een jammerlijke mislukking.

Het schandaal van vijftien jaar geleden heeft het sociale leven van Constance en Henri verwoest. Daarmee zal ze moeten leven. Om met Zarathustra te spreken: het is de steen die ze niet wentelen kan. Het verleden bepaalt heden en toekomst. Kan ze nog domweg gelukkig worden aan de Kerkhoflaan? Of is ze al levend begraven en maakt ze zoals veel personages in naturalistische romans de fatale besluit tot zelfmoord? Couperus had al drie romanpersonages zelfmoord laten plegen: Eline Vere (1889) en in Noodlot (1890) Frank en Eve. Constance van der Welcke wilde hij per se laten leven. Hij laat haar een uitweg vinden.

Die uitweg heeft te maken met het geestelijke klimaat rond 1900. Als reactie op het materialisme was er na 1880 een grote belangstelling voor mystiek en esoterie (waaronder ook spiritisme) gekomen. Bovendien waren na 1890 het werk van Nietzsche en de levensfilosofie op de voorgrond getreden. Safranski stelt dat rond 1900 de woorden “leven” en “jeugd” de nieuwe toverwoorden zijn geworden “waarmee men de wereld laat zingen”. Het sombere levensgevoel van het naturalisme en determinisme wordt opgelicht door de hoopvolle lichtstraal van het vitalisme.

Vitalisme is de doctrine dat het leven niet alleen als mechanisme verklaard kan worden. Vaak wordt het onstoffelijke element aangeduid als de “essentiële vonk” of energie. Sommige aanhangers van het vitalisme vergelijken dit element met de ziel. Het vitalisme speelt een centrale rol in de levensfilosofie: de filosoof Henri Bergson (1859-1941) veronderstelde in L’Évolution créatrice (1907) dat een “levenskracht” (élan vital) de drijfkracht voor de evolutie van het leven op aarde was.
Bron: nl.wikipedia.org

Ook in het saaie leven aan de Kerkhoflaan breekt bij Constance een lichtstraaltje door: “Dat alles ging door haar heen – voor haar uit – heel snel: twee, drie flitsen van openbaring, meer niet; snelle revelaties die uitbliksemden en weer donkerden… Maar hoe snel ook de revelaties hadden gebliksemd – na de laatste bleef de kamer klein, bleven die mensen klein, bleef zij zelf klein… Zij had nooit geleefd -o, zo dikwijls had zij dat al vermoed. Maar die andere mensen… hadden die nooit… nooit geleefd?”
(uit: Boek 2 Het late Leven)

Constance voelt zich een kleine ziel en om haar heen in haar familie ziet ze ook allemaal kleine zielen. Ze ziet de bekrompenheid van haar milieu waarin alles om maatschappelijke status draait. Nu dat voor haar definitief voorbij is, vraagt ze zich af of dat wel leven (geweest) is? Is er geen ander leven, een leven waarin de ziel bevrijd wordt uit haar kleine benauwde wereldje? Constance beseft nu wel dat er meer is, maar meent tegelijkertijd dat het te laat is, dat ze er nu te oud voor is:

Het late leven“Neen… als zovele jaren waren verspild aan het domme bestaan om niets… dan mocht zij, oude vrouw, niet herleven… als te laat het daagde: het leven van gedachte en van gevoel… dat leven… waaruit had kunnen spruiten het leven van daad en liefde, van grote liefde, van liefde voor alles en allen… Neen, als er zovele jaren waren verplanteleefd, tot de plant was geel en dor en dof geworden… dan kon het niet anders…. dan mocht het niet anders of het versterven, het langzaam weg-versterven – in niets- was de enige hoop die overbleef…”
(uit: Boek 2 Het late Leven)

Constance maakt op haar 42e, gelouterd door het schandaal, weer contact met haar binnenste zelf, haar ziel, haar jeugdherinneringen in Buitenzorg en vindt zielsverwanten in haar broer Paul en in Max Brauws. Maar ze blijft aanvankelijk gevangen aan het “hoe het hoort” van haar milieu: haar leven hoort voorbij te zijn. Maar haar leven IS niet voorbij. Het is nog steeds aan het voorbijgaan. En nu verschijnt er in dit voorbijgaan iets hoopvols: het is nog niet te laat. Constance leeft nog steeds, en de flitsen van een groter leven die haar soms toevallen, bevrijden haar van de mores die haar gevormd hebben als vrouw uit de hoger klasse.

