
Categorie archief: schilderkunst
twee schilders
en film Goya’s Ghosts van Milos Forman in Nijmegen
Vorige week schreef ik hier dat ik binnenkort de film Goya’s Ghosts en de tentoonstelling De laatste decadente schilder wilde gaan zien. Gisteren kwam het er dan van in Nijmegen.
Antoon van Welie
Eerst naar het Valkhof Museum. Samen met Thijn die hier werkt en de foto’s voor deze tentoonstelling (high res te downloaden) gemaakt heeft, een rondgang gemaakt. Als je deze weblog de laatste weken een beetje gevolgd hebt, dan heb je gelezen dat ik me met een paar boeken had ondergedompeld in de periode rond de Eerste Wereldoorlog. Je gaat er voor je gevoel dan zelf een beetje naar ruiken. Ik voelde me dan ook onmiddellijk thuis tussen de schilderijen, pastels en tekeningen van Antoon van Welie die gemaakt zijn in de periode 1895-1915 en die te zien zijn in de eerste zalen van de tentoonstelling. Er is zelfs een interieur uit het begin van de twintigste eeuw nagebouwd met strakke lambrizeringen, om een echo van de Victoriaanse salon op te roepen. Antoon van Welie was beslist salonfähig, een man van de wereld. Rond 1895 was hij al een veelgevraagd portretschilder en hij maakte naam in heel Europa. Hij portreteerde zelfs drie pausen, Mussolini en een hele reeks mannen van aanzien al dan niet met hun vrouw en/of kinderen.
Waar Thijn en ik het beiden wel overeens waren dat hij het vak in zijn vingers had. Op sommige momenten maakt de verf zich echt los en beweegt het zich over het doek met een virtuositeit van een John Singer Sargent of Thérese Schwartze, beiden tijdgenoten die in dezelfde vijver visten: de high society. Maar het werk van Antoon van Welie is zeer wisselend van niveau. Dat zie je in elke zaal steeds duidelijker naar voren komen en tenslotte eindigt deze tentoonstelling in een dieptepunt met onderstaande Allegorie van het Koninklijk Huis die juist als apotheose gepresenteerd is. Je ziet niet alleen een totale aftakeling van de techniek maar ook van de goede smaak. Ik kan me niet herinneren dat ik ooit zo’n ontluisterend slotaccoord op een oeuvre heb gezien.

Van Welie maakte in zijn laatste levensfase ernst met een ‘stalinistische’ wansmaak
Wat hij hier presteert, is zo vet over the top en zo erbarmelijk slecht geschilderd, dat het tegenwoordig weer camp zou moeten zijn, maar Van Welie bedoelde dit allemaal zoo ernstig… Na de oorlog was hij een anachronisme geworden, ongeschikt voor de moderne tijd en verguisd door de critici ondanks zijn successen in de hogere kringen. Toch is deze tentoonstelling de moeite waard en ik ben blij dat Antoon van Welie weer uit het stof is gehaald. Er zijn een paar portretten van beeldschone dames die tegelijkertijd technisch van zeer hoge kwaliteit zijn.
Goya’s Ghosts
‘s Avonds met René en Thijn naar lux. Niet helemaal onbevooroordeeld, want ergens had ik iets gelezen van ‘slecht scenario, wel veel mooie plaatjes’. Een film met een slecht scenario is eigenlijk al niet meer te redden, maar voor mij is er bij een historisch drama altijd een escape. Ik zet dan op een gegeven moment de knop om en bekijk de film daarna niet meer als film, maar als een slideshow van vaak mooie plaatjes en allerlei historische details. Voor een regisseur is dat niet bepaald complimenteus. Die krijgt dan ook een vette onvoldoende, maar voor het werk van de cameraman, rekwisiteurs, stylistes, kostuumspecialisten en historici die aan zo’n film hebben meegewerkt, heb ik dan meestal des te meer lof.

