Ik kwam Carl Friedrich Philipp von Martius voor het eerst in 1981 tegen in het Album der Zeitgenossen van de Münchner fotograaf Franz Hanfstaengl (1804-1877). Daarin staat zijn portret uit de jaren vijftig van de negentiende eeuw. Een sympathiek ogende oudere heer, die enigszins lijkt op mijn grootvader. Dat hij in Hanfstaengl‘s Album der Zeitgenossen is opgenomen, een soort galerij der groten uit Beieren anno 1853-1863, heeft hij voornamelijk te danken aan een bijzondere prestatie die hij leverde in de jaren 1817-1820 toen hij een ontdekkingsreis maakte naar Brazilië, dat in die jaren als koninkrijk nog in een personele unie met Portugal verbonden was.

Toen in 1817 Maria Leopoldina, de vierde dochter van keizer Franz I van Oostenrijk, trouwde met Dom Pedro (vanaf 1822 de eerste keizer van Brazilië), werden de handelsbetrekkingen tussen Oostenrijk en Brazilië verstevigd. Zo werd de Österreichische Brasilien-Expedition ondernomen die van 1817 tot 1835 duurde. Het expeditieteam bestond uit wetenschappers en kunstenaars, maar het voornaamste doel was economisch: het vinden van inheemse producten voor de Europese afzetmarkt.
Carl Friedrich Philipp von Martius reisde als botanicus mee, samen met 14 anderen waaronder de Oostenrijkse schilder Thomas Ender (1793-1875) die ongeveer even oud was als hij. Von Martius stond onder bescherming van de Beierse koning Maximiliaan I die in 1815 al een Zuid-Amerikaanse expeditie had gepland. In 1917 sloot hij zich aan bij de Oostenrijkse expeditie.

Von Martius verkende samen met Johann Baptist von Spix het Amazonegebied. Ze deden uitgebreid onderzoek naar de tropische flora. Von Martius besteedde daarbij bijzondere aandacht aan palmbomen, zodat hij bekend werd als de “vader van de palmbomen”. In totaal bracht het tweetal 85 geconserveerde zoogdieren, 350 vogels, 150 amfibieën, 116 vissen, 2.700 insecten en 6.500 planten en zaden van hun reis mee naar München. Von Martius is altijd in de schaduw blijven staan van Alexander von Humboldt die twintig jaar eerder een reis naar Zuid-Amerika maakte.

In 2005 publiceerde de jonge Duitse schrijver
Dat Alexander von Humboldt een leverancier van vermakelijke anekdotes is, was mij al langer bekend. Toen ik in 1986 zelf een reis naar Zuid-Amerika maakte, kende ik al verhalen van de man met een hoge hoed en de pandjesjas die samen met een Franse botanicus door het oerwoud trok. Als het prototype van de romantische wetenschapper gebruikte Humboldt zijn eigen lichaam soms als meetinstrument. Zo stapte hij in het water waar sidderalen zwommen om te testen hoe sterk de elektrische lading was en proefde hij curare, waarbij hij zijn veronderstelling bevestigd werd dat curare hoogstens wat duizelingen wanneer het door de mond werd ingenomen. Zolang je maar geen wondje in je mond had, want wanneer curare rechtstreeks met bloed in contact kwam, was het onherroepelijk een dodelijk gif. Door zijn nieuwsgierigheid en onverschrokkenheid grenzend aan doodsverachting had Humboldt het avontuur aan zijn kont hangen. De ideale protagonist voor een historische roman of film. Naar mijn weten heeft Werner Herzog zich nooit gewaagd aan een verfilming van Humboldt‘s reis door Nieuw-Granada en het vice-koninkrijk Peru, zoals de overzeese gebieden van Spanje tussen 1799 en 1806 nog heetten. Vergeleken bij Von Humboldt was Fitzcaraldo een operaminnende huismus.
De professor hield zijn 














