Categorie archief: Orthodoxie

van persoon tot individu [ 2 ]

gelezen: Jan Oegema over Meister Eckhart

Dit weekend verscheen in de zaterdagbijlage Letter & Geest van Trouw een tweede artikel van Jan Oegema over Meister Eckhart. Op de zingevingsmarkt is mystiek op dit moment razend populair en ook voor Meister Eckhart is de belangstelling gestaag groeiende. Oegema noemt hem in de introductie stijgen naar het ongewone samen met Eckhart Tolle, net als Anselm Grün een schrijver van bestsellers:

Meister Eckhart lijkt alleen al door zijn naam verwant te zijn met Eckhart Tolle, ook een Duitser, ook een mysticus, maar dan uit de 20ste eeuw en goed voor grote oplagen. Beiden spreken over loslaten van het ik, afgescheidenheid, ledigheid van gemoed. Beiden zouden deze zin kunnen schrijven: „Ledig is een gemoed wanneer het door niets in de war wordt gebracht en aan niets is gebonden, wanneer het niet door bepaalde emoties wordt vertroebeld en in geen enkel opzicht met zichzelf bezig is.“ Maar de volgende zin kan alleen van de Meister zijn:
„Wanneer de afgescheidenheid haar hoogste graad heeft bereikt, wordt zij door te kennen kennisloos en door liefde liefdeloos en door licht duister.“

Bij Eckhart Tolle is weinig duister, bij Meister Eckhart heel veel. Daarom verkoopt de uitgever van de eerste honderdduizend boeken per jaar, de uitgever van de tweede slechts duizend – als hij geluk heeft. Ik zou liever zien dat het andersom was, ik zou het de Meister graag gunnen.

Juan de la CruzMeister Eckhart toont op dit punt duidelijk verwantschap met de Spaanse mysticus Juan de la Cruz, die met zijn mystieke gedicht Noche Oscura del Alma (donkere nacht van de ziel) de duisternis benadrukt. Uiteraard komen we de duisternis tegen wanneer we een geestelijk leven willen gaan leiden, maar Juan de la Cruz en Meister Eckhart gaan veel verder: ze zien de duisternis als een wezenlijk kenmerk van God. Wanneer we het begin van het Johannesevangelie erbij pakken, lezen we het volgende:

Evangelie naar Johannes 1 : 4-13
In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen; en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen. Er trad een mens op, van God gezonden, wiens naam was Johannes; deze kwam als getuige om van het licht te getuigen, opdat allen door hem geloven zouden. Hij was het licht niet, maar was om te getuigen van het licht. Het waarachtige licht, dat ieder mens verlicht, was komende in de wereld. Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem geworden, en de wereld heeft Hem niet gekend. Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen. Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in zijn naam geloven; die niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, doch uit God geboren zijn.

Hoe komt het dat een mysticus als Meister Eckhart die volgens Oegema ‘verknocht is aan het christendom’ tot een ervaring van God komt die haaks staat op wat de evangelist Johannes schrijft? Voor een mysticus uit de oosterse traditie van het christendom zoals Simeon de Nieuwe Theoloog zou een dergelijke uitspraak ondenkbaar zijn. Niet alleen de polariteit licht-duisternis wordt door Meister Eckhart als een oosters yin-yangprincipe gehanteerd, ook de polariteit: volheid-leegte.

“De meesters leren, God is een wezen, een intelligent wezen en herkent alle dingen. Ik zeg echter: God is géén wezen, hij is niet intelligent, noch herkent hij dit of dat. Daarom is God leeg van alle dingen. Daarom is het nodig dat de mens er naar streeft van het werken Gods niets te weten noch te herkennen.”
(Bron: Meister Eckhart in Warum wir sogar Gottes ledig werden sollen.)

Een uitspraak als deze doet denken aan een oosterse wijsheid en lijkt een peilloze diepzinnigheid te bezitten. Maar als we deze ervaring toetsen aan het Evangelie en de traditie is deze gewoon onwaar. Het punt is nu dat deze toets steeds meer als (negatief!) fundamentalisme wordt beschouwd. De ‘vrije’ individuele ervaring lijkt nog de enige toets die OK is. Het individu zoekt boven alles zijn eigen-zinnigheid, zichZelf, onafhankelijkheid, orginaliteit en zijn eigen-wijsheid. Oosterse eenheidsmystiek, gnosis en Eckhart sluiten hier naadloos op aan. Dat de kerkelijke leer hier niet in meegaat, wordt vaak als een bevestiging gezien dat het individu gelijk heeft en het instituut zich daartegen verzet. Uit angst voor machtsverlies zou de Kerk daarom inzichten van mystici afwijzen. De tegenstelling instituut-individu (meestal geinterpretteerd als verdrukker-onderdrukte) is een hardnekkig denkbeeld, maar in het geestelijk leven bestaat deze tegenstelling niet. De mens is juist een persoon, in de eerste plaats afhankelijk van Zijn Schepper en geroepen om voor altijd in een relatie met Hem te leven. De oosterse mystiek en gnosis gaan er juist vanuit dat de mens ondeelbaar (individuum) is en in wezen Zélf God is en bij zijn bestemming komt als hij volledig ontwaakt. Oosterse mystiek en gnosis spreken daarom bij voorkeur over het onpersoonlijke leven, over ‘het’ goddelijke, over ‘onzijdig’ bewustzijn en verwerpen God als Persoon.