Nu is Milos Forman natuurlijk niet zomaar een regisseur. Wanneer hij een slecht scenario in handen krijgt, weet hij er altijd nog iets van te maken. Ook herken je zijn films altijd aan de typische Forman-signatuur, en kan hij als meester knipogen naar zijn meesterwerken One Flew over the Cukoo’s Nest en Amadeus. Maar daarmee is de film nog niet gered. Voor René wordt deze film dan ook genomineerd voor het Gouden Kruidvat, met andere woorden: zo vlug mogelijk als DVD verramsjen bij het Kruidvat. Thijn vond de film helemaal zo slecht nog niet. Waar we het met elkaar wel overeens zijn, is het slechte scenario van Goya’s Ghosts. Een ongeloofwaardig verhaal dat bovendien nog eens platgewalst wordt onder teveel dynamiek en teveel revoluties (gaap). En er is geen echte centrale hoofdpersoon. Met Antonio Salieri in Amadeus kan iedereen zich wel identificeren, juist omdat het emotional center van Amadeus de jaloezie is. En de jaloezie van de ander is een gemakkelijke bron van vermaak.
Maar waar gaat Goya’s Ghosts eigenlijk over? Misschien gaat het over loyaliteit en de bereidheid om te lijden voor je principes. En dus ook over lafheid en opportunisme. Het moment waarop dit het duidelijkst naar bovenkomt, is wanneer Goya en Lorenzo elkaar verwijten ‘de hoer’ te zijn. Uiteindelijk is het Lorenzo , mooi gespeeld door Javier Bardem, die zijn geloof in de idealen van de revolutie niet opgeeft. En Goya blijft wat hij in deze hele film is: een voorbijganger, iemand die toekijkt. Als een fotojournalist avant la lettre blijft hij betrokken bij het oorverdovende tumult van zijn tijd, maar vanwege zijn doofheid is hij veroordeeld tot een terugetrokken bestaan in een doodstille wereld.
De casting is, zoals we van Forman gewend zijn, weer opvallend goed. Een prachtige Carlos IV gespeeld door Randy Quaid, een mooie rol van José Luis Gómez als Tomás Bilbaten Michael Lonsdale als vader Gregorius met een overtuigende combinatie van oprechte inleving en lafheid op zijn gezicht.
Honderd jaar geleden …
Het gebeurt wel vaker dat ik na het lezen over een bepaalde periode in de geschiedenis gelijk doortuimel naar de kunst uit die periode. Waar politieke gebeurtenissen de buitenkant van de geschiedenis tonen, laat de kunst de binnenkant zien. De laatste weken heb ik verslag gedaan over de Eerste Wereldoorlog, waarover ik gelezen heb in tenminste drie boeken: voornamelijk in De Eerste Wereldoorlog van John Keegan, daarnaast het tweede hoofdstuk van In Europa van Geert Mak en tenslotte in Eeuw van uitersten, de korte twintigste eeuw 1914-1991 van Eric Hobsbawm.
Dit weekend haalde ik ook mijn scriptie geschiedenis over het ontstaan van de moderne kunst weer eens tevoorschijn, die ik 25 jaar geleden schreef voor mijn VWO-examen. In diezelfde tijd keek ik met rode oortjes naar de serie documentaires De Schok van het Nieuwe van Robert Hughes, die de NOS in het najaar van 1981 uitzond. Het valt me op dat ik als 18-jarige al precies in dezelfde dingen geinteresseerd was als tegenwoordig en dat ik in veel opzichten toen al evenveel wist als nu. In de 25 jaar die achter me liggen, heeft die kennis zich ‘slechts’ verdiept. Karl Popper heeft natuurlijk gelijk wanneer hij stelt dat kennis altijd groeit en dat kennis daarom nooit ‘af’ kan zijn. Het interpreteren gaat dus altijd verder en het laatste woord is nooit gezegd. De vraagstelling van mijn onderzoek: “waarom gaat men de zichtbare werkelijkheid in de kunst tot een probleem maken en anders af- en uitbeelden?” blijft in zekere zin nog steeds onbeantwoord. Het blijft geheimzinnig waarom de kunst 100 jaar geleden zo ingrijpend veranderde.
De avant-garde schilderkunst waaierde tussen 1870 en 1920 uit in een delta van ismen voordat het in een zee van modernisme en later post-modernisme zou uitmonden. Want tegenwoordig kan eigenlijk alles weer. Ik kwam bijna onvermijdelijk in de geijkte tunnelvisies en simplificaties terecht: koppelde met het grootste gemak de formulering van de relativiteitstheorie uit 1905 aan de kubistische ruimte, de harde kleuren en scherpe lijnen van fauvisme en expressionisme aan een moedwillige breuk met het verleden, het dadaisme als cynisische reactie op een cultuur die haar vooruitgangsideaal aan stukken had zien vliegen. De Eerste Wereldoorlog zag ik toen ook al als hét kantelmoment uit de twintigste eeuw. Niet alleen verdween in 1919 het oude Europa, ook de oude kunst had plaats gemaakt voor het modernisme. Kenmerkend voor de vroege periode van het modernisme is de verbrokkeling, de deformatie. Het is alsof de zichtbare werkelijkheid op de ontleedtafel is gelegd en aan alle kanten wordt opengesneden.

Dit jaar is het 100 jaar geleden dat Picasso les demoiselles d’Avignon schilderde: het begin van het kubisme en eigenlijk ook het officiële begin van de moderne schilderkunst. Honderd jaar later worden we elke dag zo overspoeld met beelden dat we bijna nergens meer van opkijken. Maar voor het publiek van toen was dat schilderij een grote schok en Robert Hughes wist die schok prachtig te reconstrueren. Alles raakte in een stroomversnelling en opeens ging het heel hard. Zes jaar later presenteerde Malewich zijn ‘zwarte vierkant’. De kunstcritici verzuchtten: “alles waar we van hielden is verloren. We zitten in de woestijn. Voor ons staat een zwart vierkant tegen een witte achtergrond.” Nog voordat de Eerste Wereldoorlog begon, was de schilderkunst al om zeep geholpen…