(wordt vervolgd…)

Couperus en het voorbijgaan … [ 2 ]

gelezen: De boeken der kleine zielen (1901-1903) van Louis Couperus

In de zgn. “Haagse romans” De boeken der kleine zielen en Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan… heeft “voorbijgaan” een specifieke betekenis. In het voorbijgaan blijft het verleden present. Het is nog (steeds) niet voorbij, maar het is “aan het voorbijgaan”. De romanfiguren van Couperus voeren een strijd met hun verleden. In De kleine zielen gaat het om een schandaal van vijftien jaar geleden, in Van oude menschen draait het zelfs om een moord van zestig jaar geleden. Zo is het voorbijgaan… bij Couperus het determinisme op z’n staart getrapt. Uiteraard met zijn geliefde beletselteken (…)

de kleine zielenLouis Couperus heeft drie Haagse romans geschreven: Eline Vere (1889), De boeken der kleine zielen (1901-1903) en Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan (1906). Eigenlijk zijn het zes boeken als je De boeken de kleine zielen als vier boeken telt. Ze werden tussen 1901, 1902 en 1903 in vier delen uitgegeven. Ik las in januari het eerste deel (De kleine zielen). En ik las Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan. Er zijn veel parallellen tussen deze twee boeken. Natuurlijk omdat ze beiden in het Haags-Indische milieu afspelen, de wereld die Couperus van huis uit zo goed kende. En het zijn allebei familieromans met psychologische diepteboringen.

Opvallend daarbij is de worsteling met het verleden. De “dingen” zijn niet voorbij maar aan het voorbijgaan. En in dat voorbijgaan blijven ze aanwezig. In Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan heeft Couperus dit voorbijgaan dus letterlijk in de titel opgenomen. Ook in De boeken der kleine zielen wordt de hoofdpersoon door het verleden achtervolgd.

De hoofdpersoon in het eerste deel (De kleine zielen) is Constance van der Welcke. Ze is een van de acht kinderen uit de familie Van Lowe die tot de Haagse upperclass gerekend wordt. Haar vader was ooit gouveneur-generaal van Nederlands-Indië. Als meisje van begin twintig werd ze uitgehuwelijkt aan De Staffelaer, een voorname relatie van haar vader, die veertig jaar ouder was. Dat was in Haagse kringen heel gewoon in de negentiende eeuw. Vrijwel altijd had de veel oudere echtgenoot een hoge maatschappelijke positie en door het uithuwelijken van een (veel jongere) dochter kon de familie zich op hoog niveau handhaven. Dat deze ruil in de consumptie van het huwelijk meestal tot onvrede leidde mag duidelijk zijn! Zo ook bij Constance. Met De Staffelaer gaat ze in Rome wonen waar ze in de hoogste diplomatieke kringen verkeert.

De ijdele Constance voelt zich als een vis in het water in de Romeinse high society, die net nog een stapje hoger staat als de hogere klasse in Den Haagse. Haar ouders mogen tevreden zijn: door Constance wordt de hoge positie van de familie Van Lowe geconsolideerd. Maar dan slaat het noodlot toe: Constance wordt verliefd op Henri van der Welcke, een veel jongere collega van haar ruim zestigjarige echtgenoot. Ze hebben een affaire, het komt uit en al gauw is het ook in Den Haag bekend. De eer van de familie Van Lowe wordt ernstig aangetast door het schandaal dat hun dochter veroorzaakt heeft. De vader van Constance sterft kort daarop en de familie meent dat hij het schandaal niet heeft kunnen verwerken. Constance is voor de wereld een gevallen vrouw geworden en voor haar familie de verloren dochter. De vermogende ouders Van der Welcke zorgen ervoor dat hun zoon met Constance in Londen kan trouwen. Naar Rome en Den Haag kunnen ze niet meer terugkeren want iedereen weet van het schandaal. Constance en Henri gaan in Brussel wonen waar hun zoon Addy geboren wordt.

