aan het lezen in Heidegger en zijn tijd van Rüdiger Safranski
“Heidegger begon als katholiek filosoof. Hij nam de uitdaging van de moderne tijd aan. Hij ontwikkelde de filosofie van een bestaan dat zichzelf aantreft onder een lege hemel, beheerst door een verslindende tijd, geworpen en toegerust met de gave het eigen leven te ontwerpen. Een filosofie die de enkeling op zijn vrijheid en verantwoordelijkheid aanspreekt en de dood serieus neemt. De zijnsvraag in Heideggeriaanse zin betekent, het bestaan lichten zoals je een anker licht, om bevrijd de open zee op te varen.” Zo begint Rüdiger Safranski zijn biografie over Heidegger (1994).
Safranski over Heidegger
Zijn boek Romantiek. Een Duitse Affaire laat Safranski ook heel bewust beginnen met de uitgestrektheid van de oceaan. (Johann Gottfried von Herder die op 17 mei 1769 het ruime sop kiest, vol vertrouwen een onbepaalde toekomst tegemoet.) Safranski heeft de gave om spannend over filosofie te schrijven en filosofie terug te brengen tot wat het is: het avontuur van de geest.
Toen Safranski aan Heidegger en zijn tijd begon, had hij al een biografie over ETA Hoffmann (1984) en Schopenhauer (1988) geschreven. Ein Meister aus Deutschland luidt de ondertitel van zijn biografie over Martin Heidegger en Safranski plaatst hem daarmee in de traditie van Meister Eckhart en andere Duitse mystici. Zoals bijna alle mystici had ook Heidegger een plek waar hij zich terug kon trekken en waar hij ‘het Zijn’ kon ondervragen. Die plek was bij Todtnauberg in het Zwarte Woud waar hij een blokhut bezat en waar hij ongestoord aan zijn hoofdwerk Sein und Zeit (1923-1927) en aan vele andere teksten kon werken.
Safranski over Heidegger

Bron: beck-shop.de
Ein Philosoph und seine Dichter – Heidegger, Hölderlin und Thelema


Zo is Maarten, de rationalist van de Gebroeders Meester deze mening toegedaan. Zijn romantische broertje Frank is het natuurlijk niet met hem eens en hij is juist gecharmeerd van de Middeleeuwse filosofie omdat die ruimte schept voor zaken die we niet kunnen begrijpen en volgens hem daardoor zoveel interessanter zijn. Maarten gebruikt de vergelijking met het sprookje van Doornroosje die Anthony Gottlieb maakt in de Droom der Rede: In het jaar 529 liet de Byzantijnse keizer Justinianus alle filosofiescholen in Athene sluiten. De filosofie werd daarna duizend jaar lang de dienstmaagd van de theologie. Pas met Descartes kwam de radicale twijfel weer terug in de filosofie en daarmee het leven. Immers, de enige zekerheid die we vanuit de Rede hebben, is dat we twijfelen. Na haar vinger geprikt te hebben aan de christelijke theologie viel de filosofie duizend jaar in slaap totdat zij door de kus van Descartes werd gewekt. Maar volgens Gottlieb is deze verleidelijke vergelijking toch te simpel. Maarten Meester schrikt er niet voor terug om deze versimpeling te gebruiken om zich tegenover zijn broertje te positioneren. De Middeleeuwen vormen voor hem “een non-descripte, grijze, onbetekenende periode tussen de klassieke periode en het begin van de moderne tijd in.” Dit is min of meer ook het standpunt van de Verlichting: In de Middeleeuwen was het licht uitgegaan, terwijl in de Nieuwe Tijd (vanaf 1500) het licht weer was gaan branden.
De Zwolse chirurgijn Hendrik Smeeks (1645-1721) zal het niet eens geweest zijn met zijn tijdgenoot Gottfried Wilhelm Leibniz (1646-1716) die beweerde dat we in de beste van alle mogelijke werelden leven. Of in ieder geval, meende Smeeks dat we niet in het beste deel van die wereld leven. Ruim driehonderd jaar geleden schreef hij een imaginair reisverhaal: Beschryvinge van het magtig Koningryk Krinke Kesmes (1708).
In het fictieve Koninkrijk Krinke Kesmes kan iedereen door dezelfde godsdienstige deur omdat er maar één religie is die alle religies in zich verenigt. Smeeks‘ 