Meister Eckhart leefde in een tijd (eind 12e , begin 13e eeuw) waarin de theologie in het westen intellectueel geworden was. Het vertrekpunt in de omgang met God had zich verplaatst van het hart naar het hoofd. Er werd heel diep nagedacht en wat Meister Eckhart doet, lijkt op het kraken van een zen-koan. Het lijkt diepzinnig als hij over God spreekt in termen van duisternis en leegte, maar zijn uitspraken getuigen niet meer van een levende omgang met God Die Persoon is. Het is ook niet voor niets dat bij Eckhart God zijn gezicht verliest. Voor het individu betekent dit het begin van zijn ‘verlichting’, maar voor de persoon betekent dit zijn dood.

De vaders van de Orthodoxe Kerk benadrukken de apofatische kennis van God. We kunnen God kennen door wat Hij allemaal niet is. Het lijkt op negatieve theologie avant la lettre. Maar in de Orthodoxie verzelfstandigt de apofatische kennis zich nooit maar blijft ze steeds verbonden met de levende ervaring met God. Daarom schrijft de evangelist Johannes (die ook wel Johannes de Theoloog wordt genoemd) in zijn eerste Brief :

Johannes de TheoloogEerste Brief van Johannes 1: 5-7
En dit is de verkondiging, die wij van Hem gehoord hebben en u verkondigen: God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis. Indien wij zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben en in de duisternis wandelen, dan liegen wij en doen de waarheid niet; maar indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkander; en het bloed van Jezus, zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.
God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis

gedenk te sterven

gelezen: Gedachtig zijn aan de dood en het oordeel
uit: Filokalia, het innerlijk gebed door Alla Selawry

I want it all and I want it now! Pluk de dag! Geniet ieder moment!
Wie herkent de geloofsartikelen van de hedonist niet? Een welvarende wereld als de onze brengt in de eerste plaats hedonisten voort.

Gij zult gelukkig zijn
Gij zult genieten

Ooit werden we in onze genotszoekerij afgeremd door de gedachte aan de dood. In de Middeleeuwen was de dood veel concreter aanwezig dan in onze tijd, ze lag letterlijk op straat. De rijke burgers uit de Renaissance konden zich terugtrekken in artificiële paradijzen: paleizen volgepakt met zintuigelijke prikkels die het leven vulden met plezier. Tyrannen, keizers en koningen hadden overigens nooit anders gedaan, maar in de Renaissance werd het door de toegenomen welvaart voor de rijke burgers ook mogelijk om te leven als vorsten. Vandaar dat we de geest van de Renaissance nu typeren als carpe diem en de geest van de Middeleeuwen als memento mori. We zijn zelfs geneigd om het momento mori als primitief te beschouwen en het carpe diem als verstandig. Want de dood komt toch wel en het is dom om daar voortdurend aan te denken als je nu van ieder moment genieten kunt.

Toch biedt de gedachte aan de dood toegang tot een inzicht dat we in onze jacht op het genot nooit zullen vinden. De woestijnvaders spraken hierover. In de Philokalia, een verzameling geestelijke teksten wordt veel over de gedachte aan de dood gesproken, omdat deze zo vruchtbaar is voor het geestelijke leven. Nil Sorski zei zelfs:

Zoals de hongerige
denkt aan brood
zo denke de zoeker
naar heil aan de dood
Laten we eraan denken hoe onverwacht en plotseling de dood ons overvalt; hoe vergankelijk alle aardse waarden zijn. Kort is onze levensweg, nauwelijks een wandeltocht te noemen, want de wandelaar gaat waarheen hij wil en verblijft zolang hij wil in een herberg. Wij moeten echter, of we willen of niet, deze wereld op afroep verlaten; zonder dat we het willen, achterhaalt ons het vreselijke geheim van de dood. Moeizaam maakt de ziel zich los van het lichaam, verbreekt zij door de natuur gegeven banden. In dit bittere uur ziet zij wat sterven betekent en heft een grote klacht aan – maar niemand kan haar nu helpen, behalve God en haar eigen goede daden.
Johannes Chrysostomos
de gedachte aan de dood
Gedenk te sterven
Ons lichaam wordt stof, verrot en vergaat. De ziel echter staat het onveranderbare, gerechte oordeel van God te wachten. Zolang de mens achteloos leeft, vreest hij het uur van de dood; komt hij dichter bij God, dan vreest hij Zijn oordeel; bij de gevorderde doet echter de liefde zowel de eerste als de tweede vrees verdwijnen.
Isaac de Syriër
 
Bron: Filokalia, het innerlijk gebed door Alla Selawry

nieuwjaarsdag en de dood

overweging bij het begin van het nieuwe jaar
vanitas stilleven
Fui quod sis, Sum quod eris

- Jij bent wat ik was. Ik ben wat jij zult zijn – (grafschrift bij de Romeinen)

Zoete herinneringen zijn soms gevaarlijk
en kunnen het hart pijnigen met verdriet en vergiftigen met woede

omdat het voorbij is

Vooral als die zoete herinnering een geliefde is,
of een kind, of beiden tegelijk

Ik heb nog geen vermoeden over wat gaat komen
Het lijkt vaak minder mooi dan wat geweest is
Want ik weet dat we allemaal ouder worden dus ook ik
en dat het lichaam onherroepelijk in verval raakt
Ik weet dat we langzaam stervende zijn
en soms ook ineens heel vlug …

Hoe ga ik om met deze gedachte aan de dood?
Laat ik mij erdoor verpletteren?
Maak ik een lange neus?
Verzet ik mij met hand en tand?

Of… geloof ik in een eeuwig leven waarin de dood niet meer bestaat
Een leven waarin mijn persoon niet verdampt
Een leven waarin ik mag blijven wie ik ben

omdat ik geloof dat de Liefde Zélf mij wil
en altijd al gewild heeft, al voordat ik bestond…