Het eerste hoofdstuk van De kleine zielen begin met de terugkeer van Constance bij haar familie in Den Haag. Haar vier broers en drie zussen hebben besloten haar weer in de familie op te nemen. Niet omdat ze dat zelf willen maar omwille van hun oude moeder, de weduwe Van Lowe. Voor Constance is haar terugkeer naar Den Haag heel belangrijk. Met Henri leidde ze een eenzaam leven in Brussel. Het schandaal in Rome had de diplomatieke carrière van haar man geknakt en hij nam haar dat kwalijk. Zij had hem immers verleid. Van de aanvankelijke passie was al snel niets meer over en hun huwelijk was in feite slechts schijn. Hun zoon Addy was het lichtpuntje in hun leven. Door terug te gaan naar haar familie hoopt Constance weer geborgenheid te vinden na vijftien eenzame jaren in Brussel. Inmiddels is ze 42 en voelt ze zich oud. Ze heeft niets meer met de wereld van de high society waar ze als meisje zo gevoelig voor was, het enige dat ze verlangt is een beetje geborgenheid bij haar familie.

De boeken der kleine zielen
Dramatis personae – De boeken der kleine zielen
(klik op afbeelding voor vergroting)

Couperus heeft dus opnieuw een vrouwelijke hoofdpersoon geschapen, bijna twintig jaar ouder dan Eline Vere, die het leven in de hoogste kringen door en door kent (net als Couperus zelf) en die naar een uitweg zoekt. “Is dit leven? ‘…” vraagt Constance zich telkens af en het schijnt haar toe dat ze nog nooit echt geleefd heeft. Het schandaal en de vijftien eenzame jaren in Brussel hebben haar gelouterd waardoor ze zich van de betrekkelijkheid en de schijn van het leven van haar familie bewust geworden is. Haar oudste zus Bertha is getrouwd met minister Van Naghel van Voorde en volgt het zelfde “traject” als zij ooit met De Staffelaer waarbij alles gericht is op de juiste connecties en het bewaken van de positie van de familie.

Zo blijkt er tussen Bertha en haar jongere zus Adolphine al standsverschil in de familie is geslopen. Adolphine is getrouwd met Piet Saetzema, een hogere ambtenaar, maar met een lagere positie als minister Van Naghel van Voorde. De familie Saetzema is daardoor verburgelijkt en hebben deel aan andere coterieën (bubbels) dan de familie Van Naghel van Voorde. Als Bertha haar “jours”(formele diners) geeft, dan is alleen de Haagse upper class uitgenodigd. Voor haar broers en zussen geeft ze afzonderlijke diners. Door haar harde kleerschool is de high society voor Constance een benepen wereldje geworden. Ze ziet dan ook voornamelijk “kleine zielen”. Deze observatie kan ze delen met haar broer Paul, die tegelijkertijd een alter ego is van Couperus zelf. “Ik zie teveel door alles heen”, bekent hij zijn zuster.

Door de veelheid aan personages leent de familieroman zich tot zeer omvangrijke romans en romancycli. Couperus was niet de enige die in het eerste kwart van de twintigste eeuw aan een romancyclus werkte. In het jaar waarin Couperus het eerste deel van De kleine zielen schreef, verscheen in Duitsland Buddenbrooks van Thomas Mann. In Engeland zou John Galsworthy tussen 1906 en 1922 de trilogie The Forsyte Saga schrijven. In Frankrijk begon Marcel Proust in 1907 aan een nog omvangrijker werk: À la recherche du temps perdu verscheen tussen 1913 en 1922 in zeven romans. Emile Zola was mogelijk de grondlegger van de naturalistische familiekroniek. Hij deed het zeer grondig: Les Rougon-Macquart, histoire naturelle et sociale d’une famille sous le Second Empire verscheen tussen 1870 en 1893 in maar liefst twintig (!) romans. Daarmee is deze romancyclus ook een unieke kroniek van het Tweede Franse Keizerrijk (1852-1870)

(wordt vervolgd …)