
inscapes [ 52 ]


In zijn manifest Kunst heeft macht gaat Wim van Aalst uit van een klassieke opvatting over kunst. Hij stelt dat we kunst kunnen definiëren als “de producten die een beschaving in haar hoogste aanzien houdt. Omdat men opkijkt naar kunst, krijgt kunst de facto een inspirerende of leidende rol”. Van Aalst veronderstelt dus het klassieke onderscheid tussen kunst, cultuur en beschaving waarbij kunst de hoogste plaats inneemt en een leidende rol speelt.
Sinds het futurisme en het dadaïsme honderd jaar geleden de oorlog verklaarden aan de Hochkultur is de scheiding tussen kunst en niet-kunst problematisch geworden. Na de ready made van Marcel Duchamp en de institutionele theorie van Arthur Danto kan alles tot kunst verheven worden. Letterlijk alles (landart, fluxus), maar ook letterlijk niets (bijvoorbeeld een lege expositieruimte). Wanneer in de kunst het concept de heilige graal geworden is, gaat kunst draaien om de immateriële idee en dreigt de kunst te worden opgeslokt door een oeverloos gedachtespel.
In de loop van de twintigste eeuw heeft men afstand gedaan van de klassieke opvatting over kunst. In de jaren vijftig kon de Nederlandse vertaling van The Story of Art van Ernst Gombrich nog verschijnen onder de titel Eeuwige Schoonheid. Maar na de progressieve jaren zestig werd het verbinden van kunst met “eeuwige schoonheid” min of meer taboe. In de massacultuur van de afgelopen vijftig jaar zijn kunst en life style naast elkaar komen te staan en door elkaar gaan lopen.
Tegelijkertijd is de hedendaagse kunst steeds meer een eliteverschijnsel geworden. Wim van Aalst ziet de gerichtheid van hedendaagse kunst op zichzelf als een belangrijke oorzaak. “Kunst wordt gemaakt voor de criticus, de kunstfilosoof en de verzamelaar, maar niet voor de mensheid.” schrijft hij in zijn manifest. Hij pleit voor een holistisch kunstbesef. De kunstenaar, maar ook de kunstcriticus, de conservator en de collectioneur zouden over de grenzen van hun vakgebied heen moeten kijken in plaats van zich daarin op te sluiten.
Kunst benoemen als het allerhoogste wat een beschaving voortbrengt, klinkt in onze tijd nogal pathetisch. Toch moeten we ons beseffen dat een dergelijke retoriek juist de moderne kunst heeft voortgebracht. Toen Schelling rond 1797 de kunst uitriep als ‘das einzige wahre und ewige Organon‘ was daar geen ironie bij. Arnold Heumakers heeft in De esthetische revolutie beschreven hoe het autonome kunstbegrip in de tweede helft van de achttiende eeuw met name in Duitsland ontwikkeld werd en daarna door de Duitse romantiek verspreid werd. Toen Theo van Doesburg precies honderd jaar geleden schreef “De mensch komt in ‘t licht! De mensch wordt nu geboren! De Kunst wordt religie. De Kunstenaar, de priester, die den wereldwil uitbeeldt, in vormen, kleuren, woorden, klanken, de Priester, aan wien Wij het nieuwe leven danken.” schreef hij in de romantische traditie waarin kunst de religie vervangen heeft.
Het ideaal van kunst als volksverheffing blijkt meestal éénrichtingsverkeer. Als overheid kun je nog zo graag het volk willen verheffen, het volk moet zelf wél willen. En net als tweeduizend jaar geleden wil het volk nog altijd brood en spelen. Daarom lees je in de programmering wel: “in verband met het EK is het programma Cultuur komen te vervallen” maar nooit het omgekeerde. Aan kunst valt door de media weinig te verdienen. Alleen als de overheid subsidieert of het bedrijfsleven sponsort, kunnen er kunstprogramma’s en tentoonstellingen worden gemaakt.
Manifesten zijn vaak geschreven om een bepaalde visie op kunst te stimuleren. Wim van Aalst pleit voor een holistisch kunstbesef. Wijselijk laat hij open hoe kunst die vanuit dit besef gemaakt wordt eruit moet zien. Bij een open samenleving hoort diversiteit, juist in de kunsten. Als de overheid één visie c.q. één soort kunst zou bevorderen, dan zou er sprake zijn van staatskunst. De kunst is er dan om de burger op te voeden tot ideaal burgerschap. Zo is het strenge en uniforme neoclassicisme sinds Napoleon de huisstijl van iedere dictatuur geworden.
De macht van kunst is niet te onderschatten. Tegelijkertijd is ze ook machteloos. Want als het volk haar niet wil dan is de kunst weerloos. Net als alles dat van waarde is.
Een lichte toon voelt meestal aangenamer dan een donkere toon en een cursiefje leest prettiger dan een zware tekst. Dat geldt ook voor schilderijen. Gisteren en afgelopen zondag liet ik werk zien van Giambattista Tiepolo (1696-1770) en William Orpen (1878-1931) dat allebei licht van toon was. Toch is hun doel tegengesteld. Tiepolo wil ons als het ware bedwelmen en losmaken van de zwaartekracht. Maar Orpen laat ons in overbelichte loopgraven kijken, alsof we een soldaat zijn van wie het gezichtsvermogen in een gasaanval is aangetast. Zijn lichte toon is dus verraderlijk. Maar Orpen is een uitzondering. In de visuele communicatie geven lichte tonen ons primair een aangenaam gevoel.
Gisteren kocht ik de catalogus van de tentoonstelling In helder licht – Abraham en Jacob van Strij (2000). Het bevestigt mijn veronderstelling dat na het einde van de godsdienstoorlogen in 1713 de toon minder zwaar werd. De donkere barok maakte plaats voor het lichte rococo. Ik zie soms een parallel met het rococo en de jaren vijftig van de twintigste eeuw. Over beide perioden kun je achteraf meewarig doen, misschien omdat het levensgevoel van het rococo én de jaren vijftig berust op een vlucht uit de werkelijkheid. Maar de zoete bedwelming van pasteltinten wérkt wel.
Als de Dordrechtse schilders Abraham van Strij (1753-1826) en Jacob van Strij (1756-1815) aan het begin van de jaren zeventig van de achttiende eeuw naar de kunstacademie van Antwerpen gaan, gaat het rococo langzaam over in het neoclassicisme. In Nederland zou het rococo nooit echt voet aan de grond krijgen. Toch is er indirect invloed van het rococo, met name in het kleurengebruik.
Als de gebroeders Van Strij gaan teruggrijpen op Hollandse meesters uit de zeventiende eeuw dan produceren ze geen kopieën van hun stadgenoot Albert Cuyp of van Pieter de Hoogh. Ze kijken door de bril van de achttiende eeuw. Zoals Tiepolo een soort gebleekte versies van Veronese maakt, zo doen de Van Strij‘s dat bij Both, Cuyp, Dou, Maes, Metsu, Ostade en De Hoogh. We zien de Hollandse schilders uit de Gouden Eeuw aan het einde van de achttiende eeuw nog eens aan ons voorbijtrekken, maar nu in een ander licht.


In de voetsporen van Heidegger
Voetnoten bij de 19e eeuw
Amerikaanse Burgeroorlog
Napoleon en zijn schilders
Landschapsschilders uit de Goethezeit
Schilders in Italië
De schilder en zijn broodheer
De waakzaamheid van het hart
Ovidius’ Metamorphosen
Dantes Divina Commedia
Wolkenkrabbers
Op zoek naar de atoomstijl
Een avontuur van luitenant Blueberry
My favourite